<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:34:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7227</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-09-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/8665 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:72&amp;g=1997-09-04">Algemene wet bestuursrecht 8:72</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:72&amp;g=1997-09-04">Algemene wet bestuursrecht 8:72</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=19&amp;g=1997-09-04">Beroepswet 19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 445 met annotatie van H.E. Bröring</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 21</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-13T12:24:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227 Centrale Raad van Beroep , 04-09-1997 / 95/8665 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Termijnstelling nieuw besluit. Schorsende werking hoger beroep. Wijziging jurisprudentie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7227:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>95/8665 WW</para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para>O.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
    <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
    <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv)</para>
    <para>in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het</para>
    <para>onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
    <para>Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt</para>
    <para>onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Onder dagtekening 11 mei 1993 heeft appellant aan gedaagde</para>
    <para>kennis gegeven van zijn beslissing om aan gedaagde met ingang</para>
    <para>van 16 september 1992 geen uitkering ingevolge de</para>
    <para>Werkloosheidswet (hierna: WW) toe te kennen, omdat gedaagde</para>
    <para>niet als werknemer in de zin van die wet beschouwd kan worden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak</para>
    <para>van 27 oktober 1995, beslissende op het namens gedaagde tegen</para>
    <para>die beslissing ingestelde beroep, dat beroep gegrond</para>
    <para>verklaard, die beslissing vernietigd, en bepaald dat appellant</para>
    <para>binnen zes weken na verzending van die uitspraak een nieuw</para>
    <para>besluit diende te nemen met inachtneming van het in die</para>
    <para>uitspraak gestelde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep</para>
    <para>gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d. 14 maart 1996</para>
    <para>zijn de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is - gevoegd met het geding, bij de Raad bekend</para>
    <para>onder nummer 96/3355 WW - behandeld ter zitting van de Raad,</para>
    <para>gehouden op 6 februari 1997, waar voor appellant is verschenen</para>
    <para>mr P.J. van Ogtrop, werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Namens</para>
    <para>gedaagde is verschenen mr R. van Rees, advocaat te Gouda.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aangezien naar het oordeel van de Raad het onderzoek niet</para>
    <para>volledig is geweest, is het onderzoek heropend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Nadien heeft de Raad, met toestemming van partijen, onder</para>
    <para>toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
    <para>(hierna: Awb), in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de</para>
    <para>Beroepswet, bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen de</para>
    <para>opdracht van de rechtbank om binnen zes weken na verzending</para>
    <para>van de uitspraak een nieuw besluit te nemen inzake de rechten</para>
    <para>van gedaagde op een WW-uitkering.</para>
    <para>Daartoe heeft appellant in het aanvullend beroepschrift onder</para>
    <para>meer het volgende aangevoerd:</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>"In het onderhavige geval betrof het geschilpunt de</para>
    <para>vraag of eiser verzekerd was voor de WW.</para>
    <para>Ondergetekende kan zich er mee verenigen dat de</para>
    <para>rechtbank zich op het standpunt stelt dat</para>
    <para>ondergetekende binnen zes weken met betrekking tot</para>
    <para>dit punt een nieuw besluit dient te nemen.</para>
    <para>Echter uit de uitspraak van de rechtbank volgt</para>
    <para>tevens dat ondergetekende binnen de genoemde termijn</para>
    <para>van zes weken een beslissing dient te nemen met</para>
    <para>betrekking tot het recht op WW-uitkering en de omvang hiervan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar het oordeel van ondergetekende miskent de</para>
    <para>rechtbank hiermee dat voor een dergelijk besluit het</para>
    <para>bepaalde in het Besluit beslistermijnen sociale</para>
    <para>verzekeringswetten in acht moet worden genomen. Meer</para>
    <para>specifiek toegespitst op de WW kan worden</para>
    <para>vastgesteld dat voor primaire beslissingen op grond</para>
    <para>van de WW - inclusief de beslissing inzake de</para>
    <para>verzekeringsplicht voor de WW zoals in casu aan de</para>
    <para>orde is een beslistermijn van 13 weken geldt</para>
    <para>(artikel 9, leden 1 en 2, Besluit beslistermijnen</para>
    <para>sociale verzekeringswetten). Op grond van artikel</para>
    <para>129 WW geldt voor het nemen van een beslissing op</para>
    <para>bezwaar eveneens een termijn van 13 weken.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verder heeft appellant in het aanvullend beroepschrift gewezen</para>
    <para>op het gestelde in de memorie van toelichting bij artikel 8:72</para>
    <para>van de Awb, PG Awb II, p.471.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad kan het standpunt van appellant niet onderschrijven.</para>
    <para>De leden een en twee van artikel 9 van het Besluit van</para>
    <para>28 december 1993, Stb. 779 (hierna: Besluit beslistermijnen</para>
    <para>sociale verzekeringswetten) hebben betrekking op primaire</para>
    <para>beschikkingen op aanvraag. Daarvan is in casu geen sprake. Ook</para>
    <para>overigens valt niet in te zien waarom voor het uitvoeren van</para>
    <para>de uitspraak van de rechtbank niet een snellere interne</para>
    <para>procedure zou kunnen worden gevolgd dan de standaardprocedure.</para>
    <para>In de memorie van toelichting wordt juist de noodzaak van</para>
    <para>"bijzondere voortvarendheid" benadrukt (PG Awb II, p.471).</para>
    <para>In artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb is aan de rechtbank</para>
    <para>een zelfstandige bevoegdheid verleend om het bestuursorgaan</para>
    <para>een termijn te stellen voor het nemen van een nieuw besluit.</para>
    <para>De door appellant aangehaalde passage uit de memorie van</para>
    <para>toelichting bij de Awb kan niet tot een ander oordeel leiden,</para>
    <para>nu die passage primair betrekking heeft op het vierde lid van</para>
    <para>artikel 8:72 van de Awb, en daarin ook overigens geen absolute</para>
    <para>koppeling aan het Besluit beslistermijnen sociale</para>
    <para>verzekeringswetten voorgestaan wordt.</para>
    <para>Indien de rechtbank bij het toepassen van artikel 8:72, vijfde</para>
    <para>lid, van de Awb geen termijn zou kunnen stellen die korter is</para>
    <para>dan de "normale" beslistermijn, zou deze bevoegdheid</para>
    <para>grotendeels van haar betekenis worden ontdaan.</para>
    <para>De Raad kan de wijze waarop de rechtbank in casu van haar</para>
    <para>bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, niet onjuist achten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad overweegt voorts - in navolging van zijn eerdere</para>
    <para>uitspraken 96/526 AAW, gepubliceerd in JB 1997/50, en 95/1248</para>
    <para>AAW, gepubliceerd in RSV 1997/90, dat op grond van artikel 19</para>
    <para>van de Beroepswet de werking van een uitspraak als de</para>
    <para>onderhavige wordt opgeschort totdat de termijn voor het</para>
    <para>instellen van hoger beroep is verstreken of, indien hoger</para>
    <para>beroep is ingesteld, op het hoger beroep is beslist.</para>
    <para>Uit deze bepaling vloeit voort dat de opschortende werking</para>
    <para>zich ook uitstrekt tot de termijn die in het dictum van de</para>
    <para>aangevallen uitspraak op grond van artikel 8:72, vijfde lid,</para>
    <para>van de Awb is gesteld voor het nemen van een nieuw besluit.</para>
    <para>Eventuele complicaties met betrekking tot de werking van de</para>
    <para>uitspraak van de rechtbank gedurende de termijn voor het</para>
    <para>instellen van hoger beroep dienen op het niveau van de</para>
    <para>rechtbank te worden opgelost.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is echter thans, anders dan in zijn twee hiervoor</para>
    <para>genoemde uitspraken, van oordeel dat appellant wel</para>
    <para>ontvankelijk is in zijn hoger beroep, aangezien er voor</para>
    <para>appellant geen andere weg open stond dan het instellen van</para>
    <para>hoger beroep om het dictum van de aangevallen uitspraak te</para>
    <para>bestrijden. Dat het door appellant beoogde resultaat, gelet op</para>
    <para>artikel 19 van de Beroepswet, reeds bereikt wordt door het</para>
    <para>instellen van het hoger beroep, doet hier niet aan af.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht termen aanwezig om appellant op grond van artikel</para>
    <para>8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van gedaagde</para>
    <para>in hoger beroep, begroot op f 710,-- voor de kosten van rechtsbijstand.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Mede gelet op artikel 22, derde lid, van de Beroepswet dient</para>
    <para>als volgt te worden beslist.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
    <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger</para>
    <para>beroep tot een bedrag groot f 710,-- te betalen door appellants bedrijfsvereniging;</para>
    <para>Bepaalt dat van appellants bedrijfsvereniging een recht van f 630,-- wordt geheven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en</para>
    <para>mr L.J.A. Damen als leden, in tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 4 september 1997.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
  <para />
  <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>EB/HL</para>
    <para>0809</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>