<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7200</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T12:27:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7200</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6427</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-09-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/7389 AOW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1997-09-24">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:71&amp;g=1997-09-24">Algemene wet bestuursrecht 8:71</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 416 met annotatie van F.J.L. Pennings</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 24</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1997/240</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7200">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7200</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-04-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7200 Centrale Raad van Beroep , 24-09-1997 / 96/7389 AOW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7200:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7200:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/7389 AOW                                       O.</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B. (TA) (Italië), appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is op bij beroepschrift van 27 juli 1996 aangevoerde</para>
      <para> gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 10 mei</para>
      <para> 1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 29 september 1996 heeft appellant de gronden</para>
      <para> van zijn beroep aangevuld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 3 oktober 1996 heeft appellant gereageerd op het hem zijdens de Raad toegezonden proces-verbaal van de</para>
      <para>zitting bij de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij schrijven van 10 oktober 1996 is namens gedaagde van verweer gediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 23 oktober 1996 heeft appellant gereageerd</para>
      <para> op dit verweerschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij schrijven van 12 februari 1997 heeft appellant zijn schrijven van 23 oktober 1996 opnieuw aan de Raad toegezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 7 juli 1997 heeft appellant de gronden van</para>
      <para> zijn beroep nader aangevuld en enkele nadere stukken aan de</para>
      <para>Raad gezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 augustus</para>
      <para> 1997. Appellant is daar - zoals aangekondigd - niet</para>
      <para>verschenen, terwijl gedaagde zich heeft laten</para>
      <para> vertegenwoordigen door mr B.T.S.J. Maarschalkerweerd, werkzaam</para>
      <para>bij gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II.MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad gaat bij de beoordeling van de zaak uit van de</para>
      <para>volgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij schrijven van 30 mei 1994 heeft appellant beroep ingesteld</para>
      <para>bij de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam tegen de door hem</para>
      <para>gestelde weigering van gedaagde om hem rente te betalen over</para>
      <para>bepaalde, namens appellant aan gedaagde betaalde, geldbedragen</para>
      <para>die gedaagde volgens appellant ten onrechte onder zijn beheer</para>
      <para>heeft genomen en gehouden. In dit schrijven heeft appellant</para>
      <para>tevens aangegeven gedaagde ten minste verplicht te achten tot</para>
      <para>het afgeven van een voor beroep vatbare beslissing.</para>
      <para>Bij schrijven van 27 juli 1994 heeft deze rechtbank dit</para>
      <para>beroepschrift aan gedaagde gezonden met het verzoek de</para>
      <para>behandeling ervan als bezwaarschrift over te nemen.</para>
      <para>Bij schrijven van 19 augustus 1994 heeft gedaagde appellant</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een voor</para>
      <para>beroep/bezwaar vatbare beslissing, aangezien de beslissing van</para>
      <para>gedaagde om aan appellant geen rentevergoeding toe te kennen,</para>
      <para>geen publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel</para>
      <para>1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) inhoudt.</para>
      <para>In de motivering wordt voorts gesteld dat niet de</para>
      <para>administratieve rechter doch de civiele rechter bevoegd is om</para>
      <para>over die beslissing te oordelen. Verder wordt medegedeeld dat</para>
      <para>appellant tegen deze beslissing schriftelijk bezwaar kan maken</para>
      <para>bij gedaagde.</para>
      <para>Bij schrijven van 29 augustus 1994 heeft appellant een</para>
      <para>bezwaarschrift ingediend bij gedaagde.</para>
      <para>Bij het bestreden besluit van 13 september 1994 heeft gedaagde</para>
      <para>de door appellant ingediende bezwaren ongegrond verklaard</para>
      <para>aangezien de beslissing om appellant geen rentevergoeding te</para>
      <para>verlenen, geen publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin</para>
      <para>van artikel 1:3 van de Awb inhoudt, en ter zake dan ook de</para>
      <para>burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen.</para>
      <para>Bij schrijven van 10 oktober 1994 heeft appellant tegen dit</para>
      <para>besluit beroep bij de rechtbank ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit</para>
      <para>van 13 september 1994 vernietigd en - na een beoordeling ten</para>
      <para>gronde - bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde</para>
      <para>besluit in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter beantwoording staat allereerst de vraag of de rechtbank</para>
      <para>terecht heeft aangenomen dat gedaagde appellant in zijn bij</para>
      <para>schrijven van 29 augustus 1994 gemaakte bezwaar tegen de</para>
      <para>beslissing van 19 augustus 1994 had dienen te ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ter zake als</para>
      <para>volgt overwogen, waarbij appellant is aangeduid als eiser en</para>
      <para>gedaagde als verweerder:</para>
      <para>"Eiser heeft aan zijn verzoek om schadevergoeding ten</para>
      <para>grondslag gelegd het verwijt dat verweerder ten</para>
      <para>onrechte onder zijn beheer heeft genomen en gehouden</para>
      <para>een bedrag van f 41.742,-- van 28 juli 1991 tot de</para>
      <para>restitutie van f 7.565,-- in december 1991, en een</para>
      <para>bedrag van f 34.177,-- vanaf december 1991 tot de</para>
      <para>restitutie daarvan op 2 oktober 1992. Deze aan</para>
      <para>verweerder verweten gedraging is niet gebaseerd op</para>
      <para>enig eerder (appellabel) besluit van verweerder,</para>
      <para>maar betreft louter feitelijk handelen van</para>
      <para>verweerder.</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in zijn</para>
      <para>uitspraak van 28 juli 1994 (AB 1995/133) in een</para>
      <para>sociale zekerheidszaak overwogen dat, indien</para>
      <para>schadevergoeding wordt verzocht naar aanleiding van</para>
      <para>een eerder besluit, waartegen beroep kon worden</para>
      <para>ingesteld, de beslissing op het verzoek om</para>
      <para>schadevergoeding een dermate nauwe samenhang</para>
      <para>vertoont met dat eerder (appellabele) besluit, dat</para>
      <para>het als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de</para>
      <para>Awb kan worden aangemerkt.</para>
      <para>De hiervoor bereikte vaststelling dat in het</para>
      <para>onderhavige geval een dergelijke samenhang met een</para>
      <para>eerder voor beroep vatbaar besluit ontbreekt,</para>
      <para>betekent naar het oordeel van de rechtbank evenwel</para>
      <para>niet dat eiser bestuursrechtelijke rechtsbescherming</para>
      <para>dient te ontberen, nu aan het verzoek om schadevergoeding</para>
      <para>een aan verweerder - althans aan het</para>
      <para>openbaar lichaam waarvan verweerder deel uitmaakt -</para>
      <para>toe te rekenen gedraging ten grondslag ligt, die</para>
      <para>heeft plaatsgevonden binnen het kader van de</para>
      <para>bijzondere publiekrechtelijke rechtsbetrekking</para>
      <para>tussen partijen, te weten de uitvoering van de AOW</para>
      <para>en de AWW. De rechtbank wijst in dit kader op het</para>
      <para>bepaalde in artikel 3 van de Wet op de Sociale</para>
      <para>Verzekeringsbank - oud - en artikel 28 van de</para>
      <para>Organisatiewet sociale verzekeringen - nieuw -.</para>
      <para>Daarmee is het publiekrechtelijk karakter van de</para>
      <para>verweten gedraging gegeven. Dit brengt mee dat dit</para>
      <para>verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt</para>
      <para>als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde</para>
      <para>lid, van de Awb, en de daarop te nemen beslissing</para>
      <para>als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.</para>
      <para>Verweerder had derhalve op de aanvraag van eiser van</para>
      <para>30 mei 1994 dienen te beslissen door een zuiver</para>
      <para>schadebesluit te nemen. Tevens had verweerder eiser</para>
      <para>in zijn bezwaar tegen de beslissing van 19 augustus</para>
      <para>1994 dienen te ontvangen.</para>
      <para>Nu verweerder dat niet heeft gedaan, is het</para>
      <para>bestreden besluit genomen in strijd met het bepaalde</para>
      <para>in de afdelingen 7:1 en 7:2 van Hoofdstuk 7 van de</para>
      <para>Awb, en artikel 1:3 van de Awb, en kan dat besluit</para>
      <para>dus geen stand houden.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht</para>
      <para>vastgesteld dat in casu geen sprake is van een primaire</para>
      <para>beslissing omtrent vergoeding van gestelde geleden schade als</para>
      <para>gevolg van een (appellabel) besluit, zoals aangegeven in 's</para>
      <para>Raads uitspraak van 28 juli 1994, onder andere gepubliceerd in</para>
      <para>JB 1994, 221, RSV 1995/19 en AB 1995, 133.</para>
      <para>Het verzoek om schadevergoeding en de daarop genomen primaire</para>
      <para>beslissing tot niet-ontvankelijkheid, wat daarvan verder ook</para>
      <para>zij, hebben immers betrekking op gestelde renteschade die het</para>
      <para>gevolg is van het door gedaagde - volgens appellant ten</para>
      <para>onrechte - onder zijn beheer nemen en houden van bepaalde</para>
      <para>geldbedragen die door de belastingdienst aan gedaagde zijn</para>
      <para>betaald na een daartoe namens appellant gedaan verzoek.</para>
      <para>Gedaagde heeft bij het onder zijn beheer nemen en houden van</para>
      <para>deze geldbedragen aangenomen dat deze bestemd waren ter</para>
      <para>betaling van de premie voor een vrijwillige verzekering voor</para>
      <para>de Algemene Ouderdomswet en de Algemene Weduwen- en Wezenwet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad neemt met de rechtbank aan dat hier sprake is van</para>
      <para>gestelde schade, geleden als gevolg van feitelijk handelen. De</para>
      <para>enkele omstandigheid dat een aan gedaagde toe te rekenen</para>
      <para>handelen plaatsvindt binnen het kader van een door regels van</para>
      <para>publiekrecht beheerste rechtsbetrekking, betekent naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad nog niet dat een beslissing ter regeling</para>
      <para>van de gevolgen van dat handelen als een publiekrechtelijke</para>
      <para>rechtshandeling en dus als een besluit kan worden beschouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Indien de mogelijkheid van beroep, en daaraan voorafgaand</para>
      <para>eventueel bezwaar, ter zake van het schade veroorzakende</para>
      <para>handelen of nalaten zelf ontbreekt, zoals in casu, is de</para>
      <para>burgerlijke rechter bevoegd ten gronde over de</para>
      <para>schadebeslissing te oordelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande had gedaagde in het bestreden besluit</para>
      <para>appellant in zijn bezwaren tegen de beslissing van 19 augustus</para>
      <para>1994 niet-ontvankelijk moeten verklaren.</para>
      <para>De rechtbank had op haar beurt het bestreden besluit derhalve</para>
      <para>niet alleen moeten vernietigen, maar ook - in plaats van de</para>
      <para>rechtsgevolgen ervan in stand te laten - met toepassing van</para>
      <para>artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak</para>
      <para>voorziend, appellant in zijn bezwaren tegen de beslissing van</para>
      <para>19 augustus 1994 niet-ontvankelijk moeten verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevallen uitspraak komt dan ook gedeeltelijk voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking.</para>
      <para>Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad</para>
      <para>appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren in zijn bezwaren</para>
      <para>tegen de beslissing van 19 augustus 1994.</para>
      <para>Gelet op artikel 8:71 van de Awb merkt de Raad op dat</para>
      <para>appellant zich tot de burgerlijke rechter kan wenden ter zake</para>
      <para>van de de door hem gevorderde schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III.BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is</para>
      <para>bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in</para>
      <para>stand blijven;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Verklaart het bezwaar tegen de beslissing van 19 augustus 1994</para>
      <para>niet-ontvankelijk;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellant het door hem in hoger</para>
      <para>beroep gestorte griffierecht ten bedrage van f 150,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.A. Hoogeveen als voorzitter en</para>
      <para>mr G.A.J. van den Hurk en mr L.J.A. Damen als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr R. Roeland als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 24 september 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.A. Hoogeveen.</para>
    <para />
    <para>(get.) R. Roeland.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>