<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7375</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T20:08:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7375</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6660</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-12-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/9843 AAWAO, 96/3555 AAWAO, 96/3858 AAWAO;96/11324 AAWAO, 96/11325 AAWAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:6&amp;g=1997-12-18">Algemene wet bestuursrecht 4:6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1998, 124 met annotatie van H.E. Bröring</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1998/40 met annotatie van mr. E.C.H.J. van der Linden</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7375">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7375</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7375 Centrale Raad van Beroep , 18-12-1997 / 96/9843 AAWAO, 96/3555 AAWAO, 96/3858 AAWAO;96/11324 AAWAO, 96/11325 AAWAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7375:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Malus; verzoek om terug te komen op eerdere rechtens onaantastbare</para>
        <para> beslissingen; toetsingskader.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7375:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>96/9843 AAWAO</para>
      <para>96/3555 AAWAO en 96/3858 AAWAO</para>
      <para>96/11324 AAWAO en 96/11325 AAWAO</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>O.</para>
      <para>U I T S P R A A K</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. X B.V.,</para>
      <para>appellante 1, hierna aan te duiden als X;</para>
      <para>2. Y B.V.,</para>
      <para>appellante 2, hierna aan te duiden als Y;</para>
      <para>3. Z B.V.,</para>
      <para>appellante 3, hierna aan te duiden als Z,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv)</para>
      <para>in de plaats van de betrokken bedrijfsverenigingen. In de</para>
      <para>onderhavige gedingen is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging, de Bedrijfsvereniging</para>
      <para>voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen en de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen,</para>
      <para>Groothandel en Vrije Beroepen.</para>
      <para>In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van deze bedrijfsverenigingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft ten aanzien van X bij besluit van 19</para>
      <para>oktober 1995, ten aanzien van Y bij besluiten van 26</para>
      <para>oktober 1994 en 29 juni 1995 en ten aanzien van Z bij</para>
      <para>besluiten van 27 oktober 1995 en 7 december 1995 mededeling</para>
      <para>gedaan dat de verzoeken van appellanten om terug te komen van</para>
      <para>een reeds in rechte vaststaande beslissing waarbij aan</para>
      <para>appellanten op grond van artikel 59i van de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet zoals die bepaling ten tijde hier</para>
      <para>van belang luidde, een geldelijke bijdrage is opgelegd, worden</para>
      <para>geweigerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbanken te Haarlem en Breda hebben de</para>
      <para>beroepen van X en Z bij uitspraken van</para>
      <para>respectievelijk 4 oktober 1996 en 8 oktober 1996, ongegrond</para>
      <para>verklaard. Ten aanzien van Y heeft de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Zutphen bij uitspraak van</para>
      <para>29 februari 1996 het beroep tegen het besluit van</para>
      <para>26 oktober 1994 ongegrond verklaard en het beroep tegen</para>
      <para>besluit van 29 juni 1995 niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens X is drs A.F. Koelewijn, belastingadviseur te</para>
      <para>Amstelveen, namens Y is mr A.A.F. Talitsch, advocaat</para>
      <para>te Dordrecht, en namens Z is mr A.C. Siemons, advocaat</para>
      <para>te Amsterdam, van die uitspraken bij de Raad in hoger beroep</para>
      <para>gekomen. Bij aanvullende beroepschriften van verschillende</para>
      <para>data zijn de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij brieven van respectievelijk van 24 juni</para>
      <para>1997, 5 september 1996 en 17 april 1997 van verweer gediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens Y heeft mr Talitsch de Raad nog twee brieven</para>
      <para>d.d. 9 juli 1997, met bijlage, en d.d. 22 september 1997 doen</para>
      <para>toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn, gevoegd met de zaak 96/11528 AAWAO,</para>
      <para>behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 2 oktober 1997,</para>
      <para>waar X niet is verschenen. Y heeft zich doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr Talitsch voornoemd. Z is</para>
      <para>verschenen bij haar gemachtigde mr Siemons voornoemd. Gedaagde</para>
      <para>heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door drs</para>
      <para>M.P.W. Wiertz, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en mr W.P.J.M.</para>
      <para>van Gestel, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V..</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze gedingen betreffen verzoeken om terug te komen van</para>
      <para>eerdere malusopleggingen. In deze gedingen hebben de</para>
      <para>appellanten geen beroep ingesteld tegen de oorspronkelijke</para>
      <para>beslissing waarbij de malus werd opgelegd. Pas nadat die</para>
      <para>beslissingen in rechte onaantastbaar waren geworden, hebben</para>
      <para>zij zich tot gedaagde gewend met het verzoek om terug te komen</para>
      <para>van de eerdere malusoplegging. De gronden waarop dat verzoek</para>
      <para>berust, zijn de volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens X is aangevoerd dat bij haar het vertrouwen is</para>
      <para>gewekt dat de opgelegde malusbeslissing ingetrokken zou</para>
      <para>worden. Dit vertrouwen zou zijn gewekt door een brief van de</para>
      <para>voor de administrateur van gedaagde werkzame accountmanager</para>
      <para>drs J.W.A.M. Fraza d.d. 15 juli 1994. In die brief komt de</para>
      <para>volgende passage voor:</para>
      <para>"Wij nemen aan dat het mogelijk niet verschuldigd</para>
      <para>zijn van de malus op grond van toekomstige</para>
      <para>jurisprudentie met zich brengt dat in de door u</para>
      <para>gesignaleerde gevallen overeenkomstig wordt</para>
      <para>gehandeld. Mocht blijken dat de malussen ten</para>
      <para>onrechte zijn opgelegd, dan zal het feit dat u geen</para>
      <para>beroep heeft doen instellen geen argument mogen</para>
      <para>vormen voor de conclusie dat deze niettemin</para>
      <para>verschuldigd zijn. Overigens zullen wij ons richten</para>
      <para>naar hetgeen de toezichtskamer van de SVR t.a.v.</para>
      <para>deze problematiek als oordeel zal uitspreken."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens Y is aangevoerd dat bij de malusoplegging</para>
      <para>gedaagde er ten onrechte van is uitgegaan dat Y aan de</para>
      <para>werknemer waarop de malusbeslissing betrekking had, geen</para>
      <para>passend werk had aangeboden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens Z is - kort samengevat - aangevoerd dat de grond</para>
      <para>voor gedaagde om terug te komen van de eerdere malusoplegging</para>
      <para>niet zo zeer gelegen is in het feit dat de Raad eerder een</para>
      <para>principieel oordeel heeft gegeven over de malusoplegging als</para>
      <para>zodanig, doch dat uit die uitspraak blijkt dat er zodanige</para>
      <para>gebreken aan de malusbesluiten kleven dat de</para>
      <para>uitvoeringsinstellingen in redelijkheid niet kunnen weigeren</para>
      <para>terug te komen op die besluiten. Daarbij speelt in de visie</para>
      <para>van Z met name een rol dat de</para>
      <para>standaard-malusopleggingen aan geen van de door de Raad</para>
      <para>gestelde eisen voldeden en dat daardoor fundamentele rechten</para>
      <para>werden geschonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgangspunt is dat de inhoud van inmiddels tot stand gekomen</para>
      <para>jurisprudentie op zichzelf geen grond vormt voor het</para>
      <para>doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van besluiten</para>
      <para>waartegen geen beroep bij de rechter is ingesteld, of die</para>
      <para>gezien het resultaat van een wel bij de rechter gevolgde</para>
      <para>rechtsgang in rechte onaantastbaar zijn geworden. Naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad wordt dit niet anders indien in die</para>
      <para>jurisprudentie gewezen is op een mogelijke schending van</para>
      <para>fundamentele rechten. De reden voor deze beperking van de</para>
      <para>mogelijkheid om alsnog het eerdere besluit door de rechter</para>
      <para>beoordeeld te krijgen, is gelegen in het uitgangspunt dat een</para>
      <para>belanghebbende binnen de daarvoor geldende beroepstermijn bij</para>
      <para>de rechter in beroep kan komen tegen een besluit, doch dat na</para>
      <para>ommekomst van die termijn of nadat in die rechtsgang tot een</para>
      <para>eindresultaat is gekomen, het (potentiële) geschil geëindigd</para>
      <para>is (lites finiri oportet).</para>
      <para>Het voorgaande neemt niet weg dat een bestuursorgaan indien</para>
      <para>het geen toepassing kan of wil geven aan artikel 4:6, tweede</para>
      <para>lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), bevoegd</para>
      <para>is om op aanvraag van een belanghebbende terug te komen van</para>
      <para>een eerder in rechte onaantastbaar geworden besluit, indien</para>
      <para>daardoor geen rechten van derden worden geschonden, en zo een</para>
      <para>terugkomen niet expliciet is verboden. Het bestuursorgaan kan</para>
      <para>zulks echter ook weigeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient een dergelijke</para>
      <para>weigering te worden geëerbiedigd, tenzij aan het eerdere</para>
      <para>besluit dusdanige gebreken kleven dan wel zich dusdanige</para>
      <para>omstandigheden hebben voorgedaan, dat het bestuursorgaan in</para>
      <para>redelijkheid niet had mogen weigeren dat eerdere besluit</para>
      <para>ongedaan te maken. Daarbij ligt het op de weg van de</para>
      <para>betrokkene die van het bestuursorgaan verlangt dat het</para>
      <para>terugkomt van een rechtens onaantastbaar geworden besluit,</para>
      <para>feiten of omstandigheden aan te dragen, die bij de eerdere</para>
      <para>besluitvorming geen rol hebben gespeeld en evenmin destijds</para>
      <para>als beroepsgrond naar voren had kunnen worden gebracht dan wel</para>
      <para>de evidente onjuistheid van dat besluit aan te tonen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad heeft geen van de appellanten aan</para>
      <para>dit vereiste voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De grief van Z dat bij de malusoplegging in strijd is</para>
      <para>gehandeld met fundamentele rechten, had, onder gebruikmaking</para>
      <para>van de in de wet gegeven beroepsmogelijkheden, destijds</para>
      <para>voorgelegd kunnen worden aan de rechter. De ernst van de grief</para>
      <para>is naar het oordeel van de Raad niet van invloed op de</para>
      <para>handhaving van het uitgangspunt van het bestuursprocesrecht</para>
      <para>dat slechts binnen de wettelijke beroepstermijn opgekomen kan</para>
      <para>worden tegen besluiten. Om die reden moet het beroep van</para>
      <para>Z falen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Om dezelfde reden kan ook het beroep van Y niet</para>
      <para>slagen. De stelling dat bij de malusoplegging gedaagde er ten</para>
      <para>onrechte van is uitgegaan dat Y aan de werknemer</para>
      <para>waarop de malusbeslissing betrekking had, geen passend werk</para>
      <para>zou hebben aangeboden, had in een geschil naar aanleiding van</para>
      <para>de malusoplegging aan de orde kunnen komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van X op het vertrouwen dat is gewekt met de</para>
      <para>hiervoor geciteerde passage uit een brief van gedaagde aan de</para>
      <para>gemachtigde van X kan evenmin slagen. De Raad kan zich</para>
      <para>verenigen met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft</para>
      <para>overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep inzake X is</para>
      <para>aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de</para>
      <para>inhoud van deze brief niet gedragsbepalend is geweest. De</para>
      <para>brief is geschreven nadat de beroepstermijn al was verstreken,</para>
      <para>zodat X al zijn processuele bevoegdheden prijs had</para>
      <para>gegeven. Voorts is de Raad van oordeel dat de inhoud van de</para>
      <para>brief onvoldoende onvoorwaardelijk is om relevant vertrouwen</para>
      <para>te wekken. Met name de verwijzing naar het standpunt van de</para>
      <para>Toezichtskamer van de SVR vormt een in dit verband relevant</para>
      <para>voorbehoud.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenstaande komen de aangevallen uitspraken voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gelet op het vorenstaande moet als volgt worden beslist.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter, mr</para>
      <para>G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 18 december 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>501</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>