<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-04T20:27:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7236</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-10-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/1302 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002221&amp;artikel=1&amp;g=1997-10-07">Algemene Ouderdomswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002221&amp;artikel=1&amp;g=1997-10-07">Algemene Ouderdomswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1997/268 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7236">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7236</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:52:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7236 Centrale Raad van Beroep , 07-10-1997 / 96/1302 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7236:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening AOW-uitkering. Gezamenlijke huishouding met kostganger.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7236:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/1302 AOW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellante], appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 februari 1995 heeft gedaagde de</para>
      <para>bezwaarschriften van appellante, gericht tegen de ten aanzien</para>
      <para>van haar genomen besluiten ingevolge de Algemene Ouderdomswet</para>
      <para>(AOW) van 9 september 1994, ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft het tegen dit</para>
      <para>besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 18 december 1995</para>
      <para>deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr K. Spaargaren, advocaat te</para>
      <para>Hilversum, op bij beroepschrift aangegeven gronden tegen die</para>
      <para>uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft op 13 mei 1996 een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 26 augustus 1997, waar</para>
      <para>appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr K.</para>
      <para>Spaargaren, voornoemd, als haar raadsvrouw en waar gedaagde</para>
      <para>zich heeft doen vertegenwoordigen door mr G.J.N. Keuper,</para>
      <para>werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellantes gemachtigde heeft op 25 augustus 1997 aan de Raad</para>
      <para>mededeling gedaan van de medebrenging van een getuige.</para>
      <para>Aangezien deze mededeling in strijd met artikel 8:60, vierde</para>
      <para>lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet uiterlijk</para>
      <para>een week voor de zitting is gedaan en appellante onvoldoende</para>
      <para>gronden heeft doen aanvoeren voor de overschrijding van deze</para>
      <para>termijn, heeft de Raad afgezien van het horen van deze</para>
      <para>getuige.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent</para>
      <para>de Raad de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante ontving sedert 1 maart 1992 het volledige</para>
      <para>ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor een ongehuwde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na het overlijden van de heer [betrokkene] op</para>
      <para>6 mei 1994 (hierna: [betrokkene]) is door gedaagde een</para>
      <para>onderzoek ingesteld naar een mogelijk recht op een</para>
      <para>overlijdensuitkering voor appellante omdat de erven van</para>
      <para>[betrokkene] gemeld hadden dat [betrokkene] met appellante</para>
      <para>in gezinsverband geleefd had. In het kader van dat onderzoek</para>
      <para>is appellante thuis bezocht en gehoord door een</para>
      <para>buitendienstmedewerker van gedaagde, die zijn bevindingen</para>
      <para>heeft neergelegd in een rapport van 11 juli 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van deze bevindingen is bij besluit van 9 september</para>
      <para>1994 aan appellante een overlijdensuitkering als bedoeld in</para>
      <para>artikel 18 van de AOW toegekend in verband met het overlijden</para>
      <para>van haar partner.</para>
      <para>Op grond van dezelfde bevindingen is bij afzonderlijk besluit</para>
      <para>van 9 september 1994 het AOW-pensioen met ingang van 1 maart</para>
      <para>1992 herzien en vastgesteld naar het wettelijk pensioenbedrag</para>
      <para>voor een gehuwde of een ongehuwde die duurzaam een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding voert met een partner van 65 jaar of</para>
      <para>ouder, onder de overweging dat was gebleken dat appellante</para>
      <para>sedert september 1989 duurzaam een gezamenlijke huishouding</para>
      <para>gevoerd had met [betrokkene]. Bij gelijk besluit is van</para>
      <para>appellante het over de periode van 1 maart 1992 tot en met</para>
      <para>april 1994 onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen</para>
      <para>teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 21 februari 1995 zijn de</para>
      <para>bezwaarschriften tegen bovengenoemde besluiten ongegrond</para>
      <para>verklaard. Tevens is beslist dat het teruggevorderde bedrag</para>
      <para>verrekend zal worden door middel van een maandelijkse</para>
      <para>inhouding op appellantes toekomstige AOW-pensioen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor</para>
      <para>zover gericht tegen de effectuering van de terugvordering niet</para>
      <para>ontvankelijk verklaard en het beroep voor het overige</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen de</para>
      <para>ongegrondverklaring van het beroep van appellante voor zover</para>
      <para>dat betrekking had op de herziening van het AOW-pensioen en</para>
      <para>het besluit tot terugvordering. Appellante heeft daartoe kort</para>
      <para>samengevat aangevoerd dat zij en [betrokkene] niet een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding voerden, maar dat er sprake was van</para>
      <para>een commerciële kostgangersrelatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding dient allereerst de vraag beantwoord te worden of</para>
      <para>gedaagde er op goede gronden van uit is gegaan dat appellante</para>
      <para>en [betrokkene] duurzaam een gezamenlijke huishouding</para>
      <para>voerden.</para>
      <para>Daartoe overweegt de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 1, derde lid, van de AOW, zoals die bepaling</para>
      <para>tot 1 januari 1996 luidde, worden mede als gehuwd of als</para>
      <para>echtgenoot aangemerkt, niet gehuwde personen van verschillend</para>
      <para>of gelijk geslacht, die duurzaam een gezamenlijke huishouding</para>
      <para>voeren, tenzij het betreft personen tussen wie</para>
      <para>bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens artikel 1, vierde lid, van de AOW kan van een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding slechts sprake zijn indien twee</para>
      <para>ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en</para>
      <para>bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de</para>
      <para>huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging</para>
      <para>voorzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat beantwoording van de vraag of van een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding sprake is, dient plaats te vinden aan</para>
      <para>de hand van objectieve criteria: de aard van de tussen</para>
      <para>betrokkenen bestaande relatie en hun subjectieve gevoelens</para>
      <para>daaromtrent dienen bij deze beoordeling buiten beschouwing te</para>
      <para>blijven. Ook is het motief voor het duurzaam voeren van een</para>
      <para>gezamenlijke huishouding niet van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als vaststaand kan worden aangenomen dat appellante en Van</para>
      <para>Assenbergh ten tijde hier van belang samen voorzagen in de</para>
      <para>huisvesting, nu zij beiden hun hoofdverblijf hadden in</para>
      <para>dezelfde woning.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de vraag of beiden bovendien een bijdrage</para>
      <para>leverden in de kosten van de huishouding dan wel op andere</para>
      <para>wijze in elkaars verzorging voorzagen overweegt de Raad, in</para>
      <para>aansluiting op zijn in het kader van de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>en andere sociale zekerheidswetten gevormde jurisprudentie met</para>
      <para>betrekking tot dat criterium het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een ongehuwde, bij wie iemand inwoont en die deze andere</para>
      <para>persoon verzorgt, en die desondanks stelt aanspraak te hebben</para>
      <para>op een AOW-pensioen naar het wettelijk pensioenbedrag voor een</para>
      <para>ongehuwde, zulks op de grond dat een en ander gebaseerd is op</para>
      <para>een zakelijke overeenkomst, dient desgevraagd op voor de</para>
      <para>Sociale Verzekeringsbank te controleren wijze, bijvoorbeeld</para>
      <para>door middel van bank- of giro-afschriften, aannemelijk te</para>
      <para>maken dat regelmatig kostgeld ontvangen wordt of ontvangen is.</para>
      <para>Voorts is het uit een oogpunt van goede uitvoering van de AOW</para>
      <para>niet onredelijk dat van een dergelijke aanvrager een</para>
      <para>schriftelijk contract ter staving van de commerciële relatie</para>
      <para>wordt verlangd.</para>
      <para>Bij gebreke van een dergelijk contract en van controleerbare</para>
      <para>betaalgegevens kan in beginsel niet als vaststaand worden</para>
      <para>aangenomen dat de betrokken pensioengerechtigde de ander ter</para>
      <para>uitvoering van een zakelijke overeenkomst onderdak en</para>
      <para>verzorging verschaft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tussen appellante en [betrokkene] was geen schriftelijk</para>
      <para>contract ter zake van kost en inwoning gesloten. Evenmin zijn</para>
      <para>er bewijzen van betaling van kostgeld. Ook heeft appellante</para>
      <para>geen opgave gedaan van de inkomsten uit het hebben van een</para>
      <para>kostganger bij de aangifte voor de inkomstenbelasting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft verklaard dat zij maandelijks f 600,--</para>
      <para>contant van [betrokkene] ontving, welk bedrag in de loop van</para>
      <para>de vijf jaar nooit verhoogd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daartegenover had [betrokkene] de beschikking over een eigen</para>
      <para>zit- slaapkamer en het medegebruik van de overige vertrekken</para>
      <para>en verschafte appellante hem kost en inwoning.</para>
      <para>Gebleken is dat het huurcontract van de woning op naam van</para>
      <para>appellante en [betrokkene] was gesteld. Het rapport van 11</para>
      <para>juli 1994 van de buitendienstmedewerker die appellante bezocht</para>
      <para>had in het kader van een onderzoek naar een mogelijk recht op</para>
      <para>een overlijdensuitkering, vermeldt dat appellante verklaard</para>
      <para>heeft dat zij en [betrokkene] samen het huishoudelijk werk</para>
      <para>deden, dat zij in geval van ziekte verzorgd werd door Van</para>
      <para>Assenbergh, dat [betrokkene] de kosten droeg wanneer zij</para>
      <para>gezamenlijk uitstapjes maakten en ook enige klusjes in huis</para>
      <para>verrichtte, terwijl appellante zelf alle kosten voor de</para>
      <para>dagelijkse huishouding droeg evenals de overige kosten.</para>
      <para>Weliswaar is de rapportage van het huisbezoek niet ter</para>
      <para>ondertekening aan appellante voorgelegd, maar de Raad ziet</para>
      <para>geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen,</para>
      <para>temeer daar appellante pas in de loop van de procedure de</para>
      <para>daarin vermelde omstandigheden die wezen in de richting van</para>
      <para>een situatie die een commerciële kostgangersrelatie te boven</para>
      <para>ging, heeft genuanceerd of ontkend.</para>
      <para>Ter zitting heeft appellante nog aangegeven dat het contact</para>
      <para>met [betrokkene] de laatste jaren verminderd was doordat hij</para>
      <para>in verband met een gokverslaving veel afwezig was en dat hij</para>
      <para>als gevolg van deze verslaving af en toe minder en een enkele</para>
      <para>maal in het geheel niet betaalde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is appellante er, uitgaande van</para>
      <para>het boven vermelde, niet in geslaagd om door middel van</para>
      <para>objectieve gegevens aan te tonen dat er slechts sprake was van</para>
      <para>een verhouding die gekenmerkt werd door zakelijke afspraken</para>
      <para>zoals bij een commerciële kostgangersrelatie gebruikelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande is door gedaagde terecht de conclusie</para>
      <para>getrokken dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding</para>
      <para>als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Hetgeen</para>
      <para>overigens namens appellante naar voren is gebracht, kan de</para>
      <para>Raad, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet tot een</para>
      <para>ander oordeel leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of gedaagde</para>
      <para>bevoegd was tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde</para>
      <para>bedrag aan ouderdomspensioen aan appellante. Deze vraag</para>
      <para>beantwoordt de Raad evenals de rechtbank, en met overneming</para>
      <para>van de overwegingen in de aangevallen uitspraak, bevestigend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de wijze waarop gedaagde van zijn bevoegdheid tot</para>
      <para>terugvordering gebruik heeft gemaakt kan niet gezegd worden</para>
      <para>dat gedaagde niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen</para>
      <para>komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een</para>
      <para>geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen</para>
      <para>rechtsbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het beroep tegen</para>
      <para>het bestreden besluit ongegrond is verklaard, komt dan ook</para>
      <para>voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te</para>
      <para>geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als</para>
      <para>voorzitter, en mr G.A.J. van den Hurk en mr Ch.J.G. Olde</para>
      <para>Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr I. de Hartog als</para>
      <para>griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) I. de Hartog.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge</para>
      <para>de Algemene Ouderdomswet kan ieder der partijen beroep in</para>
      <para>cassatie instellen, maar alleen ter zake van schending of</para>
      <para>verkeerde toepassing van het bepaalde bij of krachtens een der</para>
      <para>artikelen 1, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 2, 3 en 6</para>
      <para>van die wet.</para>
      <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken nadat dit</para>
      <para>afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift</para>
      <para>in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>EB/AS</para>
      <para>0710</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>