<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7330</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:35:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7330</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/6469 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:8&amp;g=1997-12-04">Algemene wet bestuursrecht 6:8</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:41&amp;g=1997-12-04">Algemene wet bestuursrecht 3:41</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1998/26</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1998/39</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7330">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7330</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-05-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7330 Centrale Raad van Beroep , 04-12-1997 / 96/6469 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7330:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bekendmaking door middel van toezending cq uitreiking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7330:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/6469 AW                                      O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A  te B, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>'s-Hertogenbosch, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep doen instellen tegen (een onderdeel van) de</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 10 juni</para>
      <para>1996 onder nr. AW 93/340 en AWB 94/4939 AW gegeven uitspraak,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder overlegging van een verklaring van PTT-post is namens</para>
      <para>appellante op dat verweerschrift gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is vervolgens nog een reactie gegeven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 30 oktober 1997, waar</para>
      <para>namens appellante is verschenen mr C.M.H.T. Fleurkens,</para>
      <para>regiojuriste van de ABVAKABO, en waar gedaagde zich heeft laten</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr G.J. Mulder, werkzaam bij de gemeente</para>
      <para>'s-Hertogenbosch.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat</para>
      <para>de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde</para>
      <para>feiten en omstandigheden.</para>
      <para>Aan appellante, destijds ambtenaar bij de gemeente</para>
      <para>X, is bij besluit van gedaagde van 11 januari 1994</para>
      <para>ontslag verleend. Dit ontslagbesluit is appellante op vrijdag 14</para>
      <para>januari 1994 bij aangetekende brief toegezonden onder mededeling</para>
      <para>van de mogelijkheid van het maken van bezwaar "binnen zes weken</para>
      <para>na de bekendmaking". Op maandag 17 januari 1994 is deze brief</para>
      <para>door appellante ontvangen. Namens appellante is bij aangetekende</para>
      <para>brief van 28 februari 1994, door gedaagde ontvangen op 1 maart</para>
      <para>1994, bezwaar gemaakt tegen het ontslagbesluit. Gedaagde heeft</para>
      <para>appellante in haar bezwaar ontvangen en, bij besluit van 2 juni</para>
      <para>1994, een inhoudelijke beslissing op bezwaar genomen. Bij haar</para>
      <para>bovenvermelde uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van</para>
      <para>belang, het beroep tegen dat besluit gegrond verklaard, dat</para>
      <para>besluit vernietigd, zelf in de zaak voorziende als bedoeld in</para>
      <para>artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
      <para>appellante alsnog niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar</para>
      <para>wegens termijnoverschrijding, en een bepaling gegeven over</para>
      <para>vergoeding aan appellante van het door haar betaalde</para>
      <para>griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante kan zich met (dit onderdeel van) deze uitspraak niet</para>
      <para>verenigen. Zij is van mening dat het ontslagbesluit van 11</para>
      <para>januari 1994 aan haar is bekendgemaakt - als bedoeld in artikel</para>
      <para>3:41, eerste lid, van de Awb  - op 17 januari 1994, zodat de -</para>
      <para>met toepassing van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vast te</para>
      <para>stellen - dag met ingang waarvan de bezwaartermijn van zes weken</para>
      <para>aanvangt, 18 januari 1994 is en het einde van die termijn op 28</para>
      <para>februari 1994 valt (de dag waarop door haar het bezwaarschrift</para>
      <para>is verzonden). Naar appellantes opvatting is hier sprake van een</para>
      <para>besluit dat is bekendgemaakt door toezending én door uitreiking,</para>
      <para>in welk geval de voorrang gegeven zou moeten worden aan de</para>
      <para>bekendmaking door uitreiking, omdat dan het dichtst gebleven</para>
      <para>wordt bij het uitgangspunt van de wetgever dat door de</para>
      <para>bekendmaking de belanghebbende op de hoogte is van het besluit</para>
      <para>welke laatste omstandigheid bepalend moet worden geacht voor de</para>
      <para>aanvang van de (bezwaar)termijn.</para>
      <para>Appellante doet geen beroep op omstandigheden op grond waarvan</para>
      <para>geoordeeld zou kunnen worden dat zij terzake van</para>
      <para>termijnoverschrijding niet in verzuim is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de orde is aldus de uitleg van het bepaalde in artikel 6:8,</para>
      <para>eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 3:41, eerste</para>
      <para>lid, van de Awb. De Raad overweegt daaromtrent als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de tekst van de wet heeft de wetgever in de Awb een</para>
      <para>onderscheid gemaakt tussen het bekendmaken door middel van</para>
      <para>toezending en de bekendmaking door middel van uitreiking. Bij</para>
      <para>bekendmaking door toezending is de datum van toezending bepalend</para>
      <para>voor het tijdstip waarop de (bezwaar)termijn gaat lopen. Als</para>
      <para>datum van toezending per post geldt de datum waarop het stuk ter</para>
      <para>verzending aan de PTT is aangeboden en ten bewijze waarvan de PTT</para>
      <para>dat stuk van een datumstempel voorziet. Dat een aangetekend</para>
      <para>verzonden stuk door de PTT aan de geadresseerde wordt uitgereikt,</para>
      <para>leidt er niet toe dat in dat geval als datum van bekendmaking zou</para>
      <para>moeten worden aangemerkt de dag waarop de postbode het stuk heeft</para>
      <para>aangeboden (uitgereikt); ook bij niet-aangetekende toezending per</para>
      <para>post is niet de dag van postbestelling - eventueel door</para>
      <para>uitreiking door de postbode - maar die van verzending bepalend</para>
      <para>voor de aanvang van de termijn. Een andersluidende opvatting zou</para>
      <para>er voorts toe leiden dat een belanghebbende, bijvoorbeeld door</para>
      <para>een aangetekend verzonden stuk niet in ontvangst te nemen, het</para>
      <para>tijdstip van aanvang van de (bezwaar)termijn zou kunnen</para>
      <para>beïnvloeden. Voor de namens appellante bepleite gelijkstelling</para>
      <para>van aanbieding (uitreiking) door de PTT van een per aangetekende</para>
      <para>post toegezonden stuk met uitreiking anders dan in geval van</para>
      <para>toezending, ziet de Raad in (het syteem van) de Awb en ook in de</para>
      <para>geschiedenis van de totstandkoming daarvan en de daarop</para>
      <para>verschenen literatuur geen aanknopingspunten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van appellante op artikel 3:37, derde lid, van het</para>
      <para>Burgerlijk Wetboek in verbinding met artikel 3:59 van dat wetboek</para>
      <para>wordt verworpen reeds op grond van de vaststelling dat de</para>
      <para>wetgever in de Awb een eigen sluitend stelsel van procedurele</para>
      <para>bepalingen betreffende bezwaar heeft opgenomen met inbegrip van</para>
      <para>bepalingen over het begin en einde van de bezwaartermijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van dit voorgaande komt de Raad tot het oordeel dat de</para>
      <para>aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging</para>
      <para>in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de Raad in de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig acht</para>
      <para>om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de</para>
      <para>Awb, leidt het voorgaande tot de conclusie dat moet worden</para>
      <para>beslist als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter, en mr</para>
      <para>W.D.M. van Diepenbeek en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 4 december 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>25.11</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>