<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7527</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T03:03:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7527</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/7982 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=475d&amp;g=1998-03-13">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475d</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001827&amp;artikel=475d&amp;g=1998-03-13">Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 475d</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 169</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7527">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7527</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:53:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-07-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7527 Centrale Raad van Beroep , 13-03-1998 / 95/7982 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7527:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verrekening; berekening beslagvrije voet met toepassing van art. 475d (Rv) in verband met</para>
        <para>inkomen partner.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7527:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/7982 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.</para>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats</para>
      <para>van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is</para>
      <para>het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor het</para>
      <para>Vervoer. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan</para>
      <para>het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 augustus 1994 heeft appellant het op de aan</para>
      <para>gedaagde uit te betalen uitkeringen krachtens de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in mindering te brengen</para>
      <para>bedrag, ter verrekening van de terugvordering van aan gedaagde</para>
      <para>ingevolge genoemde wetten onverschuldigd betaalde uitkeringen,</para>
      <para>met ingang van 1 september 1994 vastgesteld op f 505,- per maand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van</para>
      <para>28 september 1995 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep</para>
      <para>gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 3 april 1996 heeft appellant nadere stukken</para>
      <para>overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr M.E. van der Zouw, advocaat te</para>
      <para>Amsterdam, een verweerschrift ingediend, welk verweer is</para>
      <para>aangevuld bij brieven van 14 oktober 1996 (met bijlagen) en </para>
      <para>31 oktober 1996. Nadien heeft gedaagde nog een tweetal brieven d.dis</para>
      <para>16 juni en 23 juni 1997 (met bijlagen) aan de Raad gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op een daartoe door de Raad schriftelijk gedaan verzoek </para>
      <para>d.d. 11 augustus 1997 heeft appellant bij brief van 24 september 1997</para>
      <para>(met bijlagen) zijn standpunt nader toegelicht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 30</para>
      <para>januari 1998, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr W.A. Prins, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn</para>
      <para>gemachtigde, en waar gedaagde is verschenen bij gemachtigde mr</para>
      <para>Van der Zouw, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit</para>
      <para>in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag,</para>
      <para>anders dan de rechtbank heeft gedaan bij de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat bij</para>
      <para>het bestreden besluit het verrekeningsbedrag te hoog is</para>
      <para>vastgesteld, nu dat verrekeningsbedrag het - met inachtneming van</para>
      <para>artikel 475d Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te</para>
      <para>berekenen - voor beslag vatbare bedrag te boven gaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten</para>
      <para>onrechte heeft geoordeeld dat hij het bedrag van de beslagvrije</para>
      <para>voet, en daarmee het voor beslag vatbare bedrag, niet op juiste</para>
      <para>wijze heeft vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft zich achter het oordeel van de rechtbank gesteld</para>
      <para>voor zover het de berekening van de beslagvrije voet betreft, en</para>
      <para>voorts aangevoerd dat bij het bestreden besluit ten onrechte geen</para>
      <para>rekening is gehouden met andere aflossingsverplichtingen van</para>
      <para>gedaagde. Hij heeft de Raad verzocht het te verrekenen bedrag in</para>
      <para>redelijkheid en billijkheid vast te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat bij de vaststelling van</para>
      <para>de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d, eerste lid, Rv</para>
      <para>in het voorliggende geval dient te worden uitgegaan van een</para>
      <para>bedrag van f 1.517,36 per maand (zijnde negen tienden van de som</para>
      <para>van de normuitkering en vakantie-aanspraak die gedaagde naar de</para>
      <para>maatstaf van het Besluit landelijke normering, Stb. 1983, 132,</para>
      <para>telkens zou kunnen krijgen); dit bedrag dient vervolgens voor ten</para>
      <para>hoogste de helft te worden verminderd met het eigen, niet onder</para>
      <para>beslag liggende inkomen van degene aan wie de gezinsbijstand</para>
      <para>samen met gedaagde zou kunnen toekomen. Gelet op het inkomen van</para>
      <para>gedaagdes echtgenote bedraagt de beslagvrije voet als bedoeld in</para>
      <para>artikel 475d, eerste lid, Rv in casu f 758,68.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 475d, derde lid, aanhef en onder b, Rv wordt</para>
      <para>de evenbedoelde beslagvrije voet verhoogd met de voor rekening</para>
      <para>van gedaagde komende woonkosten, verminderd met ontvangen</para>
      <para>huursubsidie of woonkostentoeslag, met dien verstande dat:</para>
      <para>- verhoging slechts plaatsvindt voor zover de woonkosten, na deze</para>
      <para>vermindering, meer bedragen dan het maximumbedrag dat in de</para>
      <para>laagste inkomenscategorie voor eigen rekening komt volgens tabel</para>
      <para>I van de Wet individuele huursubsidie (Stb. 1988, 343), en</para>
      <para>- de verhoging niet meer bedraagt dan de huursubsidie waarop</para>
      <para>volgens tabel I van de Wet individuele huursubsidie bij de</para>
      <para>maximumgrens in de laagste inkomenscategorie recht bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat bij de invulling</para>
      <para>van het begrip woonkosten in artikel 475d, derde lid, Rv</para>
      <para>aansluiting dient te worden gezocht bij het begrip huurprijs als</para>
      <para>neergelegd in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet</para>
      <para>individuele huursubsidie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de in de gedingstukken neergelegde gegevens is de Raad</para>
      <para>van oordeel dat de huurprijs, als omschreven in laatstgenoemd</para>
      <para>artikel, op de datum in geding, te weten 1 september 1994,</para>
      <para>verminderd met de door gedaagde per die datum ontvangen</para>
      <para>huursubsidie, te weten f 120,-, blijft beneden het in artikel</para>
      <para>475d, derde lid, aanhef en onder b, Rv bedoelde maximumbedrag,</para>
      <para>dat op de datum in geding f 623,75 bedroeg, zodat de beslagvrije</para>
      <para>voet niet in verband met de woonkosten van gedaagde voor</para>
      <para>verhoging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgaande van de inkomsten van gedaagde op de in geding zijnde</para>
      <para>datum, te weten f 1.376,66, blijft voor verrekening - na</para>
      <para>vermindering van laatstgenoemd bedrag met de beslagvrije voet van</para>
      <para>f 758,68 - een bedrag over van f 617,98.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de stellingname van gedaagde dat bij het</para>
      <para>vaststellen van het verrekeningsbedrag appellant ten onrechte</para>
      <para>geen rekening heeft gehouden met andere aflossingsverplichtingen</para>
      <para>van gedaagde, overweegt de Raad dat, zoals hij reeds vaker heeft</para>
      <para>overwogen (bijvoorbeeld bij uitspraak van 5 maart 1996, 95/2190</para>
      <para>AAW, gepubliceerd in RSV 1996/135), met schulden aan derden geen</para>
      <para>rekening behoeft te worden gehouden omdat, ware dit anders, de</para>
      <para>vordering van het Lisv zou worden achtergesteld bij de</para>
      <para>vorderingsrechten van deze derden, zonder dat van een gegronde</para>
      <para>reden daarvoor is gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van bovenstaande overwegingen moet worden geoordeeld dat</para>
      <para>het bestreden besluit in rechte stand kan houden en dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is vernietigd, voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel</para>
      <para>8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en mr H. Bolt en</para>
      <para>mr J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van</para>
      <para>der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13</para>
      <para>maart 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J. Janssen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.J.B. van der Putten.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>