<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7276</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:42:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7276</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AJ9306</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/9243 ABW, 96/9287 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:15&amp;g=1997-10-07">Algemene wet bestuursrecht 6:15</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:11&amp;g=1997-10-07">Algemene wet bestuursrecht 7:11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1997-10-07">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1997-10-07">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1997, 189</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1997/256</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7276">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7276</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-03T15:04:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7276 Centrale Raad van Beroep , 07-10-1997 / 96/9243 ABW, 96/9287 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7276:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7276:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>96/9243 ABW</para>
    <para>96/9287 ABW</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>E N K E L V O U D I G E  K A M E R</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>
    [A.], wonende te [B.], appellante tevens gedaagde (hierna: A.),</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
    <para>Groningen, gedaagde tevens appellant (hierna: het College).</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens A. is mr R. van Asperen, advocaat te Groningen, op</para>
    <para>bij beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen</para>
    <para>van een door de Arrondissementsrechtbank te Groningen onder</para>
    <para>dagtekening 3 september 1996 tussen partijen gewezen</para>
    <para>uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het College heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven</para>
    <para>gronden eveneens tegen voormelde uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Partijen hebben verweerschriften ingediend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting</para>
    <para>van de Raad op 1 september 1997, waar partijen niet zijn verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <para>Uit de gedingstukken blijkt, voor zover hier van belang, het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het College heeft vanaf 1 april 1994 de aan A. toegekende</para>
    <para>uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers</para>
    <para>niet meer uitbetaald en die uitkering vervolgens bij besluit</para>
    <para>van 9 mei 1994 met ingang van 1 april 1994 beëindigd op de</para>
    <para>grond dat A. duurzaam een gezamenlijke huishouding voert</para>
    <para>met haar ex-echtgenoot en hun gezamenlijke inkomsten en/of</para>
    <para>vermogen voldoende zijn om in de kosten van het bestaan te voorzien.</para>
    <para>Namens A. zijn zowel tegen het feitelijk beëindigen van</para>
    <para>haar uitkering als tegen het beëindigingsbesluit</para>
    <para>bezwaarschriften ingediend bij het College.</para>
    <para>Bij primair besluit van 26 augustus 1994 heeft het College het</para>
    <para>besluit van 9 mei 1994 als vervallen aangemerkt en aan A.</para>
    <para>meegedeeld dat haar ingaande 1 april 1994 een bijstandsuitkering</para>
    <para>naar de norm voor een alleenstaande is toegekend.</para>
    <para>Bij brief van 20 september 1994 heeft de gemachtigde van</para>
    <para>A. het College erop gewezen dat het besluit van 26 augustus 1994</para>
    <para>niet als een beslissing op bezwaar is aan te merken met het verzoek</para>
    <para>haar alsnog een beslissing op bezwaar te doen toekomen, waarbij</para>
    <para>tevens wordt ingegaan op de vraag of het College bereid is alle kosten</para>
    <para>van rechtsbijstand voor zijn rekening te nemen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vervolgens heeft gedaagde</para>
    <para>a) bij besluit van 18 oktober 1994 (hierna: besluit 1) met</para>
    <para>gegrondverklaring van de bezwaarschriften het besluit van 9</para>
    <para>mei 1994 herroepen en bepaald dat met ingang van 1 april 1994</para>
    <para>de bijstandsverlening aan A. wordt voortgezet naar de norm</para>
    <para>voor een alleenstaande;</para>
    <para>b) bij brief van 8 december 1994 de rechtbank de stukken doen</para>
    <para>toekomen en tevens in kennis gesteld van de volgende (hierna</para>
    <para>besluit 2 te noemen) afwijzende beslissing:</para>
    <para>"De kosten van rechtsbijstand, die zijn gemaakt</para>
    <para>tijdens de bezwaarschriftenprocedure, dienen in</para>
    <para>beginsel voor rekening van belanghebbende te</para>
    <para>blijven. De aard van de bezwaarschriftenprocedure</para>
    <para>(bestuurlijke heroverweging) brengt dit met zich</para>
    <para>mee. In het onderhavige geval achten wij geen</para>
    <para>redenen aanwezig om van dit beginsel af te wijken.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>A. heeft tegen besluit 1 beroep doen instellen, voor zover</para>
    <para>in dat besluit geen standpunt is ingenomen met betrekking tot</para>
    <para>de vraag of de gemeente aansprakelijk is voor de kosten van</para>
    <para>rechtsbijstand in de bezwaarfase en de rechtbank verzocht te</para>
    <para>bepalen dat deze kosten volledig door de gemeente dienen te</para>
    <para>worden vergoed.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft besluit 2 aan de gemachtigde van A.</para>
    <para>doen toekomen met het verzoek om daarop te reageren. De</para>
    <para>gemachtigde van A. heeft aan dit verzoek voldaan en</para>
    <para>bezwaren tegen laatstgenoemd besluit kenbaar gemaakt bij brief</para>
    <para>van 15 december 1994.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vervolgens heeft de rechtbank het beroep tegen besluit 1</para>
    <para>gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voorzover daarbij</para>
    <para>geen besluit is genomen met betrekking tot het verzoek van</para>
    <para>A. haar de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase te</para>
    <para>vergoeden en, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van</para>
    <para>de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de gemeente Groningen</para>
    <para>veroordeeld tot het betalen van de eigen bijdrage van</para>
    <para>f 110,-- ter zake van de door de Raad voor Rechtsbijstand te</para>
    <para>Leeuwarden aan A. afgegeven toevoeging van rechtsbijstand</para>
    <para>voor de bezwaarschriftenprocedures. Verder heeft de rechtbank</para>
    <para>bepaald dat de gemeente Groningen het griffierecht en de</para>
    <para>proceskosten in verband met de behandeling van het beroep bij</para>
    <para>de rechtbank aan A. dient te vergoeden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hoger beroep van A. is beperkt tot de hoogte van het</para>
    <para>bedrag dat de rechtbank heeft vastgesteld als vergoeding voor</para>
    <para>de proceskosten in de bezwaarschriftenprocedures. A. vordert</para>
    <para>vergoeding van de volledige kosten van rechtsbijstand op notabasis.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hoger beroep van het College is gericht tegen het oordeel</para>
    <para>van de rechtbank dat het College verplicht was om bij besluit</para>
    <para>1 tevens te beslissen over het verzoek om vergoeding van de</para>
    <para>kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures.</para>
    <para>Daartoe is in het aanvullend beroepschrift onder meer het</para>
    <para>volgende naar voren gebracht:</para>
    <para>"Wat betreft het in de bezwaarfase gedane verzoek om</para>
    <para>schadevergoeding was er echter nog helemaal geen</para>
    <para>besluit dat kon worden heroverwogen. Wij zijn dan</para>
    <para>ook van mening dat het verzoek om schadevergoeding</para>
    <para>moet worden opgevat als een aanvraag waarop eerst</para>
    <para>een primair besluit dient te worden genomen. Daarna</para>
    <para>kan de betrokkene hierover een bezwaarschrift indienen.</para>
    <para>Het meteen meenemen van een verzoek om schadevergoeding</para>
    <para>in de bezwaarschriftenprocedure, hetgeen de bestuursrechter</para>
    <para>op pragmatische gronden voorstaat, is in strijd met het systeem</para>
    <para>van de Awb dat er van uitgaat dat na een primair besluit altijd</para>
    <para>eerst de bezwaarschriftprocedure moet worden doorlopen, alvorens</para>
    <para>een beroep op de rechtbank mogelijk is (art. 7:1 Awb).</para>
    <para>Wij hebben deze redenering (op het verzoek tot</para>
    <para>schadevergoeding in de bezwaarfase dient eerst een,</para>
    <para>van het besluit op het bezwaarschrift losstaand,</para>
    <para>primair besluit te worden genomen) kort geleden</para>
    <para>reeds aan uw Raad voorgelegd. In de uitspraak d.d.</para>
    <para>28 mei 1996 (reg.nr. 95/6061 ABW), waarvan wij</para>
    <para>volledigheidshalve een kopje bijvoegen, redeneert uw</para>
    <para>Raad als volgt:</para>
    <para>"Ingevolge artikel 1:5, eerste lid, van de Awb wordt</para>
    <para>onder het maken van bezwaar verstaan het gebruik</para>
    <para>maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift</para>
    <para>bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit</para>
    <para>te vragen bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.</para>
    <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 7:11 van de Awb</para>
    <para>dient een heroverweging van het bestreden besluit</para>
    <para>plaats te vinden indien het bezwaar ontvankelijk is.</para>
    <para>In casu gaat het om de namens appellant gevraagde</para>
    <para>voorziening tegen het besluit van gedaagde van</para>
    <para>25 mei 1994, dat strekte tot beëindiging van de aan</para>
    <para>appellant toegekende ABW-uitkering. De gevraagde</para>
    <para>voorziening heeft geleid tot herroeping van dat</para>
    <para>besluit door gedaagde.</para>
    <para>Naar het oordeel van de Raad behoefde gedaagde,</para>
    <para>gelet op het vorenstaande, in het kader van de</para>
    <para>onderhavige bezwaarschriftprocedure niet tevens te</para>
    <para>beslissen over het verzoek om vergoeding van de</para>
    <para>kosten van rechtsbijstand in die procedure. Op dat</para>
    <para>laatste verzoek is afwijzend beslist bij besluit van</para>
    <para>6 december 1994. Gedaagde heeft na bezwaar dit</para>
    <para>besluit gehandhaafd bij besluit van 11 april 1996.".</para>
    <para>Wij hebben de hierboven geciteerde uitspraak van uw</para>
    <para>Raad reeds aangehaald in ons verweerschrift bij de</para>
    <para>Rechtbank, doch zij overwegen dienaangaande dat uw</para>
    <para>uitspraak ziet op een andere situatie. "Het betrof</para>
    <para>in dit geval een vreemdeling als bedoeld in artikel</para>
    <para>84, vierde lid, ABW, zodat op grond van artikel 84, vijfde lid,</para>
    <para>ABW geen bezwaarfase behoefde te worden doorlopen.</para>
    <para>Naar ons oordeel is uit de bewoordingen van uw</para>
    <para>uitspraak echter duidelijk af te leiden dit hier in</para>
    <para>het algemeen wordt gesteld dat een bestuursorgaan in</para>
    <para>een bezwaarschriftprocedure niet tevens hoeft te</para>
    <para>beslissen over het verzoek om vergoeding van</para>
    <para>rechtsbijstand in die procedure.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts kan ook het College zich niet verenigen met de wijze</para>
    <para>waarop de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad onderschrijft het betoog dat het College, gegeven het</para>
    <para>voorwerp van bezwaar, niet verplicht was om in besluit 1</para>
    <para>tevens te beslissen over het verzoek om vergoeding van de</para>
    <para>kosten van rechtsbijstand in de bezwaarschriftprocedures.</para>
    <para>Dat betekent allereerst dat het tegen besluit 1 ingediende</para>
    <para>beroepschrift, waarin wordt gesteld dat het College daartoe</para>
    <para>wel verplicht was, ongegrond had moeten worden verklaard. De</para>
    <para>aangevallen uitspraak komt dan ook voor vernietiging in aanmerking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het houdt voorts in dat, voor zover in hoger beroep namens</para>
    <para>A. om een hogere dan de door de rechtbank toegekende</para>
    <para>vergoeding is verzocht, dat hoger beroep niet-ontvankelijk</para>
    <para>moet worden verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het vorenstaande neemt niet weg dat het College besluit 2 had</para>
    <para>behoren bekend te maken op de in artikel 3:41 van de Awb</para>
    <para>voorgeschreven wijze, met vermelding van de mogelijkheid van</para>
    <para>bezwaar, en dat, gezien het bij brief van 15 december 1994</para>
    <para>kenbaar gemaakte bezwaar, niet aan de verplichting tot het</para>
    <para>volgen van de bezwaarschriftprocedure met betrekking tot</para>
    <para>besluit 2 voorbij kon worden gegaan. De rechtbank had, nu</para>
    <para>blijkens de inhoud van gedaagdes brief van 8 december 1994 een</para>
    <para>afzonderlijk primair besluit was genomen, toepassing moeten</para>
    <para>geven aan artikel 6:15 van de Awb.</para>
    <para>De Raad zal daarom de aan de rechtbank gerichte brief van 15</para>
    <para>december 1994 op de voet van artikel 6:15 van de Awb alsnog</para>
    <para>doorzenden aan het College teneinde als bezwaarschrift te</para>
    <para>worden behandeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te</para>
    <para>geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog ongegrond;</para>
    <para>Bepaalt dat de brief van 15 december 1994 wordt doorgezonden</para>
    <para>aan het College teneinde door het College als bezwaarschrift</para>
    <para>tegen het besluit van 8 december 1994 te worden behandeld;</para>
    <para>Verklaart het namens A. ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid</para>
    <para>van mr I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het</para>
    <para>openbaar op 7 oktober 1997.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
  <para />
  <para>(get.) I. de Hartog.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>EB/AS</para>
    <para>1310</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>