<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7591</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:36:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7591</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-04-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/4754 CSV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=16b&amp;g=1998-04-29">Coördinatiewet Sociale Verzekering 16b</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=16b&amp;g=1998-04-29">Coördinatiewet Sociale Verzekering 16b</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7591">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7591</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:53:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7591 Centrale Raad van Beroep , 29-04-1998 / 96/4754 CSV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7591:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7591:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/4754 CSV</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>B.V. X., gevestigd te Y., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv)</para>
      <para>in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het</para>
      <para>onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de</para>
      <para>Electrotechnische Industrie. In deze uitspraak wordt onder</para>
      <para>gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 30 december 1991 heeft gedaagde aan</para>
      <para>appellante kennis gegeven van zijn beslissing dat appellante</para>
      <para>op grond van artikel 16a van de Coördinatiewet Sociale</para>
      <para>Verzekering (hierna: CwSV) tot een bedrag van in totaal</para>
      <para>f 6.863.322,71 hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de</para>
      <para>premies ingevolge de Werkloosheidswet, de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Ziektewet en de</para>
      <para>Ziekenfondswet (hierna: WW, WAO, ZW respectievelijk Zfw),</para>
      <para>verschuldigd ten aanzien van werknemers die aan appellante in</para>
      <para>1986, 1987 en 1988 ter beschikking werden gesteld door B.V. Z. te A.</para>
      <para>De aansprakelijkstelling is subsidiair gebaseerd op artikel</para>
      <para>16b van de CwSV.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Middelburg heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 16 april 1996 het namens appellante tegen deze beslissing</para>
      <para>ingestelde beroep gegrond verklaard, voor zover de hoogte van</para>
      <para>de aansprakelijkstelling is bepaald op een bedrag van</para>
      <para>f 6.863.322,71, de bestreden beslissing in zoverre vernietigd,</para>
      <para>de hoogte van de aansprakelijkstelling vastgesteld op een</para>
      <para>bedrag van f 5.006.632,40 en het beroep voor het overige</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is mr P.Th.M. van den Oord, advocaat en</para>
      <para>belastingadviseur te Utrecht, op bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>d.d. 12 juli 1996 aangegeven gronden in hoger beroep gekomen</para>
      <para>van deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 12 september 1996 een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft gedaagde bij brieven van 31 januari 1997 en</para>
      <para>6 maart 1997 zijn standpunt nader onderbouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 juni 1997 heeft mr Van den Oord, voornoemd,</para>
      <para>van repliek gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 30 juni 1997 heeft gedaagde medegedeeld geen</para>
      <para>aanleiding te zien voor een nadere reactie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 9 maart 1998 heeft mr Van den Oord de Raad</para>
      <para>aanvullende stukken toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>19 maart 1998, waar mr Van den Oord voor appellante is</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door B., groepscontroller bij</para>
      <para>appellante. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr M.A.J. Berkers en mr A.I. van der</para>
      <para>Kris, beiden werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van een ingesteld onderzoek is gedaagde tot de</para>
      <para>conclusie gekomen dat B.V. Z. (hierna: Z.) op grote schaal zwart loon</para>
      <para>uitbetaalde. Dit leidde tot verwerping van de loonadministratie van Z. en</para>
      <para>hoge navorderingen over de jaren 1986 tot en met 1988, hetgeen</para>
      <para>weer tot gevolg had dat Z. op 23 januari 1989 haar</para>
      <para>activiteiten heeft moeten staken. Appellante was één van de</para>
      <para>bedrijven die gebruik maakte van werknemers van Z.. Om die</para>
      <para>reden is appellante op de in de bestreden beslissing</para>
      <para>aangegeven gronden aansprakelijk gesteld voor premieschulden</para>
      <para>van Z..</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellante een groot aantal grieven</para>
      <para>aangevoerd die de Raad hierna successievelijk zal behandelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De premievaststelling over het premiejaar 1986</para>
      <para>De bestreden beslissing is gedagtekend 30 december 1991.</para>
      <para>Appellante stelt zich op het standpunt dat niet is komen vast</para>
      <para>te staan - mede omdat zij de beslissing eerst op 6 januari</para>
      <para>1992 zou hebben ontvangen - dat de aansprakelijkstelling</para>
      <para>tijdig is verzonden. Gedaagdes gemachtigden hebben ter zitting</para>
      <para>van de Raad verklaard dat de bestreden beslissing aangetekend</para>
      <para>is verzonden, doch dat het bewijsstuk daarvan niet meer is</para>
      <para>achterhaald. Derhalve is niet onomstotelijk komen vast te</para>
      <para>staan dat de beslissing tijdig, dat wil zeggen vóór 1 januari</para>
      <para>1992, aan appellante is verzonden. De Raad is van oordeel dat</para>
      <para>het risico van het niet kunnen aantonen dat de bestreden</para>
      <para>beslissing tijdig is verzonden, voor rekening van de</para>
      <para>afzender/gedaagde komt. De aansprakelijkstelling voor het jaar</para>
      <para>1986 kan dan ook, gelet op artikel 13, eerste lid, van de</para>
      <para>CwSV, niet in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Extra-territoriale werking CwSV</para>
      <para>In het aanvullend beroepschrift heeft appellante betoogd dat</para>
      <para>de bepalingen van de artikel 16a en 16b van de CwSV geen</para>
      <para>extra-territoriale werking hebben. Daarbij heeft appellante</para>
      <para>aangegeven dat zij contracteerde met het, tot hetzelfde</para>
      <para>concern als Z. behorende, bedrijf C.</para>
      <para>te Zwitserland (C.), welk bedrijf vervolgens werknemers</para>
      <para>van Z. ter beschikking stelde. Het ontbreken van</para>
      <para>extra-territoriale werking van de artikelen 16a en 16b van de</para>
      <para>CwSV zou tot gevolg hebben dat C., als een in het</para>
      <para>buitenland gevestigde onderneming, niet aansprakelijk zou</para>
      <para>kunnen worden gesteld en om die reden zou appellante evenmin</para>
      <para>aansprakelijk kunnen worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De werkzaamheden die verband houden met de onderhavige</para>
      <para>aansprakelijkstelling, zijn verricht in Nederland door</para>
      <para>werknemers van een in Nederland gevestigde werkgever. Voor</para>
      <para>deze werknemers waren in Nederland premies ingevolge de</para>
      <para>sociale-werknemersverzekeringswetten verschuldigd. De</para>
      <para>werkzaamheden werden verricht door tussenkomst van een</para>
      <para>buitenlandse onderneming ten behoeve van een in Nederland</para>
      <para>gevestigde onderneming.</para>
      <para>Dit feitencomplex is zozeer met de Nederlandse</para>
      <para>sociaal-verzekeringsrechtelijke rechtsorde verweven dat de</para>
      <para>Raad van oordeel is dat C. als "doorlener" dan wel</para>
      <para>(onder)aannemer aansprakelijk gesteld kan worden voor</para>
      <para>onbetaald gebleven premies van Z., de in Nederland</para>
      <para>gevestigde uitlener dan wel (onder)onderaannemer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet uitreiken premienota's aan Z.</para>
      <para>Ter zitting heeft appellants gemachtigde betoogd dat</para>
      <para>appellante voor een hoger bedrag aansprakelijk is gesteld dan</para>
      <para>het totaal van de bedragen van de premienota's die aan Z.</para>
      <para>zijn uitgereikt. Gedaagdes gemachtigden hebben deze stelling</para>
      <para>ter zitting gemotiveerd bestreden.</para>
      <para>De Raad stelt vast dat de betreffende stelling van appellante</para>
      <para>niet eerder in onderhavige procedure naar voren is gebracht.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat het in strijd met de beginselen van</para>
      <para>goede procesorde zou zijn indien de Raad op deze in een veel</para>
      <para>te laat stadium van de procedure voorgedragen grief in dit</para>
      <para>geval thans nog acht zou slaan. Om die reden ziet de Raad geen</para>
      <para>aanleiding tot nadere bespreking van deze grief van</para>
      <para>appellante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Schatting loonsom</para>
      <para>Gedaagde is, nadat zij de administratie van Z. had</para>
      <para>verworpen, overgegaan tot een schatting van de met de werken</para>
      <para>van Z. gemoeide loonsom. Tegen deze schatting heeft</para>
      <para>appellante verscheidene grieven aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bruteren</para>
      <para>Appellante heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat het</para>
      <para>onbegrijpelijk is dat de rechtbank in eerste instantie bij</para>
      <para>uitspraak van 16 november 1994 het beroep met toepassing van</para>
      <para>artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (kennelijk)</para>
      <para>gegrond heeft verklaard, omdat gedaagde het bruteren van</para>
      <para>nettolonen onvoldoende zou hebben onderbouwd, terwijl de</para>
      <para>rechtbank bij de aangevallen uitspraak zich met het bruteren</para>
      <para>van nettolonen kon verenigen.</para>
      <para>De Raad stelt vast dat de rechtbank bij uitspraak van 15</para>
      <para>augustus 1995 het verzet van gedaagde tegen de uitspraak van</para>
      <para>16 november 1994 gegrond heeft verklaard. Daarmee is vast</para>
      <para>komen te staan dat, gelet op artikel 8:55, zevende lid, van de</para>
      <para>Awb, de uitspraak van 16 november 1994 is vervallen. Nu voorts</para>
      <para>ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder b, van de</para>
      <para>Beroepswet geen hoger beroep openstaat tegen de uitspraak van</para>
      <para>15 augustus 1995, ziet de Raad geen aanleiding tot nadere</para>
      <para>bespreking van deze grief van appellante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat</para>
      <para>gedaagde niet gerechtigd was om tot bruteren over te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift heeft gedaagde tegen deze stelling onder</para>
      <para>meer het volgende aangevoerd:</para>
      <para>"Gelet op de feiten en omstandigheden moet er naar de</para>
      <para>mening van ondergetekende vanuit worden gegaan dat</para>
      <para>Z. zich ervan bewust was netto loon te betalen en</para>
      <para>dat zij, toen zij deze betalingen deed, de wettelijk</para>
      <para>voorgeschreven inhoudingen voor haar rekening wilde</para>
      <para>nemen. Uit gedingstuk 10 valt op te maken dat</para>
      <para>bedrijfsleiders van diverse bedrijven van het</para>
      <para>D., waar ook Z. onder valt, aangeven</para>
      <para>dat met de werknemers netto loonbedragen zijn</para>
      <para>afgesproken. Dit wordt bevestigd door de</para>
      <para>verklaringen die zijn afgelegd door de diverse</para>
      <para>werknemers van Z.. Er wordt weliswaar gesproken</para>
      <para>van een bruto loon van f. 2.800,- per vier weken</para>
      <para>maar feitelijk is er sprake van een netto</para>
      <para>loonafspraak van f. 600,- per week. Men werd voor de</para>
      <para>keuze gesteld het laatst genoemde netto loonbedrag</para>
      <para>te accepteren of ontslagen te worden. Voorts is het</para>
      <para>bedingen van netto lonen bij malafide bedrijven</para>
      <para>eerder regel dan uitzondering. Z. moet zich er</para>
      <para>derhalve van bewust zijn geweest netto</para>
      <para>loonbetalingen te hebben gedaan. Voor deze laatste</para>
      <para>opvatting meent ondergetekende steun te vinden in</para>
      <para>een uitspraak van uw Raad d.d. 26 oktober 1994,</para>
      <para>Premie 1993/161.</para>
      <para>(...)</para>
      <para>Bovendien moet worden aangenomen dat Z. de</para>
      <para>loonbetalingen heeft gedaan onder omstandigheden die</para>
      <para>verhaal op haar werknemers bij voorbaat uitsluit. De</para>
      <para>bij Z. aangetroffen administratie was onvolledig</para>
      <para>en onjuist. Z. heeft geen loonadminstratie</para>
      <para>bijgehouden waaruit kon worden afgeleid aan wie op</para>
      <para>welk moment loonbetalingen zijn gedaan. Door deze</para>
      <para>handelwijze heeft Z. zich op voorhand elke</para>
      <para>mogelijkheid tot het zoeken van verhaal op haar</para>
      <para>werknemers ontnomen.</para>
      <para>In dit verband wenst ondergetekende nog te wijzen op</para>
      <para>een uitspraak van uw Raad d.d. 14 juni 1995,</para>
      <para>gepubliceerd in RSV 1996/7.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het schrijven van 31 januari 1997 heeft gedaagde daaraan</para>
      <para>nog het volgende toegevoegd:</para>
      <para>"Allereerst willen wij voorop stellen dat uit de</para>
      <para>diverse verklaringen van de werknemers en</para>
      <para>bedrijfsleiders van Z. duidelijk blijkt dat de</para>
      <para>daadwerkelijk uitbetaalde bedragen netto loon</para>
      <para>bedroegen. Bedrijfsleider E. verklaart in zijn</para>
      <para>zesde procesverbaal dat op papier een brutoloon van</para>
      <para>f. 2.800,- werd overeengekomen maar dat feitelijk</para>
      <para>een netto loon van f. 2.800,- werd verdiend.</para>
      <para>Werknemer F. verklaart in zijn eerste</para>
      <para>procesverbaal dat de feitelijke afspraak was dat hij</para>
      <para>f. 700,- per week zou gaan verdienen met daar</para>
      <para>bovenop een ploegentoeslag van f. 4,- per uur.</para>
      <para>Werknemer G. maakt in zijn eerste</para>
      <para>procesverbaal melding van een netto loon van f.</para>
      <para>640,- per week. Werknemer H. noemt in zijn eerste</para>
      <para>procesverbaal een bedrag van f. 600,- per week aan</para>
      <para>netto loon. En werknemer I. verklaart in zijn</para>
      <para>eerste procesverbaal zelfs voor de keuze te zijn</para>
      <para>gesteld tussen een netto loon van f. 600,- per week</para>
      <para>of ontslag. Uit deze verklaringen moge genoegzaam</para>
      <para>blijken dat Z. met haar werknemers een netto</para>
      <para>loonafspraak maakte. Op grond van onder andere</para>
      <para>bovengenoemde verklaringen is het netto loon</para>
      <para>vastgesteld op f. 15,- per uur (= f. 600,-/40).</para>
      <para>Aangezien door Z. voorts allerlei toeslagen</para>
      <para>werden uitbetaald is dit bedrag met f. 4,- per uur</para>
      <para>opgehoogd en is het netto uurloon vastgesteld op f.</para>
      <para>19,-- per uur. Zoals verder uit de verklaring van</para>
      <para>E. blijkt werden bij appellante uitsluitend</para>
      <para>gecertficeerde lassers ingezet. Derhalve</para>
      <para>gekwalificeerde werknemers. Gelet hierop achten wij</para>
      <para>een netto uurloon van f. 19,-- zeer reëel en achten</para>
      <para>wij het zeer aannemelijk dat dit in overeenstemming</para>
      <para>is met de destijds in de branche geldende netto</para>
      <para>uurlonen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad kan dit betoog van gedaagde onderschrijven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn brief van 9 maart 1998 heeft appellantes gemachtigde</para>
      <para>voorts nog aangevoerd dat, anders dan waarvan gedaagde is</para>
      <para>uitgegaan, in Zwitserland nog gegevens aanwezig waren over de</para>
      <para>loonadministratie van Z., zodat het wellicht alsnog</para>
      <para>mogelijk is om tot verhaal over te gaan. In het bijzonder zou</para>
      <para>heer J. daaromtrent nadere informatie kunnen verschaffen.</para>
      <para>De Raad stelt vast dat uit de stukken blijkt dat in het kader</para>
      <para>van het onderzoek naar Z. destijds de gehele aanwezige</para>
      <para>administratie in beslag is genomen en dat daarbij geen</para>
      <para>(volledige) loonadministratie is aangetroffen.</para>
      <para>Nu de stelling van appellante, dat er meer administratieve</para>
      <para>gegevens voorhanden zijn, slechts is onderbouwd met verwijzing</para>
      <para>naar voornoemde heer J., ziet de Raad in deze stelling</para>
      <para>geen aanleiding om het standpunt van gedaagde dat verhaal</para>
      <para>achteraf niet meer mogelijk moet worden geacht, voor onjuist</para>
      <para>te houden.</para>
      <para>Samenvattend is de Raad van oordeel dat gedaagde terecht is</para>
      <para>overgegaan tot brutering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Premies Zfw</para>
      <para>Appellante heeft betoogd dat de werknemers van Z., gelet op</para>
      <para>de berekeningen van gedaagde, een zodanig hoog (bruto)loon</para>
      <para>genoten, dat zij niet onder de verplichte verzekering</para>
      <para>ingevolge de Zfw vielen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt hieromtrent het volgende</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken blijkt dat met de werknemers van Z.</para>
      <para>een vast brutoloon van f 2.800,-- was overeengekomen. Voorts</para>
      <para>komt uit de gedingstukken naar voren dat de werknemers van</para>
      <para>Z. per week een vast nettoloon van f 500,-- genoten. Naast</para>
      <para>dat nettoloon ontvingen zij nog diverse toeslagen die niet tot</para>
      <para>het vaste loon behoorden.</para>
      <para>Uit deze gegevens kan de Raad, gelet op artikel 3, eerste lid,</para>
      <para>aanhef en onder a, in verbinding met artikel 3, vierde lid,</para>
      <para>aanhef en onder a, van de Zfw, niet anders concluderen dan dat</para>
      <para>gedaagde bij de premievaststelling terecht premies ingevolge</para>
      <para>de Zfw in aanmerking heeft genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gegevens poortadministratie</para>
      <para>Gedaagde heeft, op verzoek van appellante, hangende de</para>
      <para>procedure in eerste aanleg een herberekening gemaakt aan de</para>
      <para>hand van de zogenoemde, door appellante overgelegde,</para>
      <para>"poortadministratie". Deze herberekening heeft uiteindelijk</para>
      <para>geleid tot het bedrag waarvoor appellante ingevolge de</para>
      <para>aangevallen uitspraak aansprakelijk is gesteld.</para>
      <para>Appellante heeft echter gesteld dat in de poortadministratie</para>
      <para>niet alleen werknemers van Z., maar ook werknemers van</para>
      <para>andere werkgevers voorkomen en dat gedaagde daar ten onrechte</para>
      <para>geen rekening mee heeft gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat de "andere" werknemers door</para>
      <para>appellante kennelijk als Z.-werknemers zijn geaccepteerd.</para>
      <para>Daarnaast is gedaagde, op verzoek van appellante, overgegaan</para>
      <para>tot een - voor appellante zeer gunstige - herberekening op</para>
      <para>basis van haar poortadministratie. Onder deze omstandigheden</para>
      <para>drukt op appellante de bewijslast om aan te tonen dat er</para>
      <para>anderen dan Z.-werknemers voor haar werkzaam zijn geweest.</para>
      <para>Gelet op de inhoud van de door appellante overgelegde gegevens</para>
      <para>kan niet gezegd worden dat zij aan die bewijslast heeft</para>
      <para>voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Piping-werkzaamheden"</para>
      <para>Appellante heeft ook voor piping-activiteiten</para>
      <para>(laswerkzaamheden waarbij enkele korte stukken pijp aan elkaar</para>
      <para>worden gelast tot één geheel) gebruik gemaakt van werknemers</para>
      <para>van Z.. Appellante heeft echter betoogd dat deze</para>
      <para>werkzaamheden niet op haar bedrijfsterrein hebben</para>
      <para>plaatsgevonden, maar in een bedrijfsruimte die ter beschikking</para>
      <para>stond van Z.. Gedaagde heeft tegen deze stelling in eerste</para>
      <para>instantie aangevoerd dat niet gebleken was dat Z. over een</para>
      <para>bedrijfsruimte beschikte, vervolgens dat niet gebleken was dat</para>
      <para>Z. gebruik maakte van een haar ter beschikking staande</para>
      <para>bedrijfsruimte voor haar werkzaamheden voor appellante en ten</para>
      <para>slotte, in hoger beroep, dat de werkzaamheden in ieder geval</para>
      <para>niet werden verricht op de vestigingsplaats van Z.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De herberekening die gedaagde hangende de procedure in eerste</para>
      <para>aanleg heeft gemaakt, is gebaseerd op door appellante</para>
      <para>aangedragen gegevens. In een toelichting op die gegevens heeft</para>
      <para>appellante gewezen op het feit dat de piping-werkzaamheden in</para>
      <para>haar opvatting anders gekwalificeerd dienden te worden dan de</para>
      <para>werkzaamheden die op haar eigen bedrijfsterrein werden</para>
      <para>verricht.</para>
      <para>De Raad is niet gebleken dat gedaagde vervolgens enig concreet</para>
      <para>(nader) onderzoek naar de piping-werkzaamheden heeft verricht.</para>
      <para>De Raad acht de omstandigheid dat gedaagde noch onderzoek</para>
      <para>heeft ingesteld naar de omstandigheden waaronder de</para>
      <para>werkzaamheden werden verricht, noch onderzoek heeft ingesteld</para>
      <para>naar de vraag of de locatie als een vestiging van Z. kon</para>
      <para>worden aangemerkt, in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.</para>
      <para>De Raad merkt daarbij nog op dat de uitzondering van artikel</para>
      <para>16b, vierde lid, aanhef en onder a, van de CwSV naar redelijke</para>
      <para>uitleg niet alleen geldt voor de (hoofd)vestiging van een</para>
      <para>onderneming, maar tevens voor (reële) nevenvestigingen waar</para>
      <para>bedrijfsactiviteiten van de onderaannemer worden uitgeoefend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt ten slotte met betrekking tot de door</para>
      <para>gedaagde uitgevoerde schatting dat gedaagde onweersproken</para>
      <para>heeft gesteld dat het bedrag van de geschatte loonsom minder</para>
      <para>dan 60% bedroeg van de met de werkzaamheden gemoeide omzet.</para>
      <para>Aangezien Z. slechts personeel en geen materiaal leverde,</para>
      <para>is ook de Raad van oordeel dat de schatting van gedaagde zeker</para>
      <para>niet te hoog moet worden geacht. De Raad voegt daar nog aan</para>
      <para>toe dat appellante in de jaren 1987 en 1998, blijkens de</para>
      <para>stortingen op de G-rekening van de Z. en de rechtstreekse</para>
      <para>stortingen aan gedaagde, rekening heeft gehouden met een hoger</para>
      <para>bedrag aan verschuldigde premies dan het bedrag waarvoor</para>
      <para>appellante, uiteindelijk aansprakelijk is gesteld, hetgeen</para>
      <para>eveneens een aanwijzing is dat de schatting van appellante</para>
      <para>niet te hoog is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Behandelingsduur</para>
      <para>Appellante heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat</para>
      <para>de procedures bij gedaagde, de rechtbank en de Raad te lang</para>
      <para>hebben geduurd.</para>
      <para>De Raad stelt voorop dat de aansprakelijkstelling, voor zover</para>
      <para>deze betrekking heeft op de jaren 1987 en 1988, binnen de</para>
      <para>termijn van artikel 13, eerste lid, van de CwSV is opgelegd.</para>
      <para>De Raad ziet, mede gelet op de complexiteit van onderhavige</para>
      <para>zaak en het daarmee gepaarde gaande omvangrijke onderzoek van</para>
      <para>gedaagde, geen aanknopingspunten voor de stelling dat gedaagde</para>
      <para>in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur zou hebben</para>
      <para>gehandeld door eerst op 30 december 1991 de bestreden</para>
      <para>beslissing te nemen. De Raad merkt daarbij nog op dat het</para>
      <para>grootste deel van het bedrag waarvoor gedaagde voornemens was</para>
      <para>appellante aansprakelijk te stellen (betreffende de</para>
      <para>premiejaren 1985 en 1986), is komen te vervallen.</para>
      <para>Ten aanzien van de gestelde te lange behandelingsduur bij de</para>
      <para>rechtbank en de Raad overweegt de Raad het volgende.</para>
      <para>De Raad is, overeenkomstig zijn inmiddels vaste rechtspraak,</para>
      <para>van oordeel dat in gevallen als het onderhavige, waarin het</para>
      <para>gaat om de vaststelling van een burgerlijke verplichting als</para>
      <para>bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming</para>
      <para>van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden</para>
      <para>(hierna: EVRM) en om een gestelde overschrijding van een</para>
      <para>redelijke termijn van behandeling door een rechterlijke</para>
      <para>instantie, die overschrijding niet kan leiden tot het ontstaan</para>
      <para>of de toekenning van aanspraken die niet in overeenstemming</para>
      <para>zijn met de wettelijke bepalingen, in casu die van de CwSV.</para>
      <para>Een vordering tot vergoeding van gestelde geleden schade</para>
      <para>dienen appellanten in te stellen bij de burgerlijke rechter.</para>
      <para>De Raad stelt zich op het standpunt dat hij in de gevallen als</para>
      <para>de onderhavige in beginsel niet treedt in een beoordeling van</para>
      <para>mogelijk schadeplichtig handelen van de bestuursrechter in</para>
      <para>verband met een gestelde schending van het</para>
      <para>redelijke-termijnvereiste van artikel 6 van het EVRM.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak</para>
      <para>voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de</para>
      <para>proceskosten van appellante in hoger beroep, begroot op f</para>
      <para>1.775,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts dient gedaagde het door appellant in hoger beroep</para>
      <para>gestorte griffierecht te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt aangevallen uitspraak, alsmede de bestreden</para>
      <para>beslissing;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in</para>
      <para>hoger beroep, begroot op f 1.775,--;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde het door appellante gestorte recht ad f</para>
      <para>600,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en</para>
      <para>mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van B.A. Beenen als griffier, en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 29 april 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para>(get.) B.A. Beenen.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>2704</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>