<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7385</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T15:38:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7385</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/4713 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:69&amp;g=1997-12-12">Algemene wet bestuursrecht 8:69</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:70&amp;g=1997-12-12">Algemene wet bestuursrecht 8:70</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1997-12-12">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=1997-12-12">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=3&amp;g=1997-12-12">Wet voorzieningen gehandicapten 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=5&amp;g=1997-12-12">Wet voorzieningen gehandicapten 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=6&amp;g=1997-12-12">Wet voorzieningen gehandicapten 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=6&amp;g=1997-12-12">Wet voorzieningen gehandicapten 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1999, 88</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1998/79 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7385">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7385</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7385 Centrale Raad van Beroep , 12-12-1997 / 96/4713 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7385:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toetsing eigen bijdrage aan WVG, ondanks feit dat bestuursorgaan deze niet daadwerkelijk heeft gekort.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7385:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/4713 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de</para>
      <para>gemeente Almere,  gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 28 maart 1995 is namens gedaagde aan appellante</para>
      <para>mededeling gedaan van het besluit dat zij bij wijze van</para>
      <para>vervoersvoorziening ingevolge de Wet voorzieningen</para>
      <para>gehandicapten (WVG) in aanmerking komt voor een vergoeding van</para>
      <para>f 800,-- terzake van de kosten van gebruik van de haar in</para>
      <para>bruikleen verstrekte zogeheten Arola-buitenwagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft de bezwaren van appellant tegen dat</para>
      <para>besluit bij het bestreden besluit van 20 maart 1995 ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van</para>
      <para>14 april 1996 het tegen het bestreden besluit ingestelde</para>
      <para>beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van die uitspraak is mr. J.B. van der Pauw, werkzaam bij de</para>
      <para>Stichting Eerstelijns Voorzieningen Almere namens appellante</para>
      <para>op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden bij de</para>
      <para>Raad in hoger beroep gekomen. Appellantes vordering strekt tot</para>
      <para>vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden</para>
      <para>besluit, waarbij is verzocht om toepassing te geven aan de</para>
      <para>artikelen 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen,</para>
      <para>ingediend en heeft een aantal hem door de Raad gestelde vragen</para>
      <para>beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>31 oktober 1997, waar namens appellante is verschenen haar</para>
      <para>gemachtigde mr J.B. van der Pauw, voornoemd, terwijl gedaagde</para>
      <para>zich heeft doen vertegenwoordigen door mr S.S. Ramsoekh en</para>
      <para>mr W.W. Meijer, werkzaam bij de gemeente Almere.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan appellante is in het kader van de toepassing van artikel</para>
      <para>57, tweede lid (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</para>
      <para>(AAW) door het bestuur van de toenmalige Bedrijfsvereniging</para>
      <para>voor Detailhandel, Huisvrouwen en Ambachten (Detam) in</para>
      <para>september 1993 een Arola buitenwagen in bruikleen verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met het inwerkingtreden van de WVG op 1 april 1994</para>
      <para>heeft gedaagde appellante aanvankelijk per die datum in</para>
      <para>aanmerking gebracht voor deelname aan het in de gemeente</para>
      <para>Almere opgezette systeem van collectief vervoer. Nadat</para>
      <para>appellante tegen het desbetreffende besluit bezwaar had</para>
      <para>gemaakt is bij besluit van 10 mei 1994 alsnog in plaats van</para>
      <para>deelname aan het collectief vervoer aan appellante een</para>
      <para>vergoeding toegekend voor de kosten van gebruik van haar</para>
      <para>bruikleen-Arola tot een bedrag van f 800,-- per jaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het namens appellante tegen het besluit</para>
      <para>van 10 mei 1994 ingediende bezwaarschrift is bij het bestreden</para>
      <para>besluit een tegemoetkoming van f 800,-- voor de duur van een</para>
      <para>jaar toegekend, waarop een bedrag voor eigen rekening van</para>
      <para>f 186,-- in mindering is gebracht. Voorts is aan appellante</para>
      <para>meegedeeld dat, nu er feitelijk al f 800,-- aan haar is</para>
      <para>uitbetaald, het teveel betaalde bedrag van f 186,-- niet van</para>
      <para>haar wordt teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde</para>
      <para>beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe met</para>
      <para>name overwogen dat een tegemoetkoming van</para>
      <para>f 800,--, gelet op de kosten ten aanzien van de Arola welke</para>
      <para>voor rekening van de Detam blijven en in vergelijking met de</para>
      <para>vervoerskosten die appellante zou moeten maken indien zij niet</para>
      <para>gehandicapt zou zijn, niet onredelijk is te noemen. De</para>
      <para>rechtbank heeft in het midden gelaten of gedaagde voor</para>
      <para>appellante een eigen bijdrage mocht vaststellen, aangezien het</para>
      <para>over de in geding zijnde periode teveel betaalde bedrag niet</para>
      <para>is teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellante, uitvoerig</para>
      <para>beargumenteerd, in hoofdzaak betoogd dat de rechtbank bij haar</para>
      <para>toetsing ten onrechte rekening gehouden heeft met de</para>
      <para>meerkosten van gebruik van de bruikleen-Arola ten opzichte van</para>
      <para>niet-gehandicapten in plaats van de volledige voor appellantes</para>
      <para>rekening komende kosten centraal te stellen en voorts dat</para>
      <para>gedaagde er ten onrechte vanuit gegaan is dat de</para>
      <para>draagkrachtnormen van de Regeling inzake</para>
      <para>financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG niet in</para>
      <para>acht genomen behoefden te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorop gesteld moet worden dat een vergoeding voor het gebruik</para>
      <para>van een bruikleen-Arola niet uitdrukkelijk is geregeld in de,</para>
      <para>ter uitvoering van de artikelen 2 en 5 van de WVG</para>
      <para>vastgestelde, Verordening voorzieningen gehandicapten Almere</para>
      <para>(nader te noemen de Verordening). Toekenning van de</para>
      <para>onderhavige tegemoetkoming berust, naar van gedaagdes kant is</para>
      <para>gesteld, op artikel 8.2 van de Verordening (de restclausule).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande betekent weliswaar dat de toegekende</para>
      <para>voorziening niet rechtstreeks aan de bepalingen van de</para>
      <para>Verordening betreffende vervoersvoorzieningen getoetst kan</para>
      <para>worden, maar neemt niet weg dat deze in ieder geval wel dient</para>
      <para>te voldoen aan de in artikel 3 van de WVG globaal aangegeven</para>
      <para>ondergrens, inhoudende dat door het gemeentebestuur</para>
      <para>verantwoorde voorzieningen worden aangeboden, wat betekent dat</para>
      <para>deze doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht moeten worden verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Reeds diverse malen heeft de Raad de zojuist aangeduide</para>
      <para>ondergrens wat vervoersvoorzieningen betreft aldus nader</para>
      <para>omschreven dat deze vereist dat de ter plaatse wonende</para>
      <para>gehandicapten ten minste in staat gesteld moeten worden om in</para>
      <para>hun directe woonomgeving in aanvaardbare mate sociale</para>
      <para>contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van</para>
      <para>alledag. De Raad heeft daarbij ook vaker aangegeven dat niet</para>
      <para>met alle bij een betrokkene ten aanzien van vervoer levende</para>
      <para>wensen rekening dient te worden gehouden en dat van hem of</para>
      <para>haar in redelijkheid kan worden gevergd zich op dat punt</para>
      <para>beperkingen te getroosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het feit dat uit de voorhanden gegevens blijkt dat de</para>
      <para>kosten van grote reparaties, banden, herstel van schade</para>
      <para>(groter dan f 15,--) en verzekering voor rekening van</para>
      <para>(destijds) de Detam kwamen en in aanmerking genomen dat van</para>
      <para>gedaagdes zijde is berekend dat een bedrag van</para>
      <para>f 800,-- toereikend is voor de kosten van een hoeveelheid</para>
      <para>benzine waarmee in een Arola ongeveer 2500 kilometer gereden</para>
      <para>kan worden, is de Raad van oordeel dat een tegemoetkoming van</para>
      <para>f 800,-- niet in strijd komt met voormelde ondergrens als</para>
      <para>bedoeld in artikel 3 van de WVG. De Raad voegt daaraan toe dat</para>
      <para>de hoogte van de onderwerpelijke tegemoetkoming spoort met</para>
      <para>andere, wel in het kader van de Verordening gehanteerde</para>
      <para>bedragen, zoals de vergoeding voor gebruik van een</para>
      <para>bruikleenauto, welke in 1995</para>
      <para>f 900,-- en in 1996 f 750,-- bedroeg.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan voorts het zijdens appellante gehouden betoog, dat</para>
      <para>bij de toetsing van de hoogte van de tegemoetkoming er niet</para>
      <para>van uitgegaan had mogen worden dat voor de berekening van de</para>
      <para>tegemoetkoming slechts rekening gehouden behoeft te worden met</para>
      <para>de meerkosten, welke een gehandicapte heeft in vergelijking</para>
      <para>met degene die gebruik kan maken van het reguliere openbaar</para>
      <para>vervoer, niet onderschrijven. Deze benadering past namelijk</para>
      <para>niet alleen bij het in de Verordening verankerde uitgangspunt</para>
      <para>dat een vervoersvoorziening pas wordt verleend als het</para>
      <para>gebruikmaken of bereiken van het openbaar vervoer om medische</para>
      <para>redenen onevenredig moeilijk is, maar is ook in</para>
      <para>overeenstemming met het al herhaaldelijk door de Raad</para>
      <para>uitgesproken oordeel dat degene die in staat is gebruik te</para>
      <para>maken van het openbaar vervoer geacht moet worden niet op een</para>
      <para>vervoersvoorziening te zijn aangewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende hetgeen vanwege appellante is geponeerd over de</para>
      <para>toepasselijkheid van de Regeling inzake financiële</para>
      <para>tegemoetkomingen en eigen bijdragen WVG verwijst de Raad</para>
      <para>allereerst naar zijn uitspraak van 1 juli 1997 (RSV 1997/249),</para>
      <para>waarin hij als zijn oordeel heeft gegeven dat die Regeling</para>
      <para>geen betrekking heeft op forfaitaire financiële</para>
      <para>tegemoetkomingen. Nu het bedrag van f 800,-- niet is gebaseerd</para>
      <para>op de omvang van de specifieke vervoersbehoefte van appellante</para>
      <para>doch berust op een objectieve schatting van de (meer)kosten</para>
      <para>van gebruik van een Arola, moet ook deze vergoeding als een</para>
      <para>forfaitaire financiële tegemoetkoming in bovenbedoelde zin</para>
      <para>worden beschouwd, zodat gedaagde niet gehouden was deze te</para>
      <para>toetsen aan de draagkrachtnormen van de zojuist genoemde</para>
      <para>Regeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wel is de Raad van oordeel dat gedaagde ten onrechte een</para>
      <para>bedrag van f 186,-- als "bedrag voor eigen rekening" op de</para>
      <para>appellante toekomende tegemoetkoming van f 800,-- in mindering</para>
      <para>heeft gebracht. Deze korting kan de Raad namelijk niet anders</para>
      <para>zien dan als een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6,</para>
      <para>eerste lid van de WVG. Zodanige eigen bijdrage mag echter</para>
      <para>blijkens juistgenoemde bepaling niet worden opgelegd indien de</para>
      <para>voorziening, zoals in casu het geval is, bestaat uit een</para>
      <para>financiële tegemoetkoming. Het feit dat gedaagde het op de</para>
      <para>tegemoetkoming van f 800,-- gekorte bedrag, na dit</para>
      <para>abusievelijk te hebben betaald, niet heeft teruggevorderd,</para>
      <para>doet er niet aan af dat bij het bestreden besluit ten onrechte</para>
      <para>een eigen bijdrage aan appellante is opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen dan</para>
      <para>ook, voor zover deze betrekking hebben op het door gedaagde</para>
      <para>als bedrag voor eigen rekening in mindering gebrachte bedrag,</para>
      <para>voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet in de</para>
      <para>omstandigheid dat gedaagde het bewuste bedrag niet heeft</para>
      <para>teruggevorderd wel aanleiding om met toepassing van artikel</para>
      <para>8:72, derde lid van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen</para>
      <para>van het vernietigde deel van het bestreden besluit geheel in</para>
      <para>stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad gaat, ondanks de gedeeltelijke vernietiging van de</para>
      <para>aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, niet over tot</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb. Uit de voorhanden</para>
      <para>gegevens blijkt namelijk dat appellante voor de</para>
      <para>dienstverlening door haar gemachtigde, buiten de afspraak om</para>
      <para>het bedrag van een eventuele proceskostenveroordeling aan hem</para>
      <para>af te staan, geen kosten verschuldigd is, zodat er geen sprake</para>
      <para>is van op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in</para>
      <para>aanmerking komende kosten in verband met het beroep en hoger</para>
      <para>beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op de artikelen</para>
      <para>24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten</para>
      <para>slotte vast dat het door appellante zowel in eerste aanleg als</para>
      <para>in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te</para>
      <para>worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt mitsdien als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit,</para>
      <para>voor zover deze betrekking hebben op de oplegging van een</para>
      <para>eigen bijdrage van f 186,--;</para>
      <para>Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van</para>
      <para>het bestreden besluit geheel in stand blijven;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellante het door haar gestorte</para>
      <para>recht van in totaal f 200,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op</para>
      <para>12 december 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>RH</para>
      <para>2411</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>