<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7516</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-09T10:17:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7516</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK6442</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1998-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/5429 AW, 96/5430 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001950&amp;artikel=6&amp;g=1998-03-26">Algemeen Rijksambtenarenreglement 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:19&amp;g=1998-03-26">Algemene wet bestuursrecht 6:19</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:72&amp;g=1998-03-26">Algemene wet bestuursrecht 8:72</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1998-03-26">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003630&amp;artikel=1&amp;g=1998-03-26">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003630&amp;artikel=5&amp;g=1998-03-26">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003630&amp;artikel=7&amp;g=1998-03-26">Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003782&amp;g=1998-03-26">Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7516">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7516</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-10-07T09:11:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7516 Centrale Raad van Beroep , 26-03-1998 / 96/5429 AW, 96/5430 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7516:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Tijdelijke aanstelling, inschaling, beoordeling, geen vaste aanstelling.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7516:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>O</para>
    <para>96/5429 AW</para>
    <para>96/5430 AW</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in de gedingen tussen:</para>
  <para />
  <para>de Minister van Economische Zaken, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>
    [gedaagde] wonende te [woonplaats], gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
    <para>gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de</para>
    <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 24 april 1996 onder</para>
    <para>de nrs. AWB 95/829 AW en 95/7932 AW gegeven uitspraak, waarnaar</para>
    <para>hierbij wordt verwezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van 19 februari 1998, waar</para>
    <para>appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr J.M.A.</para>
    <para>Schuurs en J.F. Burger, beiden werkzaam op het Ministerie van</para>
    <para>Economische Zaken, en waar gedaagde in persoon is verschenen,</para>
    <para>bijgestaan door mr A. Selter, verbonden aan de Juridische</para>
    <para>Adviespraktijk Van Emmerik en Selter.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat</para>
    <para>de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en</para>
    <para>omstandigheden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 3 december 1992 is gedaagde door appellant met</para>
    <para>toepassing van artikel 6 van het Algemeen</para>
    <para>Rijksambtenarenreglement aangesteld in tijdelijke dienst voor een</para>
    <para>proeftijd van 24 maanden. Gedaagde is geplaatst in een functie</para>
    <para>van beleidsmedewerker met formatieschaal 11 van het</para>
    <para>Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984);</para>
    <para>het aanvangssalaris werd vastgesteld overeenkomstig schaal 8 van</para>
    <para>bijlage B van het BBRA 1984, salarisnummer 3. Per 1 maart 1993,</para>
    <para>zo werd bij de aanstellingsbrief medegedeeld, zou inpassing</para>
    <para>volgen in schaal 9, salarisnummer 1. Tevens werd in die brief</para>
    <para>gesteld dat de datum waarop de eerstkomende salarisverhoging kon</para>
    <para>ingaan, was bepaald op 1 maart 1994. Voorts bevatte die brief de</para>
    <para>mededeling dat gedaagde na beëindiging van de proeftijd bij goed</para>
    <para>functioneren in vaste dienst zou worden aangesteld, onder</para>
    <para>gelijktijdige inpassing in schaal 10 van bijlage B van het BBRA</para>
    <para>1984; twee jaar na inpassing in schaal 10 zou worden bezien of</para>
    <para>gedaagde zou kunnen worden ingepast in schaal 11 van voornoemde</para>
    <para>bijlage.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De inschaling bij indiensttreding in schaal 8,3 geschiedde in</para>
    <para>afwijking van de eerder tijdens de sollicitatieprocedure met</para>
    <para>gedaagde besproken inschaling in schaal 9,1 (op een overigens</para>
    <para>gelijk bedrag); gedaagde was kort tevoren van die wijziging op</para>
    <para>de hoogte gebracht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 1 maart 1994 (hierna: primair besluit 1) is aan</para>
    <para>gedaagde per 1 maart 1994 een salarisverhoging toegekend</para>
    <para>overeenkomstig schaal 9, salarisnummer 2. Gedaagde heeft tegen</para>
    <para>dit besluit bezwaar gemaakt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts heeft gedaagde aan appellant verzocht hem alsnog per 1</para>
    <para>december 1992 te bezoldigen overeenkomstig schaal 9,</para>
    <para>salarisnummer 1, waarna per 1 december 1993 verhoging naar schaal</para>
    <para>9,2 zou moeten plaatsvinden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft op dit laatste verzoek bij besluit van</para>
    <para>27 mei 1994 (hierna: primair besluit 2) beslist: gedaagde is</para>
    <para>alsnog per 1 december 1992 ingeschaald in schaal 9,1 en tevens</para>
    <para>is bepaald dat de eerstkomende salarisverhoging kon plaatsvinden</para>
    <para>per 1 maart 1994. Gedaagde heeft ook tegen dit besluit bezwaar</para>
    <para>gemaakt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 16 december 1994 (hierna, voor zover betrekking</para>
    <para>hebbend op primair besluit 1: bestreden besluit 1; voor zover</para>
    <para>betrekking hebbend op primair besluit 2: bestreden besluit 2)</para>
    <para>heeft appellant op beide bezwaren beslist.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Inmiddels was ten aanzien van het functioneren van gedaagde op</para>
    <para>30 september 1994 een beoordeling opgemaakt. Nadat gedaagde van</para>
    <para>de beoordelingslijst in kennis was gesteld - en daartegen door</para>
    <para>hem eerst na afloop van de hem daarvoor gegunde termijn</para>
    <para>bedenkingen waren ingebracht - is bij besluit van 13 januari 1995</para>
    <para>(hierna: primair besluit 3) de beoordeling vastgesteld. Gedaagde</para>
    <para>heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aan gedaagde was enige tijd daarvoor bij besluit van</para>
    <para>15 november 1994 (hierna: primair besluit 4) te kennen gegeven</para>
    <para>dat besloten was het tijdelijk dienstverband niet te laten volgen</para>
    <para>door een aanstelling in vaste dienst. Ook tegen dit besluit heeft</para>
    <para>gedaagde bezwaar gemaakt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 4 juli 1995 (hierna, voor zover betrekking</para>
    <para>hebbend op primair besluit 3: bestreden besluit 3; voor zover</para>
    <para>betrekking hebbend op primair besluit 4: bestreden besluit 4)</para>
    <para>heeft appellant beide bezwaren ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft de door gedaagde tegen de bestreden besluiten</para>
    <para>ingestelde beroepen, behoudens voor zover betrekking hebbend op</para>
    <para>de vaststelling van de bezoldiging per 1 maart 1993, gegrond</para>
    <para>verklaard en die besluiten, in zoverre, vernietigd; zij heeft</para>
    <para>appellant opgedragen nieuwe besluiten te nemen en zij heeft</para>
    <para>bepalingen gegeven omtrent vergoeding van griffierechten en</para>
    <para>proceskosten.</para>
    <para>Naar aanleiding van het door appellant tegen die uitspraak</para>
    <para>ingestelde hoger beroep overweegt de Raad als volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft de in het primaire besluit 2 vervatte</para>
    <para>- en bij bestreden besluit 2 gehandhaafde - weigering van</para>
    <para>appellant om gedaagde reeds per 1 december 1993 in aanmerking te</para>
    <para>brengen voor een salarisverhoging van schaal 9,1 naar schaal 9,2</para>
    <para>vernietigd. Zij heeft daarbij overwogen dat het</para>
    <para>bezoldigingsbeleid van appellant in rechte geen stand kan houden</para>
    <para>voor zover dit in strijd komt met de bepalingen van artikel 7 van</para>
    <para>het BBRA 1984 die inhouden dat een ambtenaar van 22 jaar of ouder</para>
    <para>die zijn functie naar behoren vervult, voor de eerste maal voor</para>
    <para>een salarisverhoging in aanmerking komt met ingang van de eerste</para>
    <para>dag van de maand waarin sinds zijn aanstelling een jaar is</para>
    <para>verstreken.</para>
    <para>Met het aanleggen van deze toetsingsmaatstaf heeft de rechtbank</para>
    <para>miskend dat het onderhavige besluit van appellant een weigering</para>
    <para>betreft om terug te komen van rechtens onaantastbaar geworden</para>
    <para>beslissingen. Immers, reeds bij het aanstellingsbesluit is met</para>
    <para>zoveel woorden bepaald dat de eerstvolgende salarisverhoging -</para>
    <para>niet per 1 december 1992, maar - eerst per 1 maart 1994 zou</para>
    <para>kunnen plaatsvinden, en eerst op 14 april 1994 heeft gedaagde</para>
    <para>gevraagd de niet per 1 december 1993 toegekende salarisverhoging</para>
    <para>alsnog toe te kennen. De Raad heeft niet tot de conclusie kunnen</para>
    <para>komen dat de weigering van appellant om terug te komen van zijn</para>
    <para>eerdere beslissingen de hier aan te leggen terughoudende toetsing</para>
    <para>- waarvoor de Raad verwijst naar zijn vaste jurisprudentie,</para>
    <para>bijvoorbeeld blijkend uit zijn uitspraak van 5 december 1996, TAR</para>
    <para>1997, 26 - niet kan doorstaan. Daarvoor is de enkele strijd van</para>
    <para>(een klein onderdeel van) het bezoldigingsbeleid van appellant</para>
    <para>met het BBRA 1984 onvoldoende. Nu het bestreden besluit 2 dus in</para>
    <para>rechte kan standhouden, komt de aangevallen uitspraak voor</para>
    <para>vernietiging in aanmerking voor zover daarbij dat besluit is</para>
    <para>vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft bestreden besluit 1 vernietigd omdat zij van</para>
    <para>oordeel was dat appellant toekenning van salarisschaal 10 per 1</para>
    <para>maart 1994 niet had kunnen onthouden aan gedaagde zonder primair</para>
    <para>te zijn nagegaan op welk niveau de werkzaamheden van gedaagde</para>
    <para>lagen en vervolgens stil te hebben gestaan bij de vraag of</para>
    <para>gedaagde naar behoren functioneerde, waarbij voor de eis van</para>
    <para>'goed functioneren' geen ruimte aanwezig werd geacht. De</para>
    <para>rechtbank baseerde zich hier op de systematiek van de artikelen</para>
    <para>5 en 7 van het BBRA 1984.</para>
    <para>De Raad kan de rechtbank in haar redenering met betrekking tot</para>
    <para>de systematiek van het BBRA 1984 volgen, maar komt bij het licht</para>
    <para>van de beschikbare gegevens tot een andere conclusie. Hij stelt</para>
    <para>namelijk in de eerste plaats vast dat appellant bij de</para>
    <para>aanstellingsbrief van 3 december 1992 aan gedaagde kenbaar heeft</para>
    <para>gemaakt dat hem niet voor 1 december 1994 een verhoging van</para>
    <para>salarisschaal zou ten deel vallen. Daarmee heeft appellant</para>
    <para>kennelijk tot uitdrukking gebracht, hetgeen bij een aanstelling</para>
    <para>in tijdelijke dienst voor een proeftijd van 24 maanden past, dat</para>
    <para>hem gedurende de proeftijd slechts werkzaamheden zouden worden</para>
    <para>opgedragen waarvan de zwaarte de toekenning van salarisschaal 9,</para>
    <para>en niet reeds schaal 10, rechtvaardigt. Vervolgens constateert</para>
    <para>de Raad dat op of voor 1 maart 1994 aan gedaagde niet structureel</para>
    <para>een ander, zwaarder te waarderen samenstel van werkzaamheden is</para>
    <para>opgedragen. Zulks is ook niet af te leiden uit de op 29 maart</para>
    <para>1994 opgemaakte verkorte beoordeling, waarbij is opgemerkt dat</para>
    <para>gedaagde zich nog in een leerproces bevond. Voorts overweegt de</para>
    <para>Raad dat gedaagde zelf niet voor 1 maart 1994 om toekenning van</para>
    <para>een hogere salarisschaal heeft verzocht. Dat appellant zich in</para>
    <para>(hoger) beroep hoofdzakelijk heeft beroepen op het door hem</para>
    <para>gevoerde beleid waarin, in weerwil van artikel 5 van het BBRA</para>
    <para>1984 en de daaraan in vaste jurisprudentie gegeven uitleg (zie</para>
    <para>bijvoorbeeld de uitspraak van 17 april 1997, TAR 1997, 126), het</para>
    <para>'goed functioneren' als beslissend criterium gehanteerd lijkt te</para>
    <para>worden, doet niet af aan de conclusie dat het niet toekennen van</para>
    <para>schaal 10 per 1 maart 1994 op grond van het feit dat gedaagde nog</para>
    <para>niet een functie (in de zin van artikel 2, aanhef en onder h, en</para>
    <para>artikel 5 van het BBRA 1984) op het niveau van schaal 10</para>
    <para>vervulde, in rechte kan standhouden. Voor zover de rechtbank bij</para>
    <para>haar uitspraak bestreden besluit 1 heeft vernietigd, komt die</para>
    <para>uitspraak ook in zoverre voor vernietiging in aanmerking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij bestreden besluit 3 heeft appellant de door hem vastgestelde</para>
    <para>beoordeling gehandhaafd. Hij deed dit in het voetspoor van de</para>
    <para>door hem in de bezwarenprocedure ingeschakelde Commissie</para>
    <para>advisering bezwaarschriften personeelsleden EZ. Deze commissie</para>
    <para>heeft vastgesteld dat gedaagde niet tijdig gebruik heeft gemaakt</para>
    <para>van de hem krachtens artikel 7, eerste lid, van het</para>
    <para>Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985 geboden</para>
    <para>gelegenheid tot het indienen van bedenkingen tegen de</para>
    <para>beoordeling. Zij heeft daaruit geconcludeerd dat "(gedaagdes)</para>
    <para>bezwaar tegen het feit dat deze beoordeling is vastgesteld zonder</para>
    <para>dat deze bedenkingen zijn overgenomen (..) derhalve ongegrond</para>
    <para>(is)".</para>
    <para>Door het bij deze conclusie te laten, heeft de adviescommissie,</para>
    <para>naar het oordeel van de Raad, een advies uitgebracht waaraan een</para>
    <para>ernstig gebrek kleeft. Het advies is immers geheel heengegaan</para>
    <para>langs de bezwaren die gedaagde tegen de beoordeling naar voren</para>
    <para>heeft gebracht. Gedaagde heeft zijn bezwaarschrift namelijk</para>
    <para>beëindigd met het primaire verzoek de inhoudelijke bezwaren die</para>
    <para>hij in met name genoemde stukken had verwoord, te beoordelen. Nu</para>
    <para>appellant niet op grondslag van het bezwaar heeft beslist en het</para>
    <para>bestreden besluit 3 enkel heeft gebaseerd op het gebrekkige</para>
    <para>advies kan dat besluit in rechte geen stand houden. Het had op</para>
    <para>de weg van appellant gelegen aan de commissie alsnog advies te</para>
    <para>vragen omtrent de gemaakte bezwaren danwel geheel zelfstandig tot</para>
    <para>heroverweging te komen van zijn primaire besluit op grondslag van</para>
    <para>het bezwaar. De omstandigheid dat gedaagde niet tijdig gebruik</para>
    <para>heeft gemaakt van de gelegenheid bedenkingen te uiten bij de</para>
    <para>beoordelingsautoriteit staat immers niet in de weg aan de</para>
    <para>mogelijkheid voor gedaagde om krachtens artikel 8 van genoemd</para>
    <para>beoordelingsvoorschrift bezwaar te maken, terwijl zulks evenmin</para>
    <para>afdoet aan de verplichting voor appellant om op (de inhoud van)</para>
    <para>dat bezwaar te beslissen.</para>
    <para>Het bestreden besluit 3 kan derhalve reeds op deze grond in</para>
    <para>rechte geen stand houden, zodat de vernietiging van dat besluit</para>
    <para>door de rechtbank moet worden bevestigd. De Raad kan en zal de</para>
    <para>juistheid van de door de rechtbank voor die vernietiging gegeven</para>
    <para>motivering dat onvoldoende duidelijk is tegen de achtergrond van</para>
    <para>welke functie de beoordeling heeft plaatsgevonden, in het midden</para>
    <para>laten.</para>
    <para>Omdat de Raad, blijkens het hierna volgende, het bestreden</para>
    <para>besluit 4 in stand zal laten als gevolg waarvan er per 1 december</para>
    <para>1994 een einde is gekomen aan het dienstverband van gedaagde,</para>
    <para>komt het hem geraden voor met toepassing van artikel 8:72, vierde</para>
    <para>lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook het primaire</para>
    <para>besluit 3 te vernietigen. De Raad is niet gebleken dat gedaagde</para>
    <para>hier schade lijdt die met toepassing van artikel 8:73 van de Awb</para>
    <para>voor vergoeding in aanmerking komt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft het beroep van gedaagde tegen appellants</para>
    <para>weigering (bij bestreden besluit 4) hem een vaste aanstelling te</para>
    <para>verlenen met ingang van 1 december 1994, gegrond verklaard. De</para>
    <para>rechtbank is tot dat oordeel gekomen nadat zij de volgens vaste</para>
    <para>jurisprudentie hier te stellen vraag of appellant in redelijkheid</para>
    <para>tot het oordeel kon komen dat gedaagde niet aan de door appellant</para>
    <para>redelijkerwijs te stellen verwachtingen heeft voldaan, ontkennend</para>
    <para>heeft beantwoord.</para>
    <para>De Raad beantwoordt die vraag echter bevestigend. Daarbij roept</para>
    <para>hij in herinnering dat bij het aanleggen van de onderhavige</para>
    <para>toetsingsmaatstaf niet vereist is dat wordt aangetoond dat de</para>
    <para>betrokken ambtenaar schromelijk is tekort geschoten of anderszins</para>
    <para>heeft blijk gegeven van een ongeschiktheid welke het ontslag van</para>
    <para>een in vaste dienst aangestelde ambtenaar zou kunnen</para>
    <para>rechtvaardigen. Voorts overweegt hij dat het ontbreken van een</para>
    <para>rechtens onaantastbaar geworden beoordeling, in casu als gevolg</para>
    <para>van de vernietiging daarvan, evenmin beslissend is. Daarbij is</para>
    <para>van belang dat appellant weliswaar als beleid hanteert dat aan</para>
    <para>het verlenen van een vaste aanstelling het opmaken van een</para>
    <para>(positieve) beoordeling vooraf behoort te gaan en dit ook aan</para>
    <para>gedaagde heeft medegedeeld, maar dat een voorschrift ontbreekt</para>
    <para>waaraan aanspraak op een vaste aanstelling kan worden ontleend</para>
    <para>bij het ontbreken van een beoordeling.</para>
    <para>De Raad is van oordeel dat appellant redelijkerwijs te stellen</para>
    <para>verwachtingen heeft gehad omtrent onder meer het zelfstandig</para>
    <para>functioneren van gedaagde en het nemen van initiatieven door hem,</para>
    <para>en dat appellant in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen</para>
    <para>komen dat gedaagde aan die verwachtingen niet heeft voldaan. De</para>
    <para>Raad heeft vastgesteld dat er concrete voorbeelden zijn van</para>
    <para>tekortkomingen in genoemde functioneringsaspecten waarop</para>
    <para>appellant zich, ook indien de weerspreking daarvan door gedaagde</para>
    <para>op onderdelen als een gedeeltelijke weerlegging daarvan zou</para>
    <para>moeten worden aangemerkt, voor zijn oordeelsvorming heeft kunnen</para>
    <para>en mogen baseren.</para>
    <para>De Raad komt tot de slotsom dat bestreden besluit 4 niet voor</para>
    <para>vernietiging in aanmerking komt, zodat de aangevallen uitspraak</para>
    <para>dient te worden vernietigd voor zover daarbij dat besluit is</para>
    <para>vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Tot slot merkt de Raad naar aanleiding van het aan hem tevens</para>
    <para>overgelegde besluit van appellant van 10 februari 1997 het</para>
    <para>volgende op.</para>
    <para>In de eerste plaats heeft appellant ter uitvoering van de</para>
    <para>aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de bestreden besluiten</para>
    <para>1 en 2 zijn vernietigd, alsnog aan gedaagde per 1 december 1993</para>
    <para>een salarisverhoging naar schaal 9,2 en per 1 maart 1994</para>
    <para>salarisschaal 10 toegekend; daarbij heeft hij tevens vertragingsrente</para>
    <para>toegekend. Daarmee is appellant geheel tegemoetgekomen</para>
    <para>aan het bezwaar en inleidend beroep van gedaagde. Op grond van</para>
    <para>de slotzin van het eerste lid van artikel 6:19 van de Awb, welke</para>
    <para>bepaling krachtens artikel 6:24 van die wet in hoger beroep van</para>
    <para>overeenkomstige toepassing is, kan gedaagde dan niet worden</para>
    <para>geacht mede beroep te hebben ingesteld tegen dat nieuwe besluit.</para>
    <para>Evenmin is artikel 6:19, eerste lid, van de Awb hier van</para>
    <para>toepassing ten aanzien van het tweede onderdeel van het besluit</para>
    <para>van 10 februari 1997. Bij dat besluit, waartegen inmiddels door</para>
    <para>gedaagde bezwaar is gemaakt, is aan gedaagde in relatie tot de</para>
    <para>bestreden besluiten 3 en 4 een schadevergoeding toegekend. Van</para>
    <para>een besluit tot intrekking of wijziging van de bestreden</para>
    <para>besluiten 3 en 4 is echter in het geheel geen sprake.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In de omstandigheid dat appellants hoger beroep ten aanzien van</para>
    <para>bestreden besluit 3 geen doel treft ziet de Raad aanleiding om</para>
    <para>de veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht</para>
    <para>in eerste aanleg betreffende dat besluit in stand te laten. Omdat</para>
    <para>het hoger beroep overigens doel treft, is er aanleiding de</para>
    <para>veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht in</para>
    <para>eerste aanleg in zoverre te vernietigen. Voorts acht de Raad</para>
    <para>termen aanwezig om appellant met overeenkomstige toepassing van</para>
    <para>artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de</para>
    <para>helft van de kosten van verleende rechtsbijstand van gedaagde in</para>
    <para>hoger beroep, groot (ƒ 1.420,- : 2 =) ƒ 710,-, alsmede van de</para>
    <para>reiskosten van gedaagde, groot ƒ 34,75.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Omdat gelet op het vorenoverwogene het dictum van de aangevallen</para>
    <para>uitspraak grotendeels niet in stand kan worden gelaten, geeft de</para>
    <para>Raad er uit een oogpunt van duidelijkheid de voorkeur aan die</para>
    <para>uitspraak in zijn geheel te vernietigen en te doen hetgeen de</para>
    <para>rechtbank had behoren te doen.</para>
    <para>Beslist wordt dan ook als volgt:</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Verklaart de inleidende beroepen van gedaagde tegen de bestreden</para>
    <para>besluiten 1, 2 en 4 alsnog ongegrond;</para>
    <para>Verklaart het inleidend beroep van gedaagde tegen bestreden</para>
    <para>besluit 3 (betreffende de vaststelling van de beoordeling) alsnog</para>
    <para>gegrond;</para>
    <para>Vernietigt alsnog bestreden besluit 3 alsmede het primaire</para>
    <para>besluit 3;</para>
    <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in eerste</para>
    <para>aanleg tot een bedrag groot ƒ 1.420,- terzake van kosten van</para>
    <para>verleende rechtsbijstand, en in hoger beroep tot een bedrag groot</para>
    <para>ƒ 710,- terzake van kosten van verleende rechtsbijstand en groot</para>
    <para>ƒ 34,75 terzake van reiskosten, te betalen door de Staat der</para>
    <para>Nederlanden;</para>
    <para>Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan gedaagde het door hem</para>
    <para>in de zaak 95/7932 AW betaalde griffierecht vergoedt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr</para>
    <para>Ch. de Vrey en mr H.M.J.I. Steenbergen als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier, en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 26 maart 1998.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) A.W.M. van Bommel.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>HD</para>
    <para>16.03</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>