<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7317</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:09:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7317</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-11-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/2521 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 226</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1998/37 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7317">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7317</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7317 Centrale Raad van Beroep , 12-11-1997 / 94/2521 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7317:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7317:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>O.</para>
      <para>94/2521 AOW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 13 februari 1992 heeft gedaagde appellante in</para>
      <para>kennis gesteld van een besluit inzake vrijstelling van de</para>
      <para>verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen (AOW,</para>
      <para>AWW, AKW en AAW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 4 augustus 1994 het tegen dit besluit gerichte beroep</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep van appellante strekt tot vernietiging van</para>
      <para>deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op 28 februari 1995 een verweerschrift</para>
      <para>ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij brief van 2 juli 1997 vragen vanwege de</para>
      <para>Raad, gesteld bij brief van 27 juni 1997, beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para>1 oktober 1997. Appellante is daar verschenen bij</para>
      <para>gemachtigde, haar echtgenoot C. Gedaagde is</para>
      <para>vertegenwoordigd door mr H.S. van Zanten en mr B.T.S.J.</para>
      <para>Maarschalkerweerd, beiden werkzaam bij de Sociale</para>
      <para>Verzekeringsbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar rubriek</para>
      <para>II van de aangevallen uitspraak.</para>
      <para>Het bestreden besluit houdt in de weigering om appellante naar</para>
      <para>aanleiding van haar op 1 september 1989 ingediende verzoek</para>
      <para>vrij te stellen van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen.</para>
      <para>Dit besluit berust op artikel 24, lid 2, onder b, van het</para>
      <para>Besluit uitbreiding kring verzekerden volksverzekeringen 1989,</para>
      <para>inhoudende dat in het geval dat de betrokkene zowel een</para>
      <para>Nederlandse als een buitenlandse sociale zekerheidsuitkering</para>
      <para>ontvangt, vrijstelling wordt verleend indien het totaal van</para>
      <para>die uitkeringen tenminste 70% van het wettelijk minimumloon</para>
      <para>bedraagt en de buitenlandse uitkering tenminste gelijk is aan</para>
      <para>de Nederlandse.</para>
      <para>Gedaagde heeft vastgesteld dat, berekend over de periode van 1</para>
      <para>januari 1987 tot 1 januari 1992, het totaalbedrag van de door</para>
      <para>appellante ontvangen uitkering ingevolge de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Duitse uitkering</para>
      <para>wegens Erwerbsunfähigkeit minder is dan 70% van evengenoemd</para>
      <para>wettelijk minimumloon; de door gedaagde in dat verband</para>
      <para>uitgevoerde berekening is aan deze uitspraak gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de gedingstukken behorende tot de behandeling van het</para>
      <para>beroep in eerste aanleg is door partijen in het geding</para>
      <para>betrokken de vraag of de in het bestreden besluit besloten</para>
      <para>liggende bevestigende beantwoording van de vraag of appellante</para>
      <para>aan de Nederlandse wetgeving onderworpen is, op voldoende</para>
      <para>gronden berust. Gedaagde heeft op dat punt een onderzoek</para>
      <para>ingesteld en de rechtbank heeft daaromtrent in haar uitspraak</para>
      <para>een standpunt ingenomen, dat in hoger beroep door appellante</para>
      <para>wordt bestreden.</para>
      <para>De Raad vindt daarom aanleiding eveneens op die vraag in te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van het tijdvak voorafgaande aan 29 juli 1991 - te</para>
      <para>rekenen vanaf de vroegst mogelijke datum waarop de</para>
      <para>vrijstelling op grond van evengenoemd Besluit kan ingaan, te</para>
      <para>weten 1 juli 1989 - sluit de Raad zich aan bij het oordeel van</para>
      <para>de rechtbank, kort samengevat inhoudend dat appellante niet</para>
      <para>meer valt onder de werking van de zogenoemde aanwijsregels van</para>
      <para>de artikelen 13 tot en met 17 van de EG-verordening nr 1408/71</para>
      <para>en dat er mitsdien geen beletselen op grond van het EG-recht</para>
      <para>zijn voor de toepassing van regels van Nederlands recht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 29 juli 1991 is bij Verordening nr 2195/91 d.d.</para>
      <para>25 juni 1991 (Pb. L 206) aan artikel 13, lid 2, van de</para>
      <para>EG-verordening nr 1408/71 toegevoegd punt f), luidende als volgt:</para>
      <para>"is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de</para>
      <para>wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij</para>
      <para>op grond van één van de in de voorgaande punten</para>
      <para>genoemde regels of van één van de in de artikelen 14</para>
      <para>tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere</para>
      <para>regels aan de wettelijke regeling van een andere</para>
      <para>Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling</para>
      <para>van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied</para>
      <para>waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van</para>
      <para>deze wettelijke regeling alleen."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is aan titel III van de toepassingsverordening nr</para>
      <para>574/72 bij dezelfde Verordening van 25 juni 1991 toegevoegd</para>
      <para>artikel 10 ter, luidende:</para>
      <para>"Formaliteiten ter toepassing van artikel 13, lid 2,</para>
      <para>onder f), van de verordening. De datum en de</para>
      <para>voorwaarden waarop een persoon als bedoeld in</para>
      <para>artikel 13, lid 2, onder f, van de verordening</para>
      <para>ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke</para>
      <para>regeling van een Lid-Staat, worden overeenkomstig de</para>
      <para>bepalingen van deze wettelijke regeling vastgesteld.</para>
      <para>Het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde</para>
      <para>autoriteit van de Lid-Staat waarvan de wettelijke</para>
      <para>regeling op deze persoon van toepassing wordt, richt</para>
      <para>zich voor het vernemen van deze datum tot het door</para>
      <para>de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat</para>
      <para>aangewezen orgaan."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gegeven deze regeling, gezien in verband met de</para>
      <para>uitkeringspositie van appellante en met het feit dat zij</para>
      <para>laatstelijk werkzaamheden in Duitsland verrichtte, heeft de</para>
      <para>rechtbank in het voetspoor van gedaagde terecht de vraag</para>
      <para>opgeworpen of appellante ingaande 29 juli 1991 is opgehouden</para>
      <para>onderworpen te zijn aan de Duitse wetgeving.</para>
      <para>De Raad is echter van oordeel dat gedaagde en de rechtbank ten</para>
      <para>onrechte tot een ontkennende beantwoording van die vraag zijn</para>
      <para>gekomen. Van belang is in dat verband dat gedaagde - en met</para>
      <para>hem de rechtbank -, constaterende dat door de bevoegde</para>
      <para>autoriteit van de EG-lidstaat Duitsland geen orgaan als</para>
      <para>bedoeld in artikel 10 ter van Verordening 574/72 is</para>
      <para>aangewezen, zelf heeft onderzocht of appellante nog geacht kan</para>
      <para>worden onderworpen te zijn aan de Duitse wetgeving en</para>
      <para>vervolgens deze vraag ontkennend heeft beantwoord. De Raad</para>
      <para>acht deze handelwijze onjuist. Blijkens de tekst van</para>
      <para>evengenoemd artikel 10 ter gaat het hier om een vraag van</para>
      <para>nationaal (buitenlands) recht, waarvan de beantwoording door</para>
      <para>een buitenlands orgaan dient te worden gegeven. Indien dat</para>
      <para>orgaan niet is aangewezen, ligt het naar 's Raads oordeel voor</para>
      <para>de hand dat het andere, in casu Nederlandse, orgaan in zoverre</para>
      <para>de in artikel 10 ter voorgeschreven procedure volgt dat het</para>
      <para>zich richt tot de bevoegde autoriteit van de betreffende</para>
      <para>lidstaat, welke de eerstaangewezene is om zich te buigen over</para>
      <para>de vraag hoe in de gegeven omstandigheden op met het</para>
      <para>communautaire recht overeenstemmende wijze toepassing kan</para>
      <para>worden gegeven aan het bepaalde in de artikelen 13, lid 2, sub</para>
      <para>f, van Verordening nr 1408/71 en 10 ter van Verordening nr 574/72.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de vraag of appellante sedert 29 juli 1991 nog onderworpen</para>
      <para>was aan de Duitse wetgeving niet op de juiste wijze is</para>
      <para>beantwoord, kan gedaagdes besluit voorzover dat betrekking</para>
      <para>heeft op het tijdvak vanaf genoemde datum niet in stand</para>
      <para>blijven en dient ook de aangevallen uitspraak in zoverre te</para>
      <para>worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit geldt niet voor het tijdvak voorafgaande aan</para>
      <para>29 juli 1991. Zoals hierboven overwogen, was toen de</para>
      <para>Nederlandse wetgeving op appellante van toepassing en hebben</para>
      <para>gedaagde en de rechtbank terecht beoordeeld of met toepassing</para>
      <para>van artikel 24 van het Besluit uitbreiding en beperking kring</para>
      <para>verzekerden volksverzekeringen 1989 aan appellante, die als</para>
      <para>ingezetene verplicht verzekerd was ingevolge evenbedoelde</para>
      <para>regelingen, vrijstelling kon worden verleend. De ontkennende</para>
      <para>beantwoording van die vraag berust op voldoende gronden, met</para>
      <para>name gelet op de hierboven vermelde en aan deze uitspraak</para>
      <para>gehechte berekening inzake de aan appellante toekomende</para>
      <para>uitkeringen, afgezet tegen het bedrag van 70% van het</para>
      <para>wettelijk minimumloon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu appellante (ten dele) in het gelijk is gesteld, dient</para>
      <para>gedaagde het in eerste aanleg en in hoger beroep door haar</para>
      <para>betaalde griffierecht te vergoeden. Tevens wordt gedaagde</para>
      <para>veroordeeld in de proceskosten van appellante in eerste aanleg</para>
      <para>en in hoger beroep, welke worden begroot op f 89,75 aan</para>
      <para>reiskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en gedaagdes besluit van</para>
      <para>13 februari 1992 in zoverre betrekking hebbend op het tijdvak</para>
      <para>vanaf 29 juli 1991;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde de door appellante betaalde</para>
      <para>griffierechten van f 175,- aan haar vergoedt;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in</para>
      <para>eerste aanleg en in hoger beroep, begroot op f 89,75 aan</para>
      <para>reiskosten, te betalen door de Sociale Verzekeringsbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr N.J. Haverkamp als voorzitter en</para>
      <para>mr H.J. Grendel en mr F.P. Zwart als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr H.E. Scheepers-van Die als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 12 november 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) N.J. Haverkamp.</para>
    <para />
    <para>(get.) H.E. Scheepers-van Die.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge</para>
      <para>de Algemene Ouderdomswet (AOW), Algemene Weduwen- en Wezenwet</para>
      <para>(AWW), Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) kan ieder der partijen beroep</para>
      <para>in cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of</para>
      <para>verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der</para>
      <para>artikelen 1, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 2, 3 en 6</para>
      <para>van de AOW, 2, 3 en 7 van de AWW, 1, tweede en derde lid, 2, 3</para>
      <para>en 6 van de AKW en 2, 3 en 4 van de AAW.</para>
      <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit</para>
      <para>afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift</para>
      <para>in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>