<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7402</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:37:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7402</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/8265 IOAZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004167&amp;artikel=4&amp;g=1997-12-09">Inkomensbesluit IOAZ 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004167&amp;artikel=7&amp;g=1997-12-09">Inkomensbesluit IOAZ 7</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 61</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1998/30</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7402">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7402</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-03-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7402 Centrale Raad van Beroep , 09-12-1997 / 96/8265 IOAZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7402:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Pensioenuitkering via ex-echtgenoot; inkomen i.v.m. arbeid in het bedrijfs- en</para>
        <para> beroepsleven.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7402:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/8265 IOAZ</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Eindhoven, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.</para>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij het beroepschrift - met bijlagen -</para>
      <para>aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 15 juli 1996</para>
      <para>tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr M.C.J. Houben, advocaat te Eindhoven,</para>
      <para>een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 28 oktober 1997, waar</para>
      <para>appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door J.J.M.</para>
      <para>Hendriksen, werkzaam bij de gemeente Eindhoven, en waar</para>
      <para>gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Houben,</para>
      <para>voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1932, is werkzaam geweest als</para>
      <para>maatschappelijk werkster en als zelfstandig paranormaal</para>
      <para>genezeres. Nadat zij die werkzaamheden om gezondheidsredenen</para>
      <para>had gestaakt, heeft appellant haar met ingang van 1 september</para>
      <para>1988 een uitkering toegekend ingevolge de Wet</para>
      <para>inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte</para>
      <para>gewezen zelfstandigen (IOAZ).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met P.</para>
      <para>van der Lely. Zij zijn sedert 1987 gescheiden.</para>
      <para>Bij deze echtscheiding is geregeld dat gedaagde jegens haar</para>
      <para>ex-echtgenoot recht kan doen gelden op uitkering van 34,36%</para>
      <para>van het bruto levenslange ouderdomspensioen, dat deze</para>
      <para>ex-echtgenoot heeft verworven door arbeid in het bedrijfs- en</para>
      <para>beroepsleven.</para>
      <para>In verband met de pensionering van de ex-echtgenoot ontvangt</para>
      <para>gedaagde vanaf 1 april 1994 van de ex-echtgenoot een deel van</para>
      <para>zijn pensioen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 november 1994 heeft appellant aan gedaagde</para>
      <para>meegedeeld dat op haar IOAZ-uitkering vanaf 1 april 1994 die</para>
      <para>bedragen worden ingehouden, die zij in verband met de</para>
      <para>pensioenaanspraken heeft ontvangen van haar ex-echtgenoot.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bezwaar tegen dit besluit heeft appellant bij besluit van</para>
      <para>14 februari 1995 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep</para>
      <para>tegen het besluit van 14 februari 1995 gegrond verklaard, dat</para>
      <para>besluit vernietigd en bepaald dat (thans) gedaagde ingaande 1</para>
      <para>april 1994 recht heeft op uitkering ingevolge de IOAZ zonder</para>
      <para>dat daarop het bedrag dat zij van het pensioen van haar</para>
      <para>ex-echtgenoot ontvangt, in mindering wordt gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft daarbij met name overwogen dat het pensioen</para>
      <para>dat gedaagde van haar gewezen echtgenoot ontvangt, niet is aan</para>
      <para>te merken als haar inkomen in verband met arbeid en dat</para>
      <para>artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de IOAZ (waarop</para>
      <para>appellant zich baseert) niet ziet op inkomen van een ander,</para>
      <para>maar uitsluitend op inkomen uit of in verband met arbeid van</para>
      <para>de IOAZ-gerechtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 7 van de IOAZ bepaalt in het eerste lid, aanhef en</para>
      <para>onder b, dat als inkomen wordt aangemerkt voor de</para>
      <para>alleenstaande gewezen zelfstandige: zijn inkomen uit of in</para>
      <para>verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven.</para>
      <para>Ingevolge artikel 9 IOAZ wordt dit inkomen in mindering</para>
      <para>gebracht op de IOAZ-uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van het</para>
      <para>Inkomensbesluit IOAZ wordt onder inkomen in verband met arbeid</para>
      <para>in het bedrijfs- of beroepsleven verstaan: de opbrengst van</para>
      <para>arbeid, als bedoeld in artikel 7 van het Inkomensbesluit IOAW.</para>
      <para>Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van het</para>
      <para>Inkomensbesluit IOAW, bepaalt dat onder inkomen in verband met</para>
      <para>arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven wordt verstaan: een</para>
      <para>uitkering op grond van een pensioenregeling, voor zover niet</para>
      <para>begrepen onder a.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit dit samenstel van bepalingen blijkt dat onder inkomen in</para>
      <para>verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven, als</para>
      <para>bedoeld in artikel 7, van de IOAZ, worden begrepen:</para>
      <para>uitkeringen op grond van een pensioenregeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ex-echtgenoot van gedaagde ontvangt, zoals hierboven reeds</para>
      <para>is gesteld, uitkeringen op grond van een pensioenregeling.</para>
      <para>Ingevolge de regeling die gedaagde en haar ex-echtgenoot bij</para>
      <para>hun echtscheiding hebben getroffen, heeft gedaagde, zoals</para>
      <para>hierboven opgemerkt, recht op een aandeel van deze</para>
      <para>pensioenuitkeringen, ter hoogte van 34,36%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit recht van gedaagde vindt zijn basis in de jurisprudentie</para>
      <para>van de Hoge Raad.</para>
      <para>De Hoge Raad heeft overwogen dat terzake van pensioenrechten</para>
      <para>niet alleen verknochtheid bestaat met de persoon van de</para>
      <para>rechthebbende op pensioen, maar dat er in de regel tevens een</para>
      <para>niet te verwaarlozen band bestaat met de persoon van de andere</para>
      <para>echtgenoot.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor wat betreft de ouderdomspensioenen bestaat deze band,</para>
      <para>aldus de Hoge Raad, hierin dat het pensioenrecht, zo de</para>
      <para>rechthebbende gehuwd is, uit maatschappelijk oogpunt bestemd</para>
      <para>is om te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en dat</para>
      <para>voorts de opbouw van een zodanig pensioen, in verband met de</para>
      <para>gehele of gedeeltelijke financiering daarvan uit de</para>
      <para>gemeenschap en de bij velen bestaande taakverdeling binnen het</para>
      <para>huwelijk, in beginsel moet worden gezien als het resultaat van</para>
      <para>de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten,</para>
      <para>voortvloeiende uit de zorg die zij krachtens artikel 81, Boek</para>
      <para>1, BW, aan elkaar verschuldigd zijn.</para>
      <para>Op grond van dit een en ander moet, zo stelt de Hoge Raad,</para>
      <para>worden aangenomen dat pensioenrechten als de onderhavige voor</para>
      <para>het gedeelte dat op het tijdstip van de ontbinding van de</para>
      <para>gemeenschap door echtscheiding reeds was opgebouwd, bij de</para>
      <para>verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in</para>
      <para>aanmerking moeten worden genomen.</para>
      <para>De Hoge Raad voegt daar onder meer aan toe dat eisen van</para>
      <para>redelijkheid en billijkheid mee kunnen brengen dat verrekening</para>
      <para>van pensioenrechten tussen de ex-echtgenoten slechts plaats</para>
      <para>kan vinden door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een</para>
      <para>voorwaardelijke uitkering op te leggen, die gebonden is aan</para>
      <para>het leven van beide echtgenoten, opeisbaar wordt naarmate de</para>
      <para>pensioentermijnen opeisbaar worden en kan worden uitgedrukt in</para>
      <para>een percentage daarvan (HR 27 november 1981, NJ 1982, nr 403).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het bovenvermelde blijkt dat de uitkeringen die de</para>
      <para>ex-echtgenoot van gedaagde aan haar van zijn pensioen</para>
      <para>verstrekt, hun juridische grondslag vinden in de band die er,</para>
      <para>aldus de Hoge Raad, bestaat tussen deze pensioenrechten en</para>
      <para>gedaagde. Gelet daarop is de conclusie dat deze uitkeringen</para>
      <para>aan gedaagde als uitkeringen moeten worden aangemerkt op grond</para>
      <para>van een pensioenregeling.</para>
      <para>Hieraan doet niet af dat gedaagde niet rechtstreeks rechten</para>
      <para>kan doen gelden op de pensioenuitkeringen, maar deze ten</para>
      <para>aanzien van haar ex-echtgenoot geldend moet maken.</para>
      <para>Het indirecte karakter van dit recht verandert niet aan de</para>
      <para>grondslag ervan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad voegt hieraan nog toe dat, gelet op het bovenvermelde,</para>
      <para>de door de rechtbank getrokken vergelijking met alimentatie</para>
      <para>niet opgaat. Het recht op alimentatie heeft immers zijn</para>
      <para>juridische grondslag in de bepalingen in het Burgerlijk</para>
      <para>Wetboek omtrent de wederzijdse onderhoudsplicht van</para>
      <para>echtgenoten en ex-echtgenoten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevallen uitspraak dient, gezien het bovenvermelde, te</para>
      <para>worden vernietigd en het inleidend beroep moet alsnog</para>
      <para>ongegrond worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet tenslotte geen termen voor toepassing van artikel</para>
      <para>8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidend</para>
      <para>beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr Ch.J.G. Olde Kalter als</para>
      <para>leden in tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 9 december 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>EB/AS</para>
      <para>2711</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>