<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7257</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:47:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7257</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-06-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/2477 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=16&amp;g=1997-06-10">Werkloosheidswet 16</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 253</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7257">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7257</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-01-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7257 Centrale Raad van Beroep , 10-06-1997 / 96/2477 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7257:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Vaststelling gemiddeld aantal arbeidsuren (gaa); berekeningswijze aantal met arbeidsuren</para>
        <para> gelijkgestelde vakantie-uren.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7257:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/2477 WW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>H.J. de Vries-Schubert, wonende te Amsterdam Zuid-Oost,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en</para>
      <para>Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens</para>
      <para>verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven</para>
      <para>gronden in hoger beroep gekomen van een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 2</para>
      <para>januari 1996 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Appellant heeft daarop nog nadere stukken ingebracht en</para>
      <para>informatie verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 mei</para>
      <para>1997, waar appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is</para>
      <para>verschenen bij zijn gemachtigde mr J.M.A. van Waterschoot,</para>
      <para>terwijl gedaagde, zoals tevoren bericht, niet is verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder</para>
      <para>is aangeduid en gedaagde als eiseres, ontleent de Raad de</para>
      <para>navolgende feiten en omstandigheden:</para>
      <para>"Eiseres werkt sedert 13 mei 1985 op basis van een</para>
      <para>zogenaamd uurloon parttimers-contract als</para>
      <para>kantinemedewerkster bij de Hema. Op 2 juli 1993 werd</para>
      <para>voor haar, in het kader van een reorganisatie bij de</para>
      <para>Hema, een ontslagvergunning verzocht voor 5.3 uren.</para>
      <para>Na het verkrijgen van de ontslagvergunning werd door</para>
      <para>eiseres en haar werkgeefster een nieuwe</para>
      <para>arbeidsovereenkomst getekend welke inging per 1</para>
      <para>november 1993 voor een gemiddeld aantal van 15 uren</para>
      <para>per week, eveneens als zogenaamde uurloon parttimer.</para>
      <para>Eiseres heeft zich tot verweerder gewend met het</para>
      <para>verzoek om een uitkering ingevolge de WW terzake van</para>
      <para>dit door haar geleden urenverlies. Zij heeft</para>
      <para>opgegeven voor aanvang van deze gedeeltelijke</para>
      <para>werkloosheid gemiddeld 20,3 uren per week bij de</para>
      <para>Hema te hebben gewerkt.</para>
      <para>Verweerder heeft haar bij brief van 3 november 1993</para>
      <para>medegedeeld dat haar in afwachting van een</para>
      <para>definitieve beslissing voorschotten zullen worden</para>
      <para>verstrekt.</para>
      <para>Op 3 november 1993 heeft de werkgeefster van eiseres</para>
      <para>de zogenaamde werkgeversverklaring aan verweerder</para>
      <para>gezonden, en daarbij een overzicht gevoegd van de</para>
      <para>door deze in de laatste 30 weken voor haar</para>
      <para>werkloosheid gewerkte dagen en uren en voorts opgave</para>
      <para>gedaan van de aan haar verstrekte vakantievergoeding</para>
      <para>ad 9.73%.</para>
      <para>Verweerder heeft bij besluit van 30 maart 1994 een</para>
      <para>WW-uitkering aan eiseres toegekend.</para>
      <para>Vervolgens heeft verweerder eiseres bij besluiten</para>
      <para>van 3 en 17 mei 1994 medegedeeld dat zij geen recht</para>
      <para>op een WW-uitkering heeft, daar zij daarvoor een te</para>
      <para>gering urenverlies, te weten van 2,99 uur, had</para>
      <para>geleden en dat zij de door haar ontvangen</para>
      <para>voorschotten over de periode van 1 november 1993 tot</para>
      <para>25 april 1994 terug diende te betalen.</para>
      <para>Verweerder was voor de vaststelling van het</para>
      <para>urenverlies uitgegaan van de laatste 26 weken</para>
      <para>voorafgaande aan 1 november 1993. Hierin had eiseres</para>
      <para>426,3 uur gewerkt, gemiddeld 17,99 uur per week.</para>
      <para>Verweerder heeft daarbij de volgende berekening</para>
      <para>gemaakt:</para>
      <para>426.3 : 26 X 109.73 = 17,99.</para>
      <para>Eiseres heeft tegen het besluit van 3 mei 1994 een</para>
      <para>bezwaarschrift ingediend en daarin onder meer het</para>
      <para>volgende aangevoerd:</para>
      <para>-Zij acht de vaststelling van het door haar</para>
      <para>gemiddeld gewerkte aantal uren van 17,99 uur te</para>
      <para>laag.</para>
      <para>-Verweerder zou daarbij ten onrechte voorbij hebben</para>
      <para>gezien aan het feit dat zogenaamde uurloon</para>
      <para>parttimers hun salaris over vakantieuren in een</para>
      <para>bedrag ineens ontvangen, in een zogenaamde</para>
      <para>vakantievergoeding.</para>
      <para>-Deze vakantievergoeding wordt maandelijks opgebouwd</para>
      <para>met 9.73% van het inkomen over de betalingsperiode.</para>
      <para>Zij is van mening dat deze uren dienen te worden</para>
      <para>gelijkgesteld met uren waarover zij zonder te werken</para>
      <para>loon heeft ontvangen, conform het bepaalde van</para>
      <para>artikel 16 lid 2 WW.</para>
      <para>-Voorts zou er een vertekend beeld van haar</para>
      <para>arbeidspatroon zijn ontstaan doordat zij in de weken</para>
      <para>18 en 31 tot en met 34 vakantie heeft opgenomen,</para>
      <para>waardoor het gemiddeld aantal door haar gewerkte</para>
      <para>uren zou zijn verminderd. Deze weken zouden op grond</para>
      <para>van het bepaalde in artikel 17 lid 5 WW gelijk</para>
      <para>moeten worden gesteld met gewerkte weken.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 29 augustus 1994 heeft appellant</para>
      <para>de bezwaren van gedaagde in hoofdzaak ongegrond verklaard.</para>
      <para>Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat gedaagde</para>
      <para>alsnog geen recht heeft op uitkering ingevolge de</para>
      <para>Werkloosheidswet (hierna: WW), omdat zij niet werkloos is te</para>
      <para>achten, aangezien het door haar geleden arbeidsurenverlies</para>
      <para>minder dan 5 per week bedraagt. Wel is bepaald dat het ten</para>
      <para>onrechte uitbetaalde bedrag niet wordt teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, met</para>
      <para>toewijzing van het door gedaagde betaalde griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep van appellant richt zich niet tegen de</para>
      <para>vernietiging van het bestreden besluit, voor zover deze</para>
      <para>gebaseerd is op strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook</para>
      <para>appellant is inmiddels van oordeel dat de uitkering van</para>
      <para>gedaagde niet met terugwerkende kracht kan worden ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is, anders dan hij in de uitspraak van de rechtbank</para>
      <para>meent te lezen, van mening dat de uitkering wel per een in de</para>
      <para>toekomst gelegen datum ingetrokken kan worden. De gemachtigde</para>
      <para>van appellant heeft ter zitting van de Raad meegedeeld dat</para>
      <para>daarbij wordt gedacht aan een afbouwregeling die ongeveer 4 à</para>
      <para>5 maanden beslaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad deelt in zijn algemeenheid het standpunt van appellant</para>
      <para>dat een reeds toegekende WW-uitkering per een toekomstige</para>
      <para>datum kan worden ingetrokken, indien achteraf blijkt dat deze</para>
      <para>uitkering ten onrechte is toegekend. Wel zal bij die</para>
      <para>intrekking op zorgvuldige wijze met de gerechtvaardigde</para>
      <para>verwachtingen en de belangen van de betrokkene rekening moeten</para>
      <para>worden gehouden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de WW-uitkering van</para>
      <para>gedaagde niet ten onrechte was toegekend. Daartoe is overwogen</para>
      <para>dat appellant de 5 weken waarin gedaagde - naar tussen</para>
      <para>partijen onbetwist vaststaat - vakantie heeft genoten, ten</para>
      <para>onrechte buiten beschouwing heeft gelaten bij het bepalen van</para>
      <para>het gemiddeld aantal arbeidsuren (hierna: gaa) van gedaagde.</para>
      <para>Ook op deze grond is het bestreden besluit vernietigd.</para>
      <para>Appellant blijft van mening dat er geen sprake is van een</para>
      <para>relevant arbeidsurenverlies en dat de uitkering derhalve ten</para>
      <para>onrechte is toegekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat hier van</para>
      <para>belang is het op artikel 16, vierde lid, van de WW (oud)</para>
      <para>gebaseerde besluit van de toenmalige Sociale Verzekeringsraad</para>
      <para>(hierna: SVr) van 18 december 1986, zoals dat op 1 november</para>
      <para>1993 luidde.</para>
      <para>In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van bedoeld</para>
      <para>besluit is bepaald dat voor de berekening van het aantal</para>
      <para>arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW, met</para>
      <para>arbeidsuren worden gelijkgesteld uren, waarin de werknemer</para>
      <para>niet heeft gewerkt als gevolg van vakantie-, snipper-, of</para>
      <para>compensatieverlofdagen, voorzover hij voor die dagen geen loon</para>
      <para>maar een schadeloosstelling wegens loonderving heeft ontvangen</para>
      <para>of een aanspraak hierop heeft verkregen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant leidt uit voormelde bepaling terecht af dat het</para>
      <para>uitdrukkelijk niet de bedoeling van de regelgever is geweest</para>
      <para>dat wegens vakantie niet gewerkte uren waarvoor geen</para>
      <para>vergoeding is verstrekt of waarvoor geen aanspraak op</para>
      <para>vergoeding is verkregen als arbeidsuren worden aangemerkt.</para>
      <para>Appellant heeft dan ook met juistheid opgemerkt dat het enkele</para>
      <para>feit dat in genoemde weken door gedaagde vakantie is genoten</para>
      <para>onvoldoende is om bedoelde uren gelijk te stellen met gewerkte</para>
      <para>uren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de wijze waarop in het geval van een</para>
      <para>oproepkracht/parttimer berekend dient te worden welke</para>
      <para>vakantieuren wel en welke vakantieuren niet gelijkgesteld</para>
      <para>dienen te worden met arbeidsuren heeft appellant in zijn</para>
      <para>aanvullend beroepschrift opgemerkt dat het besluit van de SVr</para>
      <para>daarvoor geen aanwijzingen geeft. Voorts is het volgende</para>
      <para>aangevoerd:</para>
      <para>"Eiser stelt zich op het standpunt dat bij de</para>
      <para>berekening van het aantal opgebouwde vakantieuren</para>
      <para>uitgegaan dient te worden van een</para>
      <para>beoordelingsperiode van 26 kalenderweken, nu ook</para>
      <para>artikel 16, tweede lid WW een referteperiode van 26</para>
      <para>kalenderweken kent. De berekening houdt dan in dat</para>
      <para>het aantal gewerkte uren in deze periode verhoogd</para>
      <para>wordt met het percentage dat als vergoeding voor</para>
      <para>vakantieuren geldt.</para>
      <para>Uiteraard kan de opbouw van vakantieuren ook hebben</para>
      <para>plaatsgevonden in weken, liggend voorafgaand aan de</para>
      <para>beoordelingsperiode. Naar de mening van eiser dienen</para>
      <para>deze uren evenwel buiten beschouwing te blijven. Ten</para>
      <para>eerste vanwege een praktische reden, de</para>
      <para>bedrijfsvereniging zou anders wel zeer ver in het</para>
      <para>verleden moeten gaan onderzoeken hoe vaak en hoe</para>
      <para>lang iemand in het verleden vakantie heeft genoten</para>
      <para>en hoeveel indertijd van de reeds opgebouwde</para>
      <para>vakantievergoeding in genoten en eventueel is</para>
      <para>overgebleven.</para>
      <para>Daarnaast wijst eiser er op dat de omstandigheid dat</para>
      <para>de beoordelingsperiode 26 weken bedraagt, ook</para>
      <para>positief kan uitpakken. Als iemand in de 52 weken</para>
      <para>voorafgaand aan het urenverlies zijn vakantie met</para>
      <para>name heeft genoten in de eerste 26 weken van dat</para>
      <para>jaar, zal het aantal vakantieuren dat met</para>
      <para>arbeidsuren gelijksteld dient te worden hoger</para>
      <para>uitvallen en daarmee ook het gemiddeld aantal</para>
      <para>arbeidsuren.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
      <para>Daargelaten wat er zij van de aanvankelijke strekking van het</para>
      <para>door gedaagde met de Hema afgesloten zogeheten</para>
      <para>uurloonparttimers-contract, moet de Raad constateren dat</para>
      <para>gedaagde medio 1992 gemiddeld 20,3 uur per week placht te</para>
      <para>werken, en dat de Hema op basis daarvan gedaagde vanaf</para>
      <para>14 augustus 1992 een aantal van 20,3 uur betaalde werkuren per</para>
      <para>week garandeerde. Daarbij zij opgemerkt dat de werkweek van</para>
      <para>gedaagde doorgaans bedoelde 20,3 uur ook niet te boven ging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tijdens vakantieweken werd geen loon doorbetaald. In plaats</para>
      <para>daarvan werd over het uurloon 9,73% vakantieurenvergoeding</para>
      <para>opgebouwd, uit te betalen in de maand september dan wel,</para>
      <para>indien gewenst, eerder, te weten indien vakantie werd</para>
      <para>opgenomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet noch in de wet, noch in de daarop gebaseerde</para>
      <para>uitvoeringsbepalingen en de toelichting daarop enig</para>
      <para>aanknopingspunt om bij de berekening van het gaa van gedaagde</para>
      <para>slechts de in de laatste 26 weken opgebouwde</para>
      <para>vakantieurenvergoeding in aanmerking te nemen. De</para>
      <para>vakantieurenvergoeding, waarop gedaagde voor door haar genoten</para>
      <para>vakantie aanspraak had, is immers niet alleen opgebouwd in de</para>
      <para>laatste 26 weken, maar ook in de weken daarvoor.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad wijst er hierbij overigens nog op dat de onderhavige</para>
      <para>arbeidsverhouding in essentie weinig afwijkt van een</para>
      <para>arbeidsverhouding, waarin geen vakantieurenvergoeding wordt</para>
      <para>opgebouwd, maar waarin vakantiedagen worden opgebouwd. Ook in</para>
      <para>die laatste situatie worden bij de vaststelling van het gaa</para>
      <para>alle vakantiedagen waarvoor loon is betaald dan wel een</para>
      <para>loonaanspraak is verkregen meegenomen, en niet alleen</para>
      <para>vakantiedagen die in de laatste 26 weken zijn opgebouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande volgt dat appellant ten onrechte slechts</para>
      <para>de in de laatste 26 weken genoten vakantieurenvergoeding in</para>
      <para>aanmerking heeft genomen, zodat het bestreden besluit terecht</para>
      <para>door de rechtbank is vernietigd.</para>
      <para>Nu het, gelet op de gedingstukken, niet onaannemelijk is dat</para>
      <para>gedaagde geen gebruik heeft gemaakt van haar recht om haar</para>
      <para>vakantieurenvergoeding reeds voor september 1993 uit te laten</para>
      <para>betalen, zal appellant bij zijn nadere besluitvorming op het</para>
      <para>bezwaarschrift van gedaagde dienen na te gaan welk bedrag aan</para>
      <para>opgebouwde vakantieurenvergoeding toegerekend dient te worden</para>
      <para>aan de onderhavige vakantieperiodes. En aan de hand van het</para>
      <para>aldus vast te stellen gaa van gedaagde zal appellant</para>
      <para>vervolgens dienen na te gaan of sprake is van een relevant</para>
      <para>arbeidsurenverlies. Anders dan appellant is de Raad van</para>
      <para>oordeel dat zulks bij dienstverbanden als de onderhavige niet</para>
      <para>op grote uitvoeringstechnische bezwaren zal behoeven te</para>
      <para>stuiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderkent dat de berekeningswijze van appellant in</para>
      <para>sommige gevallen voor de betrokkene positief zal uitpakken.</para>
      <para>Dat is evenwel in de onderhavige situatie niet het geval,</para>
      <para>zodat reeds daarom daarin geen grond kan worden gevonden om af</para>
      <para>te wijken van de in het besluit van de SVr neergelegde</para>
      <para>regeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht niet gebleken van proceskosten aan de zijde van</para>
      <para>gedaagde die in hoger beroep op grond van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking</para>
      <para>komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat</para>
      <para>appellant een nader besluit dient te nemen met inachtneming</para>
      <para>van hetgeen in 's Raads uitspraak is overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr P.H. Hugenholtz als voorzitter en mr</para>
      <para>J.C.F. Talman en mr Th.C. van Sloten als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 10 juni 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>          (get.) P.H. Hugenholtz.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>          (get.) G. Leppink-Kooistra.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>RH</para>
      <para>0906</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>