<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7563</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:18:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7563</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-04-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/673 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:69&amp;g=1998-04-07">Algemene wet bestuursrecht 8:69</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:77&amp;g=1998-04-07">Algemene wet bestuursrecht 8:77</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:77&amp;g=1998-04-07">Algemene wet bestuursrecht 8:77</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1999, 32</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7563">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7563</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:53:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7563 Centrale Raad van Beroep , 07-04-1998 / 97/673 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7563:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Uit 8:69 Awb noch uit 8:77 Awb vloeit  voort dat de rechtbank in haar uitspraak op alle door een</para>
        <para> belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk heeft in te gaan.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7563:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/673 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para> verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para> het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens</para>
      <para>verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is mr A.C.R. Molenaar, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden</para>
      <para>in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank te Haarlem</para>
      <para> onder dagtekening 10 december 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Namens appellante is een nader stuk ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para> 10 maart 1998, waar voor appellante is verschenen</para>
      <para>mr Molenaar voornoemd, terwijl voor gedaagde is verschenen mr</para>
      <para> M.G. Liebrand, werkzaam bij GUO Uitvoeringsinstelling B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>Appellante was sedert 1981 in het seizoen werkzaam als bloembindster bij B.V. X. te Y. Zij ontving,</para>
      <para>laatstelijk voor haar ziekmelding op 2 januari 1990, sedert 11</para>
      <para>oktober 1989 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellante meldde zich op 2 januari 1990 vanuit de WW ziek wegens psychogene klachten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft aan appellante, nadat hij haar over de maximale</para>
      <para> periode ziekengeld ingevolge de Ziektewet had uitbetaald, met ingang van 18 januari 1991 uitkeringen ingevolge de Algemene</para>
      <para> Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft die uitkeringen, die laatstelijk werden</para>
      <para> berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van</para>
      <para>80 tot 100%, bij het bestreden besluit van 30 januari 1995 met</para>
      <para> ingang van 1 februari 1995 ingetrokken, onder overweging dat</para>
      <para>de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid met ingang van</para>
      <para> die datum minder dan 25 respectievelijk 15% was. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante op 1 februari 1995, de</para>
      <para> in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met in achtneming van</para>
      <para> die beperkingen in staat was hele dagen te werken in voor haar</para>
      <para> geschikt bevonden functies. Vergelijking van de mediane</para>
      <para> loonwaarde van die functies met het voor appellante geldende</para>
      <para> maatmaninkomen levert volgens de arbeidsdeskundige K. de</para>
      <para> Jonge, blijkens diens rapport van</para>
      <para>23 september 1994, bijna geen verlies aan verdienvermogen op.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding is de vraag of dit besluit in rechte stand kan</para>
      <para> houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank,</para>
      <para> bevestigend. Daartoe wordt het volgende overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de zogeheten "rapportage algemeen" van de verzekeringsgeneeskundige I.L. Hoornstra van 5 juli 1994 heeft</para>
      <para>appellante - mogelijke functionele - armklachten, lumbago,</para>
      <para> spanningshoofdpijn en recidiverende hydrade-nitus. Deze</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige heeft zich daartoe gebaseerd op</para>
      <para> eigen onderzoek, dossiergegevens en informatie verkregen van de huisarts. Daarvan uitgaande achtte zij appellante</para>
      <para> aangewezen op niet al te stresserend, rug- en armsparend werk</para>
      <para>in een niet te warme omgeving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep</para>
      <para> doen aanvoeren dat zij meer beperkt is dan de</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige heeft aangenomen en daartoe rapportages uit de behandelende sector doen overleggen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft daarop gereageerd door middel van het inzenden</para>
      <para> van een verklaring van de verzekeringsgeneeskundige</para>
      <para>J. Bos-Zijlstra van 6 juni 1996. Deze geeft daarin aan dat rekening is gehouden met de door de huisarts E.A. Cossee</para>
      <para>genoemde klachten, dat de namens appellante ingezonden</para>
      <para> medische rapporten reeds bekend waren en dat de recente</para>
      <para>informatie van dr Mispelblom Beijer, waarover ten tijde van de</para>
      <para> voorbereiding van het bestreden besluit niet werd beschikt,</para>
      <para>geen aanleiding geeft tot aanscherping van het</para>
      <para> belastbaarheidspatroon nu deze geen afwijkingen heeft gevonden</para>
      <para>op neurologisch gebied.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mede gelet op deze nadere rapportage, heeft de Raad noch in de</para>
      <para> verzekeringsgeneeskundige voorbereiding van het bestreden besluit, noch in de namens appellante ingezonden medische</para>
      <para> rapporten aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de belastbaarheid van appellante op de datum in geding zou</para>
      <para> zijn overschat. De Raad heeft zodanige aanknopingspunten</para>
      <para> evenmin kunnen vinden in de verklaringen van appellantes</para>
      <para> huisarts Cossee van 16 april 1996 en 26 februari 1998. Hij heeft daarbij in aanmerking genomen dat deze arts zijn oordeel</para>
      <para> dat appellante arbeidsongeschikt is, heeft doen steunen op</para>
      <para> feitelijke gegevens waarover de verzekeringsgeneeskundige ook</para>
      <para> beschikte en die laatstgenoemde aanleiding gaven tot het vaststellen van de in het belastbaarheidspatroon van</para>
      <para> 13 september 1994 neergelegde, voor appellante geldende</para>
      <para> beperkingen tot het verrichten van arbeid. De Raad wijst er in</para>
      <para> dit verband op dat de huisarts niet heeft gemotiveerd waarom appellante tengevolge van haar beperkingen op de datum in</para>
      <para> geding in het geheel niet zou hebben kunnen werken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft doen aanvoeren dat de belasting verbonden aan</para>
      <para> de voor haar geselecteerde functies, blijkens op de</para>
      <para>verwoording functiebelasting geplaatste asterisken, appellantes belastbaarheid overschrijdt, zodat deze functies</para>
      <para>niet voor de schatting gebruikt zouden mogen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze grief kan naar het oordeel van de Raad geen doel treffen</para>
      <para> nu uit het rapport van de arbeidsdeskundige</para>
      <para>K. de Jonge van 17 april 1996 blijkt dat over de geschiktheid van deze functies overleg heeft plaatsgevonden tussen de</para>
      <para>arbeidsdeskundige en de verzekeringsgeneeskundige en in dit</para>
      <para> rapport genoegzaam wordt gemotiveerd waarom de belasting van de desbetreffende functies de belastbaarheid van appellante</para>
      <para> niet te boven gaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien vergelijking van het mediane loon van de functies</para>
      <para> worststopper, lampenkappenstikker en inpakker met het voor</para>
      <para>appellante geldende maatmaninkomen leidt tot een mate van</para>
      <para> arbeidsongeschiktheid lager dan 15%, kan het bestreden besluit in rechte stand houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellantes gemachtigde heeft in hoger beroep aangevoerd dat</para>
      <para> de rechtbank ten onrechte geen melding heeft gemaakt van het overleggen van zes medische rapporten, zodat hij ervan uitgaat</para>
      <para> dat de rechtbank recht heeft gedaan zonder acht te slaan op alle gedingstukken, hetwelk zich naar het oordeel van deze</para>
      <para> gemachtigde niet verdraagt met artikel 8:69 van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze grief treft geen doel. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar de rapportage van de</para>
      <para>verzekeringsgeneeskundige van 5 juli 1994 en het zijdens gedaagde ter zitting van 30 oktober 1996 naar voren gebrachte,</para>
      <para>tot het oordeel gekomen dat de voor appellante geselecteerde</para>
      <para> functies - gelet op haar beperkingen - passend zijn. Daarin ligt besloten dat de rechtbank in de namens appellante overgelegde</para>
      <para> medische rapporten geen aanknopingspunten heeft gevonden om het oordeel van gedaagde omtrent de belastbaarheid van</para>
      <para> appellante voor onjuist te houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt dat zich in het onderhavige geval niet de situatie voordeed waarvan sprake was in 's Raads uitspraak van</para>
      <para>16 juli 1997, inzake 95/6524 AAW/WAO, te weten die waarin de</para>
      <para> rechtbank op substantiële argumenten van degene die het</para>
      <para>inleidend beroep had ingesteld, in het geheel niet was ingegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt hieraan, in de lijn van zijn uitspraak van 20</para>
      <para> december 1983, gepubliceerd in RSV 1984/99, toe, dat noch uit</para>
      <para>artikel 8:69, noch uit artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder b van de Awb voortvloeit dat de rechtbank in haar</para>
      <para>uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde</para>
      <para> argumenten afzonderlijk heeft in te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te</para>
      <para> worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hetgeen overigens door appellantes gemachtigde is aangevoerd, ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel</para>
      <para>te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para> het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en</para>
      <para> mr M.M. van der Kade en mr R.M. van Male als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr B. Serno als griffier en uitgesproken</para>
      <para> in het openbaar op 7 april 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para>(get.) B. Serno.</para>
    <para />
    <para />
    <para>IS</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>