<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7425</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:41:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7425</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/6792 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=7&amp;g=1997-12-09">Algemene bijstandswet 7</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 129</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1998, 31</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7425">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7425</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-07-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7425 Centrale Raad van Beroep , 09-12-1997 / 96/6792 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7425:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Een vordering van een geldbedrag dient in het algemeen bij toetsing art. 7 ABW te worden aangemerkt als een vermogensbestandeel en niet als inkomen in de zin van art. 9 BLN.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7425:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/6792 ABW</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Heemskerk, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als gemachtigde van appellante heeft mr M.C.H.G. Roosen,</para>
      <para>advocaat te Beverwijk, op de bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Haarlem onder</para>
      <para>dagtekening 6 juni 1996 tussen partijen gewezen uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op 7 maart 1997 een verweerschrift ingediend en</para>
      <para>desverzocht op 17 oktober 1997 stukken aan de Raad gezonden en</para>
      <para>enige vragen beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 28 oktober 1997, waar</para>
      <para>voor appellante is verschenen mr W.G. Fischer, kantoorgenoot</para>
      <para>van mr Roosen, voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft</para>
      <para>doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking</para>
      <para>getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende</para>
      <para>bepalingen, zoals die luidden ten tijde als in dit geding van</para>
      <para>belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ontleent aan de aangevallen uitspraak, waarin</para>
      <para>appellante als eiseres is aangeduid en gedaagde als</para>
      <para>verweerder, de volgende feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Eiseres is in 1990 gescheiden van de heer [naam voormalig echtgenoot]. Bij de</para>
      <para>scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap had</para>
      <para>eiseres aanspraak op de helft van de tijdens het huwelijk</para>
      <para>opgebouwde pensioenrechten</para>
      <para>ad f 3.234,--. Bij echtscheidingsconvenant zijn partijen</para>
      <para>overeengekomen dat de ex-echtgenoot voornoemd bedrag in</para>
      <para>6-jaarlijkse termijnen aan eiseres zou voldoen, te beginnen op</para>
      <para>15 december 1990.</para>
      <para>In juni 1990 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag om</para>
      <para>bijstand ingediend. Bij de aanvraag heeft eiseres een kopie</para>
      <para>van het echtscheidingsconvenant overgelegd.</para>
      <para>Bij een heronderzoek in 1993 wordt geconstateerd dat met de</para>
      <para>uit het echtscheidingsconvenant voortvloeiende financiële</para>
      <para>aanspraken geen rekening is gehouden. Op 20 januari 1994 wordt</para>
      <para>schriftelijk aan eiseres medegedeeld dat vanaf 1 januari 1994</para>
      <para>wel rekening zal worden gehouden met de uit hoofde van het</para>
      <para>convenant te ontvangen bedragen.</para>
      <para>Vervolgens wordt in de maand februari 1995 op de uitkering een</para>
      <para>bedrag van f 539,-- in mindering</para>
      <para>gebracht.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt daaraan toe dat gedaagde met ingang van</para>
      <para>1 september 1993 een bedrag van f 65,-- per maand op de</para>
      <para>periodieke uitkering van appellante is gaan inhouden teneinde</para>
      <para>de terugbetaling te effectueren van de bijstand die appellante</para>
      <para>naar het oordeel van gedaagde over de periode van 15 december</para>
      <para>1990 tot en met 31 december 1992 in verband met de ontvangst</para>
      <para>van een bedrag van f 1.617,-- ter zake van de afkoop van</para>
      <para>pensioen teveel had ontvangen.</para>
      <para>Aangezien appellante zich niet met die inhouding kon</para>
      <para>verenigen, is er een briefwisseling tussen partijen gevolgd</para>
      <para>die heeft geresulteerd in de eerder vermelde brief van</para>
      <para>gedaagde van 20 januari 1994, inhoudende dat tot 1 januari</para>
      <para>1994 van terugvordering zal worden afgezien, dat de vanaf 1</para>
      <para>september 1993 ingehouden bedragen zo spoedig mogelijk zullen</para>
      <para>worden nabetaald en dat vanaf 1 januari 1994 wel met het te</para>
      <para>ontvangen pensioen zal worden rekening gehouden omdat</para>
      <para>pensioenaanspraken tot</para>
      <para>de inkomsten behoren die op grond van artikel 9 van het</para>
      <para>Bijstandsbesluit landelijke normering (BLN) volledig op de</para>
      <para>uitkering in mindering worden gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat gedaagde zijn belofte om de ingehouden bedragen zo</para>
      <para>spoedig mogelijk na te betalen, niet gestand deed, is hij</para>
      <para>daaraan vanwege appellante bij brief van 25 maart 1994</para>
      <para>herinnerd, waaraan is toegevoegd dat appellante van opvatting</para>
      <para>blijft dat het jaarlijks uit te betalen bedrag van f 539,--</para>
      <para>als ouderdomspensioen niet op de bijstandsuitkering in</para>
      <para>mindering dient te worden gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 12 september 1995 heeft gedaagde</para>
      <para>het bezwaar van appellante tegen de hoger vermelde inhouding</para>
      <para>van het bedrag van f 539,-- op haar uitkering over de maand</para>
      <para>februari 1995 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van</para>
      <para>appellante tegen het besluit van 12 september 1995 ongegrond</para>
      <para>verklaard. Zij heeft daartoe -in hoofdzaak- overwogen dat het</para>
      <para>bedrag van f 539,-- dat appellante in november 1994 van haar</para>
      <para>gewezen echtgenoot heeft ontvangen uit hoofde van afkoop van</para>
      <para>tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenaanspraken als inkomen</para>
      <para>in de zin van artikel 9 van het BLN dient te worden beschouwd</para>
      <para>dat volledig op de bijstandsuitkering in mindering dient</para>
      <para>te worden gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad heeft het volgende overwogen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het tussen appellante en haar ex-echtgenoot op 24</para>
      <para>april 1990 gesloten echtscheidingsconvenant had appellante bij</para>
      <para>de echtscheiding onder meer recht op een bedrag van f 3.234,--</para>
      <para>, zijnde haar aandeel in de contante waarde van de door haar</para>
      <para>ex-echtgenoot opgebouwde pensioenaanspraken. Tussen appellante</para>
      <para>en haar ex-echtgenoot</para>
      <para>is overeengekomen dat die vordering aan appellante zal worden</para>
      <para>voldaan door betaling van een bedrag van f 539,-- in zes</para>
      <para>jaarlijkse termijnen, te beginnen op</para>
      <para>15 december 1990.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1 van de ABW wordt aan iedere Nederlander,</para>
      <para>die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of</para>
      <para>dreigt te geraken, dat hij niet over de middelen beschikt om</para>
      <para>in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien,</para>
      <para>bijstand verleend.</para>
      <para>Ingevolge artikel 7, eerste lid, onder b, van de ABW wordt bij</para>
      <para>de beoordeling van de mate waarin een persoon of gezin</para>
      <para>beschikt over middelen buiten beschouwing gelaten een</para>
      <para>bescheiden vermogen dat geen bepaalde bestemming heeft. Dat</para>
      <para>vermogen bedroeg ten tijde in dit geding van belang voor een</para>
      <para>alleenstaande f 9.000,--.</para>
      <para>Ingevolge artikel 9 van het BLN worden in beginsel alle</para>
      <para>inkomsten ten volle op de uitkering in mindering gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad dient een vordering van een</para>
      <para>geldsbedrag, zoals in casu de vordering van (in 1990)</para>
      <para>f 3.234,-- van appellante op haar ex-echtgenoot in verband</para>
      <para>meer haar aandeel in de contante waarde van de door haar</para>
      <para>ex-echtgenoot opgebouwde pensioenaanspraken, in het algemeen</para>
      <para>te worden aangemerkt als een vermogensbestanddeel dat bij de</para>
      <para>toetsing van artikel 7 van de ABW in aanmerking dient te</para>
      <para>worden genomen en niet als inkomen in de zin van artikel 9 van</para>
      <para>het BLN. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan dat in</para>
      <para>het onderhavige geval anders zou zijn, is de Raad niet</para>
      <para>gebleken. Met name is niet als zo'n bijzondere omstandigheid</para>
      <para>aan te merken het feit dat appellante met haar ex-echtgenoot</para>
      <para>is overeengekomen dat de vordering zal worden voldaan door</para>
      <para>betaling gedurende zes jaren van een bepaald bedrag.</para>
      <para>Aangezien gedaagde, gezien het vorenoverwogene, naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad het bedrag dat appellante in november 1994</para>
      <para>van haar ex-echtgenoot ter aflossing van diens schuld aan haar</para>
      <para>heeft ontvangen, ten onrechte als inkomen heeft aangemerkt,</para>
      <para>kunnen de bestreden inhouding over februari 1995 noch het</para>
      <para>bestreden besluit van 12 september 1995 in stand blijven.</para>
      <para>Ook de aangevallen uitspraak dient gezien het vorenoverwogene</para>
      <para>te worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om gedaagde met</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>te veroordelen in de proceskosten van appellante, die worden</para>
      <para>begroot op f 1.420,-- voor de procedure in eerste aanleg en op</para>
      <para>f 1.420,-- voor de procedure in hoger beroep.</para>
      <para>III. BESLISSING</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep in eerste aanleg alsnog gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit en de bestreden inhouding</para>
      <para>over de maand februari 1995;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante, in</para>
      <para>eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,-- en in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 1.420,-- door de gemeente</para>
      <para>Heemskerk te betalen aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Verstaat dat de gemeente Heemskerk aan appellante het gestorte</para>
      <para>recht van in totaal f 200,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en</para>
      <para>mr Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van A.H.</para>
      <para>Berends als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9</para>
      <para>december 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>EB/AS</para>
      <para>0312</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>