<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T17:34:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7242</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/7635 MAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:1&amp;g=1997-10-30">Algemene wet bestuursrecht 1:1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1997-10-30">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1998, 166 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1998/5 met annotatie van G.L. Coolen</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1998/57 met annotatie van R.J.N. Schlössels</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7242">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7242</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7242 Centrale Raad van Beroep , 30-10-1997 / 96/7635 MAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7242:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7242:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/7635 MAW                             O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A te B, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met</para>
      <para>bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 25 juli</para>
      <para>1996 onder nr. AWB 95/7241 MAWKMA gegeven uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 7 augustus 1997, waar</para>
      <para>appellant is verschenen bij mr B. Damen, advocaat te Nijkerk,</para>
      <para>en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr</para>
      <para>R.R.H. Laurens, werkzaam bij het ministerie van Defensie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, sergeant der Koninklijke Marine (KM), is tijdens</para>
      <para>zijn plaatsing aan boord van Hr.Ms. X. op 9</para>
      <para>december 1994 door zijn commandant tuchtrechtelijk gestraft</para>
      <para>met een geldboete, zulks op grond dat appellant op 3 december</para>
      <para>1994 (een werkdag) omstreeks 8.30 uur "in kennelijke staat van</para>
      <para>dronkenschap al bierdrinkend" is aangetroffen in het</para>
      <para>onderofficiersverblijf van genoemd schip.</para>
      <para>Naast deze strafoplegging (in beroep bevestigd door de</para>
      <para>militaire kamer van de rechtbank te Arnhem bij uitspraak van</para>
      <para>14 februari 1995), heeft de commandant appellant voor de</para>
      <para>periode van 9 tot en met 15 december een drankverbod opgelegd.</para>
      <para>Dit verbod, tevens inhoudende het verbod om appellant</para>
      <para>alcoholhoudende drank te verkopen of anderszins ter</para>
      <para>beschikking te stellen, is bekend gemaakt door ophanging van</para>
      <para>een daartoe strekkende "bekendmaking commandant nr.61/94" bij</para>
      <para>de bar onderofficieren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit alcoholverbod is namens appellant administratief</para>
      <para>beroep ingesteld bij gedaagde. Bij besluit van 14 juli 1995 is</para>
      <para>dit beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het</para>
      <para>door appellant aangevochten besluit een dienstbevel is en niet</para>
      <para>een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
      <para>Het beroepschrift is aangemerkt als een beklag inzake een van</para>
      <para>een militaire meerdere als bedoeld in artikel 67 van het</para>
      <para>Wetboek van Militair Strafrecht ontvangen bevel en ingevolge</para>
      <para>het Besluit klachtrecht militairen van 25 juni 1991</para>
      <para>doorgezonden aan de commandant der zeemacht, die het beklag</para>
      <para>bij beslissing van 11 september 1995 ongegrond heeft</para>
      <para>verklaard.</para>
      <para>De rechtbank heeft het namens appellant tegen het besluit van</para>
      <para>14 juli 1995 ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Door en namens appellant is - kort weergegeven - in (hoger)</para>
      <para>beroep betoogd dat het besluit van 14 juli 1995 geen</para>
      <para>schriftelijk dienstbevel is maar, gelet ook op de publicatie</para>
      <para>bij eerdergenoemde bekendmaking, een administratieve maatregel</para>
      <para>die uitsluitend door de commandant kan worden opgelegd in de</para>
      <para>hoedanigheid van bestuursorgaan in de zin van de Awb. De aan</para>
      <para>appellant verweten gedragingen worden niet ontkend, maar het</para>
      <para>opgelegde alcoholverbod wordt in strijd geacht met name met</para>
      <para>het in artikel 10, eerste lid, van de Grondwet neergelegde</para>
      <para>grondrecht dat een ieder, behoudens bij of krachtens de wet te</para>
      <para>stellen beperkingen recht heeft op eerbiediging van zijn</para>
      <para>persoonlijke levenssfeer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad dient thans de vraag te beantwoorden of gedaagde bij</para>
      <para>het bestreden besluit ten onrechte appellant niet-ontvankelijk</para>
      <para>heeft verklaard in zijn bezwaar tegen het besluit van 9</para>
      <para>december 1994 van de commandant van Hr.Ms. X.</para>
      <para>en overweegt terzake het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 1:3, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(Awb) is besluit gedefinieerd als een schriftelijke beslissing</para>
      <para>van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke</para>
      <para>rechtshandeling. Hierbij geldt dat met het begrip</para>
      <para>rechtshandeling wordt bedoeld een handeling, gericht op</para>
      <para>rechtsgevolg.</para>
      <para>Ingevolge artikel 1:1, eerste lid onder a, van de Awb wordt</para>
      <para>onder bestuursorgaan verstaan: "een orgaan van een</para>
      <para>rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat de commandant van een</para>
      <para>marine-vaartuig bij de uitoefening van die commandantsfunctie</para>
      <para>moet worden aangemerkt als een orgaan van een rechtspersoon</para>
      <para>die krachtens publiekrecht is ingesteld. Inherent aan het</para>
      <para>uitoefenen van die functie is de aan de commandant in diverse</para>
      <para>regelingen gegeven bevoegdheid tot het nemen van beslissingen</para>
      <para>ten aanzien van het op het marinevaartuig werkzame</para>
      <para>marinepersoneel. Deze beslissingen zijn hetzij aan te merken</para>
      <para>als beslissingen met een zuiver intern karakter dan wel als</para>
      <para>beslissingen gericht op extern rechtsgevolg. Bij de eerste</para>
      <para>categorie kan worden gedacht aan bepaalde interne, min of meer</para>
      <para>algemene, ordemaatregelen, terwijl de tweede categorie ziet op</para>
      <para>beslissingen, gericht op extern rechtsgevolg, welke strekken</para>
      <para>tot ingrijpen in de rechtspositie van de individuele ambtenaar</para>
      <para>en waarbij, in tegenstelling tot de eerste categorie, sprake</para>
      <para>is van een (voor bezwaar of beroep vatbaar) besluit in de zin</para>
      <para>van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.</para>
      <para>Van zodanig ingrijpen in de rechtspositie zal zeker sprake</para>
      <para>zijn indien een besluit van het bestuursorgaan ten aanzien van</para>
      <para>een ambtenaar (mede) als gevolg heeft dat die ambtenaar wordt</para>
      <para>beperkt in de uitoefening van zijn grondrechten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval heeft de commandant toepassing</para>
      <para>gegeven aan het voorschrift betreffende de scheepsorganisatie</para>
      <para>1 VVKM 1, punt 5493, inhoudende dat de commandant bij gebleken</para>
      <para>misbruik van alcoholhoudende dranken aan de betrokkene(n) een</para>
      <para>(tijdelijk) verbod tot het gebruik van alcoholhoudende dranken</para>
      <para>bij de eenheid kan opleggen. Aan appellant is een algeheel</para>
      <para>(zowel in als buiten werktijd geldend) drankverbod opgelegd</para>
      <para>voor de periode van 9 tot en met 15 december 1994, waarbij</para>
      <para>tevens aan derden is verboden om appellant alcoholhoudende</para>
      <para>drank te verkopen of anderszins ter beschikking te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat dit, bij eerdergenoemde</para>
      <para>bekendmaking bekend gestelde, verbod gelet op de aan appellant</para>
      <para>opgelegde algehele beperking van alcoholgebruik gedurende een</para>
      <para>bepaalde periode moet worden aangemerkt als een op extern</para>
      <para>rechtsgevolg gerichte, derhalve publiekrechtelijke,</para>
      <para>rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de</para>
      <para>Awb, nu sprake is van direct ingrijpen in de rechtspositie van</para>
      <para>appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande houdt in dat gedaagde bij het bestreden</para>
      <para>besluit van 14 juli 1995 ten onrechte het door appellant</para>
      <para>ingediende bezwaar tegen het besluit van de commandant van</para>
      <para>Hr.Ms. X. van 9 december 1994 niet-ontvankelijk heeft verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit en de</para>
      <para>aangevallen uitspraak niet in stand kunnen blijven en dat</para>
      <para>gedaagde een nieuw besluit zal dienen te nemen op het door</para>
      <para>appellant ingediende administratief beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het vorenoverwogene ziet de Raad aanleiding om met</para>
      <para>toepassing van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te</para>
      <para>veroordeling tot betaling van de proceskosten van appellant te</para>
      <para>bedrage van f 1.420,-- in eerste aanleg en f 1.420,-- in hoger</para>
      <para>beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Verklaart het primaire beroep alsnog gegrond;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit zal nemen op het door</para>
      <para>appellant tegen het besluit van 9 december 1994 ingestelde</para>
      <para>administratief beroep;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellant het in eerste aanleg en in</para>
      <para>hoger beroep betaalde griffierecht ad f 200,-  en f 300, in</para>
      <para>totaal f 500,- vergoedt, te betalen door de Staat der</para>
      <para>Nederlanden;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ten</para>
      <para>bedrage van f 2.840,--, te betalen door de Staat der</para>
      <para>Nederlanden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr</para>
      <para>Ch. de Vrey en mr G.L.M.J. Stevens als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>04.11</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>