<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:32:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7531</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">97/543 ABP, 97/552 ABP, 98/1512 ABP</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1998-04-02">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:2&amp;g=1998-04-02">Algemene wet bestuursrecht 7:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1998-04-02">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=28&amp;g=1998-04-02">Beroepswet 28</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1998/144</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:53:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-10-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531 Centrale Raad van Beroep , 02-04-1998 / 97/543 ABP, 97/552 ABP, 98/1512 ABP</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verzoek schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten, zuiver schadebesluit, aansluiting met</para>
        <para> civiele schadevergoedingsrecht, onrechtmatige overheidsdaad, onbevoegde rechter.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7531:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>97/543 ABP, 97/552 ABP en 98/1512 ABP</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP als rechtsopvolger</para>
      <para>van het bestuur van het voormalige Algemeen burgerlijk</para>
      <para>pensioenfonds, appellant, tevens gedaagde (hierna te noemen:</para>
      <para>appellant),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A., wonende te B., gedaagde, tevens</para>
      <para>appellant (hierna te noemen: gedaagde).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zijn op daartoe bij hun aanvullende beroepschriften</para>
      <para>aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van de tussen hen op</para>
      <para>23 december 1996, onder nummer 96/863 BELEI P01 G07, gewezen</para>
      <para>uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Assen. Bij die</para>
      <para>uitspraak is het besluit van appellant van 26 april 1996, onder</para>
      <para>gegrondverklaring van het daartegen namens gedaagde ingestelde</para>
      <para>beroep, vernietigd en bepaald dat appellant een nadere beslissing</para>
      <para>(bedoeld zal zijn: een nieuw besluit) dient te nemen met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen; een en</para>
      <para>ander met bepalingen over griffierecht en proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 28</para>
      <para>februari 1997 een nieuw besluit genomen met betrekking tot de aan</para>
      <para>gedaagde toekomende vergoeding terzake van wettelijke rente en</para>
      <para>buitengerechtelijke kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 19 februari 1998, waar</para>
      <para>appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr M.J.W.A. Beulen-Darmstadt, werkzaam bij de Stichting</para>
      <para>Pensioenfonds ABP, en waar voor gedaagde is opgetreden</para>
      <para>mr P.J.G.G. Sluyter, advocaat te Assen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een</para>
      <para>uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde</para>
      <para>feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 februari 1995 is aan gedaagde medegedeeld dat</para>
      <para>de beslissing van 30 november 1992 werd herzien en dat voor de</para>
      <para>vaststelling van haar nabestaandenpensioen ingevolge de Algemene</para>
      <para>burgerlijke pensioenwet, zoals zij toen gold, de door wijlen haar</para>
      <para>echtgenoot doorgebrachte Indonesische diensttijd van 20 juni 1951</para>
      <para>tot 5 mei 1955, dubbeltellend, in aanmerking wordt genomen. Dit</para>
      <para>leidde ertoe dat gedaagdes nabestaandenpensioen ingaande</para>
      <para>februari 1995 op een hoger bedrag werd vastgesteld en dat haar in</para>
      <para>verband met de aan de herziening toekomende terugwerkende kracht</para>
      <para>tot 24 december 1964 in februari 1995 een nabetaling zou worden</para>
      <para>gedaan. Dat besluit is genomen ter uitvoering van de door</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage tussen partijen gewezen</para>
      <para>uitspraak van 1 december 1994, nummer 93/577 ABP. Daarin had die</para>
      <para>rechtbank beslist dat de beslissing van het bestuur van het</para>
      <para>voormalige Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abpf) van 14 mei</para>
      <para>1993, waarbij was gehandhaafd de beslissing van 30 november 1992</para>
      <para>inhoudende dat de door gedaagdes echtgenoot na 20 juni 1951 in de</para>
      <para>Republiek Indonesië doorgebrachte tijd niet als dubbeltellende</para>
      <para>voor pensioen geldige diensttijd in aanmerking kon worden</para>
      <para>genomen, in rechte geen stand kon houden. De</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage had daartoe overwogen</para>
      <para>dat, gelet op het bepaalde in artikel IV, aanhef en onder b, van</para>
      <para>de Wet van 26 maart 1992, Stb. 199, houdende wijziging van de</para>
      <para>Algemene burgerlijke pensioenwet, bij de beslissing van</para>
      <para>14 mei 1993 (en de daaraan ten grondslag liggende beslissing van</para>
      <para>30 november 1992) een onjuiste maatstaf was aangelegd. Met</para>
      <para>betrekking tot de vraag of wijlen gedaagdes echtgenoot moest</para>
      <para>worden geacht gedurende de periode van 20 juni 1951 tot 5 mei</para>
      <para>1955 op uitdrukkelijk verzoek van de Nederlandse overheid in</para>
      <para>dienst van de Republiek Indonesië werkzaam te zijn geweest, heeft</para>
      <para>evenbedoelde rechtbank in haar uitspraak van 1 december 1994</para>
      <para>overwogen dat, waar de belangrijkste bewijsstukken buiten het</para>
      <para>bereik van gedaagde waren vernietigd, van gedaagde slechts in</para>
      <para>redelijkheid kon worden verlangd voldoende aannemelijk te maken</para>
      <para>dat van een uitdrukkelijk verzoek als hiervoor bedoeld sprake</para>
      <para>was. Uitgaande van de haar beschikbare gegevens was de rechtbank</para>
      <para>van oordeel dat voldoende aannemelijk was geworden dat in het</para>
      <para>geval van wijlen gedaagdes echtgenoot van meergenoemd verzoek</para>
      <para>sprake was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is op 6 juni 1995 verzocht om vergoeding van</para>
      <para>schade verband houdend met de nabetaling van het haar toekomende</para>
      <para>nabestaandenpensioen. Met name is verzocht om vergoeding van</para>
      <para>wettelijke rente terzake van de in</para>
      <para>februari 1995 gedane nabetaling over het tijdvak van 24 december</para>
      <para>1964 tot 1 februari 1995 en buitengerechtelijke kosten (inclusief</para>
      <para>BTW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek van gedaagde om schadevergoeding is beoordeeld aan de</para>
      <para>hand van jurisprudentie van de Raad in ambtenarenzaken inzake</para>
      <para>zuivere schadebesluiten en bij besluit van 22 september 1995 is</para>
      <para>namens de directieraad van de Stichting pensioenfonds ABP aan</para>
      <para>gedaagde bericht dat haar over de periode van 1 januari 1993 tot</para>
      <para>1 februari 1995 een rentevergoeding werd toegekend tot een bedrag</para>
      <para>van f 17.011,45; vergoeding van de gevraagde buitengerechtelijke</para>
      <para>kosten is afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van gedaagdes bezwaren tegen het besluit van 22</para>
      <para>september 1995 is haar bij besluit van 26 april 1996 namens de</para>
      <para>directieraad van de Stichting pensioenfonds ABP medegedeeld dat</para>
      <para>haar bezwaar in zoverre gegrond werd bevonden dat de</para>
      <para>rentevergoeding nader werd vastgesteld op f 17.869,48; haar</para>
      <para>overige bezwaren, betrekking hebbend op de ingangsdatum van de</para>
      <para>rentevergoeding en de weigering om aan haar buitengerechtelijke</para>
      <para>kosten te vergoeden, zijn ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft het besluit van 26</para>
      <para>april 1996 bij de aangevallen uitspraak, onder gegrondverklaring</para>
      <para>van het daartegen ingesteld beroep, vernietigd en appellant</para>
      <para>opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van</para>
      <para>hetgeen in die uitspraak was overwogen; een en ander met</para>
      <para>bepalingen over proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft</para>
      <para>die vernietiging primair doen steunen op de door gedaagde</para>
      <para>gestelde schending van de hoorplicht. Zij heeft voorts, onder</para>
      <para>verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 juli 1994</para>
      <para>(JB 1994/221) als haar oordeel te kennen gegeven dat het besluit</para>
      <para>van 26 april 1996 diende te worden bezien als een appellabel</para>
      <para>besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling waarvan aansluiting dient</para>
      <para>te worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht terzake</para>
      <para>van het plegen van een onrechtmatige (overheids)daad en niet,</para>
      <para>zoals appellant had gedaan, bij het ambtenaarrechtelijk</para>
      <para>schadevergoedingsrecht. In dat verband heeft zij gedaagdes grief</para>
      <para>onderschreven dat appellant ten onrechte 1 januari 1993 als</para>
      <para>ingangsdatum van de aan gedaagde toekomende wettelijke rente</para>
      <para>heeft gehanteerd. De rechtbank is gedaagde ook gevolgd in haar</para>
      <para>stelling dat de periode waarover wettelijke rente dient te worden</para>
      <para>betaald niet eindigt op</para>
      <para>1 februari 1992 maar op de dag der algehele voldoening. Ten</para>
      <para>aanzien van gedaagdes vordering terzake van zogenoemde</para>
      <para>buitengerechtelijke kosten heeft de rechtbank ten slotte,</para>
      <para>toetsend aan de door de Raad in zijn uitspraak van 24 januari</para>
      <para>1995 (JB 1995/47) aangelegde maatstaf, te kennen gegeven dat</para>
      <para>appellant op dat punt gehouden was tot vergoeding van schade,</para>
      <para>welke door de rechtbank ex aequo en bono is vastgesteld op f</para>
      <para>2.500,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt in de eerste plaats het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de connexiteit die bestaat tussen het de schade gegeven</para>
      <para>hebbende besluit van 14 maart 1993, de toepassing van de Algemene</para>
      <para>burgerlijke pensioenwet betreffende, en het hier in de procedure</para>
      <para>bij de Arrondissementsrechtbank te Assen bestreden besluit van 26</para>
      <para>april 1996, is naar het oordeel van de Raad tot het kennisnemen</para>
      <para>van het beroep tegen laatstgenoemd besluit in relatieve zin</para>
      <para>bevoegd te achten de rechtbank die in deze zin bevoegd is geweest</para>
      <para>kennis te dragen van het besluit van 14 maart 1993. Dit was het</para>
      <para>Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage en is - sedert 1 januari 1994</para>
      <para>- de Arrondissementsrechtbank aldaar. Dit betekent dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak onbevoegdelijk door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Assen is gedaan. In de gegeven</para>
      <para>omstandigheden ziet de Raad echter aanleiding om met toepassing</para>
      <para>van artikel 28 van de Beroepswet die onbevoegdheid voor gedekt te</para>
      <para>verklaren en de uitspraak alsnog als bevoegdelijk gedaan aan te</para>
      <para>merken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Voorts overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant kan zich met de aangevallen uitspraak niet verenigen</para>
      <para>voor zover het besluit van 26 april 1996 is vernietigd wegens</para>
      <para>schending van de hoorplicht. Zijn hoger beroep richt zich tevens</para>
      <para>tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de beoordeling van</para>
      <para>het besluit van 26 april 1996 aansluiting dient te worden gezocht</para>
      <para>bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en het daarmee</para>
      <para>samenhangende standpunt betreffende de ingangsdatum van de</para>
      <para>wettelijke rente. Met betrekking tot de overwegingen van de</para>
      <para>rechtbank over de omvang van de wettelijke rente heeft appellant</para>
      <para>te kennen gegeven - slechts - alsnog bereid te zijn tot</para>
      <para>vergoeding van wettelijke rente over de periode van 1 oktober</para>
      <para>1995 tot 11 juni 1996. Ten slotte heeft appellant betwist</para>
      <para>gehouden te zijn gedaagde f 2.500,-- te vergoeden terzake van</para>
      <para>zogenoemde buitengerechtelijke kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep van gedaagde heeft slechts betrekking op het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank met betrekking tot meerbedoelde</para>
      <para>buitengerechtelijke kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking nemend dat, nu het door appellant ter uitvoering</para>
      <para>van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 28 februari 1997</para>
      <para>niet geheel tegemoetkomt aan de bezwaren van gedaagde met</para>
      <para>betrekking tot de gevraagde vergoeding van de zogenoemde</para>
      <para>buitengerechtelijke kosten, het besluit van 27 februari 1997</para>
      <para>ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb in</para>
      <para>het onderhavige geding is betrokken, overweegt de Raad met</para>
      <para>betrekking tot hetgeen door partijen in hoger beroep is</para>
      <para>aangevoerd het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige</para>
      <para>geval moet worden geconstateerd dat gedaagde zich terecht heeft</para>
      <para>beklaagd niet te zijn gehoord. Aan die conclusie ziet de Raad</para>
      <para>niet afdoen dat namens gedaagde niet (adequaat) zou zijn</para>
      <para>gereageerd op appellants uitnodiging kenbaar te maken of zij</para>
      <para>gebruik wilde maken van de gelegenheid te worden gehoord.</para>
      <para>Evenbedoelde schending van artikel 7:2 van de Awb (gedaagde en de</para>
      <para>rechtbank spreken abusievelijk van schending van artikel 7:16 van</para>
      <para>de Awb) leidt ertoe dat het besluit van 26 april 1996 reeds om</para>
      <para>die reden niet in stand kan worden gelaten. Mede in aanmerking</para>
      <para>genomen dat uit gedaagdes nadere verklaringen dienaangaande</para>
      <para>blijkt dat gedaagde zich niet (langer) benadeeld acht als gevolg</para>
      <para>van het niet horen, ziet de Raad in het onderhavige geval</para>
      <para>voldoende grond voor een nadere inhoudelijke beoordeling van het</para>
      <para>besluit van 26 april 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenals de rechtbank verwijzend naar zijn uitspraak van 28 juli</para>
      <para>1994 (JB 1994/221), stelt de Raad vast dat, waar in het</para>
      <para>onderhavige geval sprake is van een besluit op een verzoek om</para>
      <para>schadevergoeding naar aanleiding van een eerder besluit waartegen</para>
      <para>bij de administratieve rechter beroep kon worden ingesteld, moet</para>
      <para>worden vastgesteld dat eerstbedoeld besluit een dermate nauwe</para>
      <para>samenhang vertoont met dat eerdere (appellabele) besluit dat dat</para>
      <para>schadebesluit reeds om die reden moet worden aangemerkt als een</para>
      <para>besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De bevoegdheid tot</para>
      <para>kennisneming van een geschil over zo'n besluit volgt de</para>
      <para>bevoegdheid tot kennisneming van het gestelde schadeveroorzakende</para>
      <para>besluit zelve. Bij de beoordeling van zo'n schadebesluit wordt -</para>
      <para>zoals ook het geval is bij toepassing van artikel 8:73 van de Awb</para>
      <para>- aansluiting gezocht bij de civiele jurisprudentie met</para>
      <para>betrekking tot schadevergoeding als gevolg van een onrechtmatige</para>
      <para>overheidsdaad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de achtergrond van het vorenstaande ziet de Raad appellants</para>
      <para>grief dat de rechtbank bij de beoordeling van het besluit van 26</para>
      <para>april 1996 een onjuiste maatstaf heeft aangelegd niet slagen.</para>
      <para>Anders dan appellant ziet de Raad niet dat de beoordeling van het</para>
      <para>onderhavige besluit - in afwijking van hogerbedoelde meer</para>
      <para>algemene vaststelling van de bevoegdheid om kennis te nemen van</para>
      <para>beroepen gericht tegen zuivere schadebesluiten en de volgens</para>
      <para>vaste rechtspraak daarbij aan te leggen toetsing - zou moeten</para>
      <para>plaatsvinden aan de hand van de norm die door de Raad, onder meer</para>
      <para>in zijn uitspraken van 16 juni 1994 (TAR 1994, 177) en 28 maart</para>
      <para>1996 (TAR 1996, 102) is geformuleerd met betrekking tot de</para>
      <para>beoordeling van zuivere schadebesluiten genomen ten aanzien van</para>
      <para>ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet 1929 (sedert 1 januari</para>
      <para>1994: de Ambtenarenwet). Dat de Raad, zoals ook blijkt uit door</para>
      <para>appellant naar voren gebrachte uitspraken, zich voorheen bevoegd</para>
      <para>heeft geacht kennis te nemen van beroepen tegen besluiten over</para>
      <para>schade gerelateerd aan pensioenbeslissingen genomen ten aanzien</para>
      <para>van (gewezen) ambtenaren als zodanig, hun nagelaten betrekkingen</para>
      <para>en rechtverkrijgenden in de zin van de Ambtenarenwet 1929 en deze</para>
      <para>heeft getoetst aan hogerbedoelde ambtenaarrechtelijke norm, maakt</para>
      <para>het vorenstaande niet anders, nu moet worden vastgesteld dat die</para>
      <para>rechtspraak tot stand is gekomen vóór de inwerkingtreding van de</para>
      <para>Awb en 's Raads uitspraak van 28 juli 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het</para>
      <para>hoger beroep van appellant voor zover dat is gericht tegen de</para>
      <para>door de rechtbank bij de beoordeling van het besluit van 26 april</para>
      <para>1996 aangelegde maatstaf en de daarmee gegeven datum met ingang</para>
      <para>waarvan de aan gedaagde toekomende wettelijke rente dient te</para>
      <para>worden berekend, niet kan slagen.</para>
      <para>Met betrekking tot de omvang van de aan gedaagde toekomende</para>
      <para>wettelijke rente verenigt de Raad zich met hetgeen de rechtbank</para>
      <para>dienaangaande onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6:119</para>
      <para>van het Burgerlijk Wetboek heeft overwogen. Dat de uitspraak van</para>
      <para>de Raad van 20 februari 1986 (RSV 1986/198) tot een andere</para>
      <para>conclusie zou dienen te leiden, vermag de Raad niet in te zien nu</para>
      <para>die uitspraak ziet op terugvordering van een uitkering ingevolge</para>
      <para>de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, zoals die wet</para>
      <para>toen luidde en niet op aanspraak op vergoeding van wettelijke</para>
      <para>rente, welke aanspraak volgens inmiddels vaste rechtspraak van de</para>
      <para>Raad op de voet van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Resteert bespreking van het oordeel van de rechtbank over de</para>
      <para>zogenoemde buitengerechtelijke kosten. Deze kosten hebben</para>
      <para>blijkens toelichting van gedaagde betrekking op door haar</para>
      <para>gemaakte advocaat- en portokosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor zover het hierbij gaat om kosten die zijn gemaakt vóórdat</para>
      <para>het vernietigde besluit van 14 mei 1993 en het daaraan ten</para>
      <para>grondslag liggende, na meergenoemde uitspraak van 1 december 1994</para>
      <para>herziene, besluit van 30 november 1992 werden genomen, overweegt</para>
      <para>de Raad dat die kosten reeds niet voor vergoeding in aanmerking</para>
      <para>kunnen komen omdat zij niet het gevolg zijn van het rechtens</para>
      <para>onjuist geoordeelde besluit betreffende de vaststelling van de</para>
      <para>voor de berekening van gedaagdes nabestaandenpensioen in</para>
      <para>aanmerking te nemen diensttijd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beoordeling van appellants gehoudenheid tot vergoeding van</para>
      <para>de kosten die zijn gemaakt in het kader van administratief</para>
      <para>bezwaar tegen het besluit van 20 november 1993 heeft de rechtbank</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad terecht aansluiting gezocht bij het</para>
      <para>in de uitspraak van de Raad van 24 januari 1994 (JB 1995/47)</para>
      <para>gehanteerde criterium. Met deze aan het karakter van de</para>
      <para>bezwaarschriftprocedure ontleende maatstaf is, zoals de Raad in</para>
      <para>zijn uitspraak van 27 mei 1997 (AB 1997, 327) in lijn met de</para>
      <para>uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van</para>
      <para>State van 12 december 1996 (JB 1997/83) heeft overwogen, tot</para>
      <para>uitdrukking gebracht dat de in een bestuurlijke voorprocedure</para>
      <para>gemaakte kosten in beginsel voor rekening van de betrokkene</para>
      <para>moeten blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding</para>
      <para>in aanmerking komen. Anders dan de rechtbank ziet de Raad niet</para>
      <para>dat in het onderhavige geval sprake is van een bijzonder geval</para>
      <para>als hiervoor bedoeld. Met name heeft de Raad niet tot het oordeel</para>
      <para>kunnen komen dat de primaire besluitvorming dermate ernstige</para>
      <para>gebreken vertoonde, dat gezegd moet worden dat het bestuursorgaan</para>
      <para>tegen beter weten in een onrechtmatig primair besluit heeft</para>
      <para>genomen. De Raad heeft hierbij laten wegen dat uit de uitspraak</para>
      <para>van 1 december 1994 van de Arrondissementsrechtbank te 's-</para>
      <para>Gravenhage slechts valt af te leiden dat de vernietigde</para>
      <para>vaststelling van de voor de berekening van gedaagdes</para>
      <para>nabestaandenpensioen in beschouwing te nemen diensttijd volgens</para>
      <para>die rechtbank berust op een incorrecte lezing van artikel IV,</para>
      <para>aanhef en onder b, van de Wet van 26 maart 1992, Stb. 199,</para>
      <para>alsmede op een vaststelling van de feiten door die rechtbank</para>
      <para>waarbij gedaagde het voordeel van de twijfel is gegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de door gedaagde in bezwaar tegen het besluit van</para>
      <para>22 september 1995 gevorderde vergoeding van (proces)kosten</para>
      <para>gemaakt in verband met laatstbedoeld besluit, welke door</para>
      <para>appellant bij besluit van 26 april 1996 eveneens is afgewezen,</para>
      <para>overweegt de Raad dat hij ook ten aanzien van die kosten niet tot</para>
      <para>het oordeel is kunnen komen dat laatstbedoeld besluit in rechte</para>
      <para>geen stand kan houden. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is</para>
      <para>overwogen met betrekking tot voor vergoeding van in de</para>
      <para>bezwaarfase gemaakte proceskosten aan te leggen maatstaf wijst de</para>
      <para>Raad erop dat hem ook ten aanzien van laatstbedoelde kosten niet</para>
      <para>is gebleken dat aan bedoelde criterium is voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande blijkt dat slechts hetgeen appellant in hoger</para>
      <para>beroep tegen het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel</para>
      <para>van de rechtbank over de zogenoemde buitengerechtelijke kosten</para>
      <para>doel treft, terwijl noch in hetgeen door appellant overigens</para>
      <para>tegen die uitspraak is aangevoerd, noch in hetgeen door gedaagde</para>
      <para>daartegen is ingebracht grond is gelegen die uitspraak aan te</para>
      <para>tasten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak, zij het met uitzondering van opdracht aan</para>
      <para>appellant om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het</para>
      <para>die uitspraak overwogene, voor bevestiging in aanmerking komt met</para>
      <para>dien verstande dat de rechtsgevolgen van het besluit van 26 april</para>
      <para>1996 voor zover betrekking hebbend op de weigering gedaagde een</para>
      <para>vergoeding toe te kennen voor zogenoemde buitengerechtelijke</para>
      <para>kosten alsnog in stand worden gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen dat appellants weigering gedaagde een</para>
      <para>vergoeding toe te kennen voor meerbedoelde buitengerechtelijke</para>
      <para>kosten in rechte stand houdt, moet voorts worden vastgesteld dat</para>
      <para>het beroep van gedaagde dat geacht wordt te zijn gericht tegen</para>
      <para>het besluit van 28 februari 1997 ongegrond dient te worden</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien de Raad in de gegeven omstandigheden voldoende</para>
      <para>aanleiding ziet om appellant te veroordelen tot vergoeding van</para>
      <para>een bedrag groot f 1.065,-- aan kosten wegens aan gedaagde in</para>
      <para>hoger beroep verleende rechtsbijstand, leidt al het vorenstaande</para>
      <para>tot de slotsom dat moet worden beslist als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de</para>
      <para>rechtsgevolgen van het besluit van 26 april 1996 voor zover</para>
      <para>betrekking hebbend op de weigering gedaagde een vergoeding toe te</para>
      <para>kennen voor zogenoemde buitengerechtelijke kosten alsnog in stand</para>
      <para>worden gelaten en met uitzondering van de bepaling waarbij</para>
      <para>appellant is opgedragen een nieuw besluit te nemen met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen;</para>
      <para>Verklaart het beroep van gedaagde dat geacht moet worden te zijn</para>
      <para>gericht tegen het besluit van 28 februari 1997, ongegrond;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 1.065,--, te betalen door de</para>
      <para>Stichting Pensioenfonds ABP;</para>
      <para>Bepaalt dat van de Stichting Pensioenfonds ABP een griffierecht</para>
      <para>wordt geheven van f 630,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr R.C. Schoemaker en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.R. Bax als griffier, en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 2 april 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.R. Bax.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>26.03</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>