<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7376</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:27:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7376</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-11-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/9324 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBV0001017&amp;artikel=26&amp;g=1997-11-21">Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=1997-11-21">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=3&amp;g=1997-11-21">Wet voorzieningen gehandicapten 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1998/33</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7376">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7376</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7376 Centrale Raad van Beroep , 21-11-1997 / 96/9324 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7376:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Zorgplicht ex art 2 en 3 WVG tav vervoersvoorzieningen voor gehandicapten. Primaat van</para>
        <para> collectief vervoer. Afweging kosten collectief vervoer tegen die van andere voorziening.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7376:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/9324 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De erven van T. Zantema e/v Van der Meer, gewoond hebbende te</para>
      <para>Sexbierum, appellanten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de</para>
      <para>gemeente Franekeradeel,  gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 17 november 1994 heeft gedaagde aan wijlen T.</para>
      <para>Zantema e/v Van der Meer (hierna te noemen: betrokkene)</para>
      <para>mededeling gedaan van het besluit tot afwijzing van de</para>
      <para>aanvraag, die ertoe strekte om haar ingevolge de Wet</para>
      <para>voorzieningen gehandicapten (WVG) en de op die wet gebaseerde</para>
      <para>Verordening Voorzieningen Gehandicapten</para>
      <para>Franekeradeel 1994 (nader te noemen de Verordening) in</para>
      <para>aanmerking te brengen voor vergoeding van kosten van</para>
      <para>aanpassing van de eigen auto.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft de bezwaren van betrokkene tegen dat besluit</para>
      <para>bij het bestreden besluit van 30 mei 1995</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 13 augustus 1996 - onder meer - het tegen het bestreden</para>
      <para>besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van die uitspraak is betrokkene op de daartoe bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 11 februari 1997 van verweer</para>
      <para>gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>10 oktober 1997, waar appellanten niet zijn verschenen,</para>
      <para>terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door S. van</para>
      <para>der Ploeg, werkzaam bij de gemeente</para>
      <para>Franekeradeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak, waarin betrokkene als eiseres is</para>
      <para>aangeduid en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de</para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Eiseres, geboren op 22 januari 1992, heeft in 1989 in beide</para>
      <para>benen kunstknieën gekregen. In verband met</para>
      <para>afstotingsverschijnselen is in 1993 de kunstknie uit het</para>
      <para>rechterbeen verwijderd en is dit been stijf gezet, waardoor</para>
      <para>eiseres niet meer kan lopen; zij is daarom aangewezen op het</para>
      <para>gebruik van een rolstoel.</para>
      <para>Teneinde in de eigen auto, die door haar echtgenoot wordt</para>
      <para>bestuurd, te kunnen worden vervoerd, is op advies van de</para>
      <para>revalidatie-arts van verpleeghuis "Dukdalf" te Harlingen</para>
      <para>hierin een zogenaamde draai-schuifstoel geplaatst ter waarde</para>
      <para>van f 2.778,88.</para>
      <para>Voor de kosten van deze aanpassing heeft eiseres op 27</para>
      <para>augustus 1994 een aanvraag voor een vergoeding op grond van de</para>
      <para>WVG ingediend bij verweerders gemeente.</para>
      <para>Bij besluit van 17 november 1994 is de aanvraag namens</para>
      <para>verweerder afgewezen. Hiertoe is overwogen, dat door de</para>
      <para>gemeente Franekeradeel het primaat voor vervoersvoorzieningen</para>
      <para>is gelegd bij het collectief vervoer en dat eiseres in staat</para>
      <para>wordt geacht van deze voorziening gebruik te kunnen maken.</para>
      <para>Bij brief van 23 december 1994 is hiertegen bezwaar gemaakt.</para>
      <para>Op 2 februari 1995 heeft eiseres de gronden van het beroep</para>
      <para>ingezonden.</para>
      <para>Op 13 februari 1995 is de gemachtigde van eiseres in het kader</para>
      <para>van de bezwaarschriftprocedure gehoord.</para>
      <para>Bij brief van 15 mei heeft eiseres beroep ingesteld bij deze</para>
      <para>rechtbank tegen het uitblijven van de beslissing op</para>
      <para>bezwaarschrift.</para>
      <para>Bij besluit van 30 mei 1995 heeft verweerder het</para>
      <para>bezwaarschrift tenslotte ongegrond verklaard. Hiertoe is - kort</para>
      <para>samengevat - overwogen, dat:</para>
      <para>- verweerders gemeente een collectief</para>
      <para>vervoerssysteem kent en dit in beginsel als een adequate</para>
      <para>voorziening dient te worden aangemerkt;</para>
      <para>- eerst als het collectief vervoersysteem voor een</para>
      <para>gehandicapte ontoereikend is, een gehandicapte op</para>
      <para>grond van het bepaalde in artikel 3.2, tweede lid,</para>
      <para>van de Verordening in aanmerking kan komen voor</para>
      <para>een vervoersvoorziening in natura en/of een</para>
      <para>tegemoetkoming in de kosten van gebruik van de eigen</para>
      <para>auto;</para>
      <para>- de handicap van eiseres en de beperkingen die zij</para>
      <para>daarvan ondervindt duidelijk zijn, zodat</para>
      <para>hieromtrent geen medisch advies hoefde te worden</para>
      <para>ingewonnen;</para>
      <para>- artikel 3.2, derde lid, van de Verordening niet</para>
      <para>bepaalt dat in afwijking van, maar in aanvulling</para>
      <para>op het collectief vervoerssysteem een andere</para>
      <para>vervoersvoorziening kan worden verstrekt;</para>
      <para>- het collectief vervoerssysteem een goedkopere</para>
      <para>voorziening is dan het verstrekken van individuele</para>
      <para>tegemoetkomingen;</para>
      <para>- in het onderhavige geval geen sprake is van</para>
      <para>bijzondere omstandigheden op grond waarvan de</para>
      <para>hardheidsclausule als bedoeld in artikel 8.1 van de</para>
      <para>Verordening zou moeten worden toegepast.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit van</para>
      <para>30 mei 1995 ingestelde beroep bij de thans aangevallen</para>
      <para>uitspraak van 13 augustus 1996 ongegrond verklaard. De</para>
      <para>rechtbank heeft daartoe met name overwogen dat gedaagde in het</para>
      <para>onderhavige geval op goede gronden heeft afgezien van het</para>
      <para>inschakelen van een medisch adviseur en dat, waar het</para>
      <para>gemeentebestuur ervoor gekozen heeft wat betreft</para>
      <para>vervoersvoorzieningen het primaat bij het collectief</para>
      <para>vervoerssysteem te leggen en niet is gebleken dat betrokkene</para>
      <para>daarvan geen gebruik zou kunnen maken, gedaagde terecht de</para>
      <para>aanvraag om vergoeding van de kosten van aanpassing van de</para>
      <para>eigen auto heeft afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is van de kant van appellanten in de eerste</para>
      <para>plaats aangevoerd dat de aan betrokkene aangeboden voorziening</para>
      <para>in de vorm van collectief vervoer geen verantwoorde</para>
      <para>voorziening als bedoeld in artikel 3 van de WVG is, nu de door</para>
      <para>haar gevraagde vergoeding op termijn voor de gemeente</para>
      <para>goedkoper is dan de kosten van collectief vervoer per persoon,</para>
      <para>terwijl de eerstgenoemde voorziening, in tegenstelling tot de</para>
      <para>tweede, geheel aan de behoefte van betrokkene voldoet. In</para>
      <para>ieder geval had gedaagde volgens de gemachtigde van</para>
      <para>appellanten aanleiding moeten zien om de hardheidsclausule van</para>
      <para>de Verordening toe te passen. Voorts is vanwege appellanten</para>
      <para>naar voren gebracht dat, ondanks het feit dat betrokkene niet</para>
      <para>heeft betwist dat zij gebruik kan maken van de aangeboden</para>
      <para>vervoersvoorziening, gedaagde niet had mogen nalaten medisch</para>
      <para>onderzoek te doen instellen naar betrokkenes</para>
      <para>vervoersmogelijkheden, aangezien zij feitelijk geen gebruik</para>
      <para>gemaakt heeft van het collectief vervoer. Tevens is van de</para>
      <para>kant van appellanten betoogd dat de in de Verordening</para>
      <para>opgenomen bepaling waarbij een inkomensgrens voor</para>
      <para>vervoersvoorzieningen is vastgesteld in strijd is met artikel</para>
      <para>26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en</para>
      <para>Politieke Rechten (IVBPR), omdat uit het door gedaagde</para>
      <para>gehanteerde handboek "Verstrekkingen Gehandicapten" zou</para>
      <para>blijken dat een aanvraag om aanpassing van de eigen auto</para>
      <para>categorisch wordt geweigerd aan gehandicapten met een inkomen</para>
      <para>onder die grens.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad beantwoordt de vraag of het bestreden besluit in</para>
      <para>rechte stand kan houden, evenals de rechtbank, bevestigend. De</para>
      <para>Raad kan zich in grote lijnen verenigen met de in de</para>
      <para>aangevallen uitspraak opgenomen overwegingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende de zijdens appellanten in hoger beroep aangevoerde</para>
      <para>grieven overweegt de Raad nog het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zoals de Raad al meermaals heeft overwogen, bijvoorbeeld in</para>
      <para>zijn uitspraak van 29 oktober 1996 (RSV 1997/67), komt het</para>
      <para>gemeentebestuur de ruimte toe om naar eigen inzicht invulling</para>
      <para>te geven aan de hem ingevolge de artikelen 2 en 3 opgedragen</para>
      <para>taak om te zorgen voor verantwoorde (vervoers)voorzieningen</para>
      <para>voor ter plaatse wonende gehandicapten. Met het in voormelde</para>
      <para>bepalingen aangegeven globale kader is niet in strijd dat,</para>
      <para>gelijk het gemeentebestuur van Franekeradeel in hoofdstuk 3</para>
      <para>van de Verordening heeft gedaan, prioriteit wordt gegeven aan</para>
      <para>deelname aan een systeem van collectief vervoer, in die zin</para>
      <para>dat andere vormen van vervoersvoorzieningen slechts worden</para>
      <para>toegekend als hetzij ter plaatse een collectief</para>
      <para>vervoerssysteem ontbreekt, hetzij het gebruik daarvan voor een</para>
      <para>gehandicapte als gevolg van ziekte of gebrek onmogelijk is,</para>
      <para>hetzij bij wijze van aanvulling op collectief vervoer. Het</para>
      <para>ontgaat de Raad in dit verband niet dat, gegeven de keus om</para>
      <para>een collectief vervoerssysteem op te zetten, er voor het</para>
      <para>gemeentebestuur, met het oog op handhaving van het financiële</para>
      <para>draagvlak van een dergelijk stelsel, een aanzienlijk belang in</para>
      <para>is gelegen dat van de gehandicapten, die voor een</para>
      <para>vervoersvoorziening in aanmerking komen, er zoveel mogelijk</para>
      <para>aan het collectief vervoer deelnemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien, zoals in casu, vaststaat dat een gehandicapte in staat</para>
      <para>is gebruik te maken van een beschikbaar collectief</para>
      <para>vervoerssysteem, vermag de Raad - anders dan vanwege</para>
      <para>appellanten is betoogd - niet in te zien dat het enkele feit</para>
      <para>dat de kosten van een door de betrokkene gewenste andere</para>
      <para>vervoersvoorziening lager zijn dan die van de (tot de</para>
      <para>individuele deelnemer herleide) kosten van het collectief</para>
      <para>vervoerssysteem - wat daar overigens in dit geval feitelijk van</para>
      <para>zij - zou meebrengen dat deelname aan het collectief vervoer</para>
      <para>geen verantwoorde voorziening in de zin van artikel 3 van de</para>
      <para>WVG is, dan wel ertoe had moeten nopen om de hardheidsclausule</para>
      <para>van de Verordening toe te passen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betreffende de van de zijde van appellanten geponeerde</para>
      <para>stelling dat gedaagde niet had mogen nalaten om een medisch</para>
      <para>onderzoek naar de vervoersmogelijkheden van betrokkene in te</para>
      <para>stellen, volstaat de Raad met de opmerking dat niet is staande</para>
      <para>te houden dat gedaagde in casu daartoe verplicht was, nu</para>
      <para>gedaagde de door betrokkene aangegeven beperkingen van</para>
      <para>medische aard onverkort als uitgangspunt van zijn beoordeling</para>
      <para>heeft genomen en er tussen partijen geen verschil van mening</para>
      <para>over bestaat dat betrokkene tot deelname aan het collectief</para>
      <para>vervoer in staat was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd</para>
      <para>overweegt de Raad ten slotte dat hem geenszins is</para>
      <para>gebleken dat de in casu toegepaste wettelijke bepalingen tot</para>
      <para>een door artikel 26 van het IVBPR verboden onderscheid hebben</para>
      <para>geleid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt de conclusie dat het bestreden</para>
      <para>besluit in rechte stand kan houden en dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt mitsdien als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>III. BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr Th.M. Schelfhout als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 21 november 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) M. Nieuwenhuis.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>EB/RH</para>
      <para>2111</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>