<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7406</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:27:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7406</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL3446</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-11-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/6465 WW, 97/1449 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=64a&amp;g=1997-11-04">Werkloosheidswet 64a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=64b&amp;g=1997-11-04">Werkloosheidswet 64b</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=67a&amp;g=1997-11-04">Werkloosheidswet 67a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1997/285</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7406">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7406</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7406 Centrale Raad van Beroep , 04-11-1997 / 96/6465 WW, 97/1449 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7406:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Overname betalingsverplichtingen, loon, gratificatie, toerekenen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7406:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>96/6465 WW</para>
      <para>97/1449 WW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in het geding tussen:</para>
      <para>[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe</para>
      <para>Industriële Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder</para>
      <para>gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op de bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden in hoger beroep gekomen van de onder dagtekening 17</para>
      <para>juni 1996 door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage</para>
      <para>gewezen uitspraak, welke betrekking heeft op een geschil</para>
      <para>tussen appellant en gedaagde inzake de uitvoering van de</para>
      <para>Werkloosheidswet (hierna: WW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij</para>
      <para>schrijven van 7 januari 1997, met bijlagen, nog nadere stukken</para>
      <para>aan de Raad overgelegd, waaronder gedaagdes ter uitvoering van</para>
      <para>voormelde uitspraak genomen besluit van 23 augustus 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para>23 september 1997, waar appellant niet is verschenen, en waar</para>
      <para>gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>drs A.J. Verdonk, werkzaam bij Gak Nederland bv.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is sedert 1 februari 1985 als directeur werkzaam</para>
      <para>geweest bij [naam bedrijf] ([bedrijf]) te Leiden.</para>
      <para>Dat bedrijf is op 5 januari 1994 in staat van faillissement</para>
      <para>verklaard. Het dienstverband van appellant is beëindigd door</para>
      <para>opzegging op 6 januari 1994 ingaande</para>
      <para>3 maart 1994 door de curator in het faillissement van Hbt. Op</para>
      <para>verzoek van appellant is hem door gedaagde bij besluit van 14</para>
      <para>juli 1994 uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW</para>
      <para>toegekend terzake van onder meer loon,</para>
      <para>vakantiedagen en vakantietoeslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadien is gebleken dat appellant uit hoofde van zijn</para>
      <para>dienstbetrekking bij Hbt ook recht had op uitbetaling van een</para>
      <para>jaarlijks vast te stellen bedrag aan gratificatie of</para>
      <para>winstaandeel, waarmee bij vorengenoemd besluit geen rekening</para>
      <para>is gehouden. Blijkens artikel 2 van de arbeidsovereenkomst</para>
      <para>tussen appellant en [bedrijf] bestonden bedoelde gratificaties in</para>
      <para>een aandeel van 10% in de winst van de vennootschap, zoals</para>
      <para>deze winst zou blijken uit de vast te stellen jaarrekening.</para>
      <para>Bij ontbreken van voldoende winst bestond er recht op een</para>
      <para>minimum winstaandeel van 7,72% van het salaris. Dit</para>
      <para>winstaandeel diende blijkens de arbeidsovereenkomst betaalbaar</para>
      <para>te worden gesteld op de dag waarop de algemene vergadering van</para>
      <para>aandeelhouders de jaarrekening van de vennootschap vaststelde.</para>
      <para>Omdat Hbt feitelijk onvoldoende winst maakte werd het</para>
      <para>jaarlijks uit te betalen bedrag aan gratificaties gewoonlijk</para>
      <para>berekend aan de hand van laatstgenoemd percentage, hetgeen</para>
      <para>voor appellant neerkwam op een bedrag van ongeveer f 10.000,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De gratificatie over het jaar 1990 is appellant in twee</para>
      <para>gedeelten uitbetaald, maar met betrekking tot de jaren 1991 en</para>
      <para>volgende hebben in dit verband geen uitbetalingen meer</para>
      <para>plaatsgevonden.</para>
      <para>Hieromtrent is het volgende gebleken:</para>
      <para>1. het kalenderjaar 1991: de jaarrekening is op</para>
      <para>29 september 1992 vastgesteld, maar wegens de minder</para>
      <para>rooskleurige financiële situatie waarin het bedrijf toen reeds</para>
      <para>verkeerde is van uitbetaling van de gratificatie afgezien;</para>
      <para>2. het kalenderjaar 1992: de jaarrekening is op 4 oktober 1993</para>
      <para>(of 4 november 1993) vastgesteld, maar de uitbetaling van de</para>
      <para>gratificatie is toen achterwege gebleven in verband met de op</para>
      <para>handen zijnde faillissementsaanvraag van Hbt.</para>
      <para>3. de kalenderjaren 1993 en 1994: in verband met het</para>
      <para>faillissement van Hbt op 5 januari 1994 zijn geen</para>
      <para>jaarrekeningen en dus ook geen gratificaties meer vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met het achterwege blijven van de uitbetaling van</para>
      <para>genoemde gratificaties, betrekking hebbende op de</para>
      <para>kalenderjaren 1991 en volgende, is van de zijde van appellant</para>
      <para>alsnog aan gedaagde verzocht om deze gratificaties in het</para>
      <para>kader van hoofdstuk IV van de WW over te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierop heeft gedaagde bij primair besluit van 20 december 1994</para>
      <para>afwijzend beslist.</para>
      <para>Bij besluit van 20 april 1995 heeft gedaagde de daartegen</para>
      <para>ingediende bezwaren van appellant ongegrond verklaard.</para>
      <para>Gedaagde, die blijkens dit besluit wel van mening was dat de</para>
      <para>betreffende gratificaties moeten worden gezien als een</para>
      <para>overeengekomen loonbestanddeel dat evenredig over het</para>
      <para>betreffende kalenderjaar wordt opgebouwd en eerst opeisbaar</para>
      <para>wordt na de goedkeuring van de jaarstukken door de algemene</para>
      <para>vergadering van aandeelhouders, heeft de afwijzing van het</para>
      <para>verzoek van appellant gehandhaafd primair wegens strijd met de</para>
      <para>aard en de strekking van de regeling van hoofdstuk IV van de</para>
      <para>WW. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat appellant als</para>
      <para>werknemer niet al het nodige heeft gedaan om destijds betaling</para>
      <para>van de gratificaties te verkrijgen.</para>
      <para>Bij laatstgenoemd besluit heeft gedaagde zich voorts</para>
      <para>subsidiair op het standpunt gesteld dat de gratificaties met</para>
      <para>betrekking tot de jaren 1991, 1992 en een gedeelte (te weten</para>
      <para>tot 6 oktober) 1993 buiten de in artikel 64 aanhef, onder a en</para>
      <para>b, van de WW genoemde termijnen vallen en mitsdien niet voor</para>
      <para>overneming in aanmerking komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de loop van het geding in eerste aanleg is het geschil</para>
      <para>tussen partijen beperkt tot de overneming van gratificaties</para>
      <para>betreffende de jaren 1992 tot en met 1994. De rechtbank heeft</para>
      <para>blijkens de aangevallen uitspraak hieromtrent geoordeeld dat</para>
      <para>de weigering van gedaagde om tot overneming van de betreffende</para>
      <para>gratificaties over te gaan niet door de primaire grond van</para>
      <para>gedaagdes besluit van 20 april 1995 gedragen kan worden.</para>
      <para>Wat de subsidiaire grond van genoemd besluit betreft, heeft de</para>
      <para>rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat de gratificatie</para>
      <para>over het jaar 1992 geheel is opgebouwd in een periode die</para>
      <para>buiten de termijnen van onderdelen a en b van artikel 64 van</para>
      <para>de WW valt, maar dat de gratificaties over de jaren 1993 en</para>
      <para>1994 ten dele wel binnen die termijnen vallen en in zoverre</para>
      <para>voor overneming in aanmerking komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft in de aangevallen uitspraak berust en heeft ter</para>
      <para>uitvoering hiervan bij besluit van 23 augustus 1996 alsnog</para>
      <para>beslist dat van de gratificaties inzake de boek- en</para>
      <para>kalenderjaren 1993 en 1994 een evenredig deel, te weten over</para>
      <para>de in artikel 64 aanhef en onder a en b van de WW genoemde</para>
      <para>perioden, zijnde de periode van 8 oktober 1993 tot en met 31</para>
      <para>december 1993 en van 1 januari 1994 tot en met 3 maart 1994,</para>
      <para>in het kader van hoofdstuk IV van de WW wordt overgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen appellant blijkens zijn aanvullend</para>
      <para>beroepschrift in hoger beroep nog van gedaagde vordert, stelt</para>
      <para>de Raad vast dat gedaagde bij zijn besluit van</para>
      <para>23 augustus 1996 niet geheel aan appellant is tegemoetgekomen.</para>
      <para>De Raad zal dan ook overeenkomstig het bepaalde in de</para>
      <para>artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb), het hoger beroep mede gericht achten</para>
      <para>tegen gedaagdes besluit van 23 augustus 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door appellant wordt thans nog uitsluitend aangevochten het</para>
      <para>oordeel van de rechtbank met betrekking tot de wijze van</para>
      <para>toerekening van de gratificaties inzake de jaren 1992 tot en</para>
      <para>met 1994 aan de tijdvakken als genoemd in artikel 64 WW. De</para>
      <para>Raad overweegt hieromtrent het navolgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de aard en de strekking van de hier aan de orde zijnde</para>
      <para>gratificatie, die blijkens de arbeidsovereenkomst immers ook</para>
      <para>bij het ontbreken van winst tot uitbetaling zou komen tot een</para>
      <para>bedrag van 7,72% van het jaarinkomen, en gelet ook op hetgeen</para>
      <para>appellant hieromtrent zelf heeft medegedeeld, is de Raad,</para>
      <para>onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak ter zake -zie</para>
      <para>onder meer de uitspraak van</para>
      <para>25 juni 1996, gepubliceerd in RSV 1996/224-, van oordeel dat</para>
      <para>deze gratificatie dient te worden beschouwd als een beloning</para>
      <para>voor de resultaten die appellant behaalde in het boekjaar</para>
      <para>waarop die gratificatie betrekking had. De hier aan de orde</para>
      <para>zijnde gratificaties dienden derhalve, voor de toepassing van</para>
      <para>artikel 64 van de WW, telkenmale te worden toegerekend aan het</para>
      <para>boekjaar voorafgaande aan het jaar waarin deze werden</para>
      <para>vastgesteld of zouden worden vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het door appellant ingenomen standpunt dat de gratificatie</para>
      <para>moet worden toegerekend aan het tijdstip waarop deze formeel</para>
      <para>tot uitbetaling had kunnen komen, te weten ten tijde van de</para>
      <para>vaststelling van de jaarrekening van Hbt door de algemene</para>
      <para>vergadering van aandeelhouders, moet de Raad, gelet op het</para>
      <para>vorenoverwogene, dan ook verwerpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het standpunt van appellant dat hij recht heeft op uitkering</para>
      <para>over een periode van een jaar, voorafgaande aan de datum</para>
      <para>waarop de termijn van opzegging is beëindigd, acht de Raad</para>
      <para>evenzeer onjuist.</para>
      <para>Bedoelde termijn van een jaar is blijkens de tekst van artikel</para>
      <para>64 aanhef en onder c van de WW van toepassing indien sprake is</para>
      <para>van vakantiegeld, vakantiebijslag of van bedragen, die de</para>
      <para>werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer</para>
      <para>aan derden verschuldigd is.</para>
      <para>Van vakantiegeld of vakantiebijslag is hier onmiskenbaar geen</para>
      <para>sprake.</para>
      <para>Van bedragen, die de werkgever in verband met de</para>
      <para>dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is</para>
      <para>acht de Raad hier evenmin sprake. Zoals de Raad reeds vaker</para>
      <para>heeft overwogen -zie onder meer zijn uitspraak van 30 juni</para>
      <para>1992, gepubliceerd in RSV 1993/19- is noch in de tekst van</para>
      <para>artikel 64 aanhef en onder c van de WW, noch in de</para>
      <para>ontstaansgeschiedenis van die bepaling enig aanknopingspunt te</para>
      <para>vinden voor de opvatting dat de term "aan derden verschuldigd"</para>
      <para>in dat artikelonderdeel de ruimte biedt om ook een</para>
      <para>rechtstreeks aan de werknemer verschuldigde vergoeding onder</para>
      <para>het toepassingsbereik van die bepaling te kunnen brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De onderhavige gratificatie geldt, zoals reeds is overwogen,</para>
      <para>als een bestanddeel van het loon, vallende onder het bereik</para>
      <para>van de onderdelen a en b van artikel 64, en kan dus slechts</para>
      <para>door gedaagde worden overgenomen voorzover deze betrekking</para>
      <para>heeft op de in die artikelonderdelen genoemde tijdvakken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door gedaagde in acht genomen tijdvakken zijn door</para>
      <para>appellant op zich overigens niet betwist en de Raad heeft geen</para>
      <para>aanleiding gevonden om deze voor onjuist te houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de rechtbank in de</para>
      <para>aangevallen uitspraak terecht heeft overwogen en beslist dat</para>
      <para>de gratificatie over het kalenderjaar 1992 buiten genoemde</para>
      <para>tijdvakken valt en dus niet voor overneming in het kader van</para>
      <para>hoofdstuk IV van de WW in aanmerking komt, en dat de</para>
      <para>gratificaties over de kalenderjaren 1993 en 1994 wel kunnen</para>
      <para>worden overgenomen, voor zover deze op de wijze als door de</para>
      <para>rechtbank aangegeven, aan de in de onderdelen a en b van</para>
      <para>artikel 64 genoemde termijnen dienen te worden toegerekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt tevens dat gedaagde bij zijn besluit van</para>
      <para>23 augustus 1996 op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan</para>
      <para>hetgeen hem door de rechtbank blijkens de aangevallen</para>
      <para>uitspraak is opgedragen, zodat dit besluit in rechte stand kan</para>
      <para>houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mitsdien komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in</para>
      <para>aanmerking en dient het beroep tegen gedaagdes besluit van 23</para>
      <para>augustus 1996 ongegrond te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen gedaagdes besluit van</para>
      <para>23 augustus 1996 ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr</para>
      <para>J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van D. Nebbeling als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 4 november 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Hugenholtz.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) D. Nebbeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>RH</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>