<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7331</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:34:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7331</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-11-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/6900 AW, 96/6919 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1997-11-27">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1998/24 met annotatie van P.L. de Vos</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7331">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7331</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7331 Centrale Raad van Beroep , 27-11-1997 / 96/6900 AW, 96/6919 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7331:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Reorganisatieontslag. Herplaatsing niet mogelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7331:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/6900 AW en 96/6916 AW                     O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.], appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente</para>
      <para>Rotterdam, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de op 20</para>
      <para>juni 1996 onder de nrs. 93/404-G6 en 95/487-G6 door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Rotterdam gegeven uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Voorts zijn</para>
      <para>van de kant van gedaagde desgevraagd nog enkele stukken</para>
      <para>ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para>23 oktober 1997. Aldaar is appellant, daartoe ambtshalve</para>
      <para>opgeroepen, in persoon verschenen, bijgestaan door mr L.J.G.</para>
      <para>Voorn, advocaat te Amsterdam, als zijn raadsman. Gedaagde</para>
      <para>heeft zich, daartoe ambtshalve opgeroepen, doen</para>
      <para>vertegenwoordigen bij gemachtigde mr J.W.M. Velthuizen,</para>
      <para>werkzaam bij de Stafafdeling Juridische Zaken van de gemeente</para>
      <para>Rotterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(hierna: Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet</para>
      <para>1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet</para>
      <para>gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het</para>
      <para>procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op een</para>
      <para>hoger beroep dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover</para>
      <para>de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet</para>
      <para>worden toegepast. De in het kader van evengenoemde</para>
      <para>wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen</para>
      <para>overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in</para>
      <para>te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn</para>
      <para>bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen</para>
      <para>tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het</para>
      <para>recht van toepassing blijft zoals het gold vóór dat tijdstip</para>
      <para>van toepassing blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer</para>
      <para>uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten</para>
      <para>volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant was laatstelijk werkzaam in de functie van eerste</para>
      <para>medewerker Financiële en Administratieve Zaken bij het</para>
      <para>Gemeentelijk Woningbedrijf Rotterdam (GWR). Bij een in 1990 in</para>
      <para>gang gezette reorganisatie van het GWR is appellants functie</para>
      <para>opgeheven en is aan appellant de zogenoemde C-status</para>
      <para>toegekend, hetgeen inhield dat hij met voorrang kon</para>
      <para>solliciteren naar vacatures binnen het bedrijf. Na een niet</para>
      <para>geslaagde sollicitatie naar de functie van senior medewerker</para>
      <para>administratie heeft appellant bij schrijven van 25 juli 1990</para>
      <para>te kennen gegeven voor een plaatsing buiten het GWR of buiten</para>
      <para>de gemeente Rotterdam in aanmerking te willen komen en met het</para>
      <para>oog op deze herplaatsing is appellant aangemeld bij het</para>
      <para>projectbureau Herplaatsing. Appellant heeft zich op 7 december</para>
      <para>1990 ziek gemeld en is op 28 juni 1993 weer arbeidsgeschikt</para>
      <para>geacht. Na zijn periode van arbeidsongeschiktheid is appellant</para>
      <para>voor de tweede keer bij het bureau Herplaatsing gemeld.</para>
      <para>Bij op bezwaar genomen besluit van 5 augustus 1993 van</para>
      <para>gedaagde is de bezoldiging van appellant ingaande 1 juli 1992</para>
      <para>verminderd tot tachtig procent en bij besluit van 23 december</para>
      <para>1994 heeft gedaagde onder ongegrondverklaring van door</para>
      <para>appellant ingebrachte bezwaren tegen een door de directeur van</para>
      <para>het GWR op 18 februari 1994 genomen besluit, appellant op</para>
      <para>grond van het bepaalde in artikel 89 van het</para>
      <para>Ambtenarenreglement der Gemeente Rotterdam (hierna: het</para>
      <para>Ambtenarenreglement) ontslag uit gemeentedienst verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de namens</para>
      <para>appellant tegen beide besluiten ingestelde beroepen ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad staat nu voor beantwoording van de vraag of de</para>
      <para>bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij overweegt met betrekking tot het besluit tot vermindering</para>
      <para>van appellants bezoldiging tot tachtig procent, het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 55 van het Ambtenarenreglement bepaalt dat een</para>
      <para>ambtenaar die wegens ziekte is verhinderd zijn betrekking te</para>
      <para>vervullen over de kalendermaand waarin de verhindering is</para>
      <para>ontstaan en over de daarop volgende achttien kalendermaanden</para>
      <para>de aan zijn betrekking verbonden bezoldiging geniet en daarna</para>
      <para>tachtig procent van die bezoldiging.</para>
      <para>De Raad stelt vast dat ingaande 1 juli 1992 genoemde periode</para>
      <para>van 18 maanden ten aanzien van appellant was verstreken, zodat</para>
      <para>zijn recht op bezoldiging ingevolge het bepaalde in genoemd</para>
      <para>artikel met ingang van die datum tot tachtig procent is</para>
      <para>beperkt, tenzij zich de in artikel 56, aanhef en onder b, van</para>
      <para>het Ambtenarenreglement genoemde omstandigheid voordoet dat de</para>
      <para>oorzaak van de ziekte in overwegende mate is gelegen in de</para>
      <para>aard van de werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden</para>
      <para>waaronder deze moesten worden verricht. Evenals de rechtbank</para>
      <para>en onder verwijzing naar hetgeen terzake in de aangevallen</para>
      <para>uitspraak is overwogen, is de Raad van oordeel dat onvoldoende</para>
      <para>is gebleken dat de in artikel 56, aanhef en onder b, van het</para>
      <para>Ambtenarenreglement bedoelde omstandigheid zich ten aanzien</para>
      <para>van appellant heeft voorgedaan. De van de zijde van appellant</para>
      <para>in dit verband aangevoerde omstandigheid dat in het geval van</para>
      <para>appellant sprake was van situationele arbeidsongeschiktheid,</para>
      <para>die door toedoen van de werkgever was gecreëerd, laat in de</para>
      <para>gegeven situatie toepassing van hetgeen is bepaald in artikel</para>
      <para>55 van het Ambtenarenreglement onverlet. De aangevallen</para>
      <para>uitspraak voor zover betrekking hebbend op het besluit van</para>
      <para>gedaagde van 5 augustus 1993 komt gezien het vorenstaande voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt met betrekking tot het besluit van gedaagde</para>
      <para>aan appellant ontslag te verlenen wegens opheffing van zijn</para>
      <para>betrekking als bedoeld in artikel 89 van het</para>
      <para>Ambtenarenreglement het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de gedingstukken en het behandelde ter zitting is</para>
      <para>voor de Raad genoegzaam komen vast te staan dat de functie van</para>
      <para>eerste medewerker Financiële en Administratieve Zaken van het</para>
      <para>GWR in het kader van de aldaar plaats gehad hebbende</para>
      <para>reorganisatie is komen te vervallen; zulks wordt van de zijde</para>
      <para>van appellant ook niet betwist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mitsdien komt aan gedaagde op grond van het bepaalde in</para>
      <para>artikel 89, eerste lid, van het Ambtenarenreglement de</para>
      <para>bevoegdheid toe aan appellant ontslag te verlenen, welke</para>
      <para>bevoegdheid gedaagde aan de directeur GWR heeft gemandateerd.</para>
      <para>In de omstandigheid dat deze directeur in het besluit van 18</para>
      <para>februari 1994 niet tot uitdrukking heeft gebracht dat genoemd</para>
      <para>besluit door hem in mandaat is genomen ziet de Raad geen grond</para>
      <para>tot vernietiging van het thans in geding zijnde besluit van</para>
      <para>gedaagde te besluiten, teminder nu de beslissing op het namens</para>
      <para>appellant tegen genoemd besluit ingediende bezwaar is genomen</para>
      <para>door gedaagde als mandaatgever en aldus het vorengenoemde</para>
      <para>gebrek afdoende is gecorrigeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge het vierde lid van artikel 89 van het</para>
      <para>Ambtenarenreglement wordt een ontslag als in het eerste lid</para>
      <para>van genoemd artikel bedoeld in de regel eerst verleend indien</para>
      <para>het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om</para>
      <para>de betrokken ambtenaar een andere voor hem passende betrekking</para>
      <para>op te dragen. Naar het oordeel van de Raad rust op grond van</para>
      <para>genoemd artikellid op gedaagde de verplichting om zich in te</para>
      <para>spannen voor herplaatsing van een in het kader van een</para>
      <para>reorganisatie met ontslag bedreigde ambtenaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toetsing van het thans voorliggende ontslagbesluit spitst</para>
      <para>zich dientengevolge toe op de vraag of de inspanningen welke</para>
      <para>gedaagde zich heeft getroost om betrokkene te herplaatsen,</para>
      <para>voldoen aan de daaraan ingevolge artikel 89, vierde lid, van</para>
      <para>het Ambtenarenreglement te stellen eisen. De Raad beantwoordt</para>
      <para>deze vraag ontkennend en overweegt daartoe dat hoewel gedaagde</para>
      <para>in het algemeen een grote eigen verantwoordelijkheid bij het</para>
      <para>vinden van een passende betrekking legt bij de</para>
      <para>herplaatsingskandidaten zelf en appellant onmiskenbaar van een</para>
      <para>weinig aktieve en coöperatieve houding heeft blijk gegeven,</para>
      <para>gedaagde hiermee niet van de op hem ingevolge artikel 89,</para>
      <para>vierde lid, van het Ambtenarenreglement rustende verplichting</para>
      <para>is ontheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is de Raad gebleken dat gedaagde appellant op de hoogte</para>
      <para>heeft gesteld van vacatures, waarvoor hij met voorrang in</para>
      <para>aanmerking zou kunnen komen en dat appellant van de zijde van</para>
      <para>gedaagde weliswaar tot tweemaal toe, te weten vóór en na zijn</para>
      <para>periode van arbeidsongeschiktheid, is aangemeld bij het bureau</para>
      <para>Herplaatsing van de gemeente, maar dat van een daadwerkelijk</para>
      <para>aanbod van een passende betrekking door gedaagde in het geheel</para>
      <para>geen sprake is geweest terwijl evenmin is gebleken dat</para>
      <para>gedaagde - met name na 28 juni 1993 - nog heeft gezocht naar</para>
      <para>mogelijke passende functies voor appellant. De Raad kan de</para>
      <para>door gedaagde ten behoeve van appellant verrichte</para>
      <para>herplaatsingsactiviteiten dan ook niet als voldoende</para>
      <para>kwalificeren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande kan het ontslag, zoals vervat in het</para>
      <para>besluit van 23 december 1994 niet in stand blijven. In de</para>
      <para>gegeven omstandigheden ziet de Raad voorts aanleiding om met</para>
      <para>toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb ook het</para>
      <para>daaraan ten grondslag liggende primaire besluit te</para>
      <para>vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van appellant is het verzoek gedaan de gemeente</para>
      <para>Rotterdam met toepassing van artikel 8:73 van de Awb te</para>
      <para>veroordelen tot vergoeding van immateriële schade die door</para>
      <para>appellant is geleden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek betreffende immateriële schade is gebaseerd op</para>
      <para>door appellant ten gevolge van de onderhavige ontslagprocedure</para>
      <para>doorgemaakte spanningen en slapeloze nachten. De Raad</para>
      <para>overweegt hieromtrent dat hij, volgens vaste jurisprudentie</para>
      <para>bij een verzoek om schadevergoeding als het onderhavige</para>
      <para>aansluiting zoekt bij het civielrechtelijke</para>
      <para>schadevergoedingsrecht, in dit verband met name bij het</para>
      <para>bepaalde in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van</para>
      <para>het Burgerlijk Wetboek. De Raad overweegt dat hem niet is</para>
      <para>gebleken van als aantasting van appellants persoon aan te</para>
      <para>merken geestelijk letsel waaraan hij aanspraak op vergoeding</para>
      <para>van immateriële schade kan ontlenen. De Raad verwijst hierbij</para>
      <para>naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995,</para>
      <para>gepubliceerd in RvdW 1995, 29c.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet wel aanleiding gedaagde met toepassing van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van</para>
      <para>appellant, welke zijn begroot op f 1.420,- als kosten van</para>
      <para>verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op f 1.420,- als</para>
      <para>kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Van</para>
      <para>andere op grond van evengenoemd artikel voor vergoeding in</para>
      <para>aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Al het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat moet worden</para>
      <para>beslist als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover betrekking</para>
      <para>hebbend op het beroep van appellant gericht tegen het besluit</para>
      <para>van 23 december 1994;</para>
      <para>Verklaart het inleidende beroep gericht tegen het besluit van</para>
      <para>23 december 1994 alsnog gegrond en vernietigt gedaagdes</para>
      <para>besluit van 23 december 1994 alsmede het daaraan ten grondslag</para>
      <para>liggende primaire besluit van 18 februari 1994;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:73 van de Awb</para>
      <para>af;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een</para>
      <para>bedrag groot f 2.840,- te betalen door de gemeente Rotterdam;</para>
      <para>Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellant de door hem</para>
      <para>betaalde griffierechten van f 350,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr</para>
      <para>W.D.M. van Diepenbeek en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr A.W.M. van Bommel als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 27 november 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(get.) A.W.M. van Bommel.</para>
      <para>HD</para>
      <para>10.11</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>