<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7179</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:45:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7179</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK6376</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-09-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/3717 AW, 96/3677 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1997/228</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7179">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7179</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7179 Centrale Raad van Beroep , 25-09-1997 / 96/3717 AW, 96/3677 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7179:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Handhaving j.p. met betrekking tot het niet vooruitlopen op de inwerkingtreding van de derde</para>
        <para> tranche van de Awb.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7179:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/3717 AW en 96/3677 AW                            O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>de directeur van het gemeentelijk grondbedrijf van de</para>
      <para>gemeente Amsterdam, appellant tevens gedaagde (hierna te</para>
      <para>noemen: de directeur),</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A., wonende te B., gedaagde tevens</para>
      <para>appellant (hierna te noemen: A.).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de directeur is op de daartoe bij beroepschrift</para>
      <para>aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de</para>
      <para>uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam</para>
      <para>van 15 maart 1996, nrs. AWB 96/1630 AW en AWB 96/1632 AW,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens A. is tegen evengenoemde uitspraak eveneens</para>
      <para>hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens de directeur is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van 21 augustus</para>
      <para>1997, waar de directeur zich heeft doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door W. Park, verbonden aan het Adviesbureau voor</para>
      <para>arbeidsrecht en bestuursrecht Park &amp; Zwagerman te Wognum,</para>
      <para>en M.L. Cramer, werkzaam bij het gemeentelijk</para>
      <para>grondbedrijf van de gemeente Amsterdam. A. is in</para>
      <para>persoon verschenen, bijgestaan door mr Th.A. Velo,</para>
      <para>verbonden aan het Adviesbureau Arbeidsrecht</para>
      <para>Ambtenarenrecht Velo &amp; Stuiver b.v. te Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. is vanaf  1990 werkzaam geweest bij</para>
      <para>het gemeentelijk grondbedrijf van de gemeente Amsterdam,</para>
      <para>aanvankelijk op basis van arbeidsovereenkomsten, nadien</para>
      <para>op basis van een aanstelling in tijdelijke dienst voor</para>
      <para>onbepaalde tijd en laatstelijk, gedurende de periode van</para>
      <para>1 januari 1994 tot 1 januari 1996, op basis van een</para>
      <para>aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van interne openstelling van de vacature</para>
      <para>voor de functie van medewerker debiteuren bij het</para>
      <para>erfpachtadministratiekantoor heeft A. bij schrijven</para>
      <para>van 6 december 1995 van zijn belangstelling voor</para>
      <para>vervulling van die functie doen blijken. Na een tweetal</para>
      <para>sollicitatiegesprekken is hem bij schrijven van 24</para>
      <para>januari 1996 bericht dat de procedure niet met hem werd</para>
      <para>voortgezet. Tegen deze afwijzing is namens A.</para>
      <para>bezwaar ingediend bij de directeur. In dat bezwaar is hij</para>
      <para>bij het in geding zijnde besluit van 16 februari 1996</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is bij</para>
      <para>afwezigheid van de directeur door het Hoofd Algemene</para>
      <para>Zaken ondertekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dit besluit vernietigd en de directeur</para>
      <para>opdracht gegeven een nieuw besluit te nemen met</para>
      <para>inachtneming van het in de uitspraak van de rechtbank</para>
      <para>overwogene. De directeur heeft bij besluit van 23 april</para>
      <para>1996 aan die opdracht voldaan en A. andermaal</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard in diens bezwaar.</para>
      <para>Overeenkomstig artikel 6:18, vierde lid, van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht heeft de directeur afschrift van dit</para>
      <para>besluit aan de Raad doen toekomen. Ingevolge artikel</para>
      <para>6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt</para>
      <para>het bij de Raad aanhangige beroep van A. mede</para>
      <para>geacht gericht te zijn tegen dit besluit van de</para>
      <para>directeur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevallen uitspraak steunt, kort gezegd, op de</para>
      <para>opvatting van de rechtbank dat het besluit van 16</para>
      <para>februari 1996 niet door de daartoe bevoegde personen is</para>
      <para>genomen, nu op het ingediende bezwaarschrift in mandaat</para>
      <para>is beslist door dezelfde functionaris die ook het</para>
      <para>primaire besluit van 24 januari 1996 heeft genomen. De</para>
      <para>rechtbank heeft daarnaast uitvoerige overwegingen gewijd</para>
      <para>aan de vraag of een afwijzende beslissing op een</para>
      <para>sollicitatie in het algemeen als een besluit in de zin</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht kan worden beschouwd en</para>
      <para>of zulk een besluit voor de betrokken ambtenaar in het</para>
      <para>algemeen en het in geding zijnde besluit voor A. in</para>
      <para>het bijzonder appellabel is te achten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft de opvatting van de rechtbank die</para>
      <para>tot vernietiging van het in geding zijnde besluit heeft</para>
      <para>geleid niet. Onder verwijzing naar zijn uitspraken van</para>
      <para>23 mei 1996, gepubliceerd in TAR 1996, 139 en van 16</para>
      <para>januari 1997, gepubliceerd in TAR 1997, 41 ziet hij ook</para>
      <para>thans geen aanleiding om vooruit te lopen op de</para>
      <para>inwerkingtreding van de Wet van 20 juni 1996 tot</para>
      <para>aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (derde</para>
      <para>tranche Algemene wet bestuursrecht), Stb. 333. Anders dan</para>
      <para>de rechtbank ziet de Raad in hetgeen in het toekomstige</para>
      <para>artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht is vastgelegd niet een codificatie van een</para>
      <para>ongeschreven thans reeds geldende rechtsregel.</para>
      <para>De aangevallen uitspraak kan dan ook niet in stand</para>
      <para>blijven.</para>
      <para>De Raad merkt overigens nog op dat de rechtbank in haar</para>
      <para>overwegingen - naar het oordeel van de Raad terecht - tot</para>
      <para>uitdrukking heeft gebracht dat de directeur als</para>
      <para>mandataris van het College van burgemeester en wethouders</para>
      <para>is opgetreden, maar niettemin de directeur zelf als</para>
      <para>partij heeft aangemerkt en ook die directeur opdracht</para>
      <para>heeft gegeven een nieuw besluit te nemen. De Raad</para>
      <para>volstaat ermee hier vast te stellen dat ook in dit</para>
      <para>opzicht aan de aangevallen uitspraak een gebrek kleeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen de rechtbank overigens heeft</para>
      <para>overwogen en de dienaangaande door partijen naar voren</para>
      <para>gebrachte grieven overweegt de Raad het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het karakter van de weigering iemand</para>
      <para>als ambtenaar in een door hem geambieerde functie aan te</para>
      <para>stellen onderschrijft de Raad het oordeel van de</para>
      <para>rechtbank, dat zulk een weigering gelet op het bepaalde</para>
      <para>in artikel 1:3, eerste lid, in samenhang met artikel 6:2</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht is aan te merken als</para>
      <para>een besluit in de zin van die wet. De Raad kan (de</para>
      <para>gemachtigde van) de directeur niet volgen in diens</para>
      <para>opvatting, dat van een besluit slechts sprake kan zijn</para>
      <para>indien de betrokken sollicitant een redelijke grond voor</para>
      <para>de verwachting kan hebben dat hij in de vacature benoemd</para>
      <para>wordt.</para>
      <para>Overigens betekent de vaststelling dat een weigering een</para>
      <para>sollicitant te benoemen als een besluit in de zin van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht moet worden gekarakteriseerd,</para>
      <para>zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, nog niet</para>
      <para>dat tegen dat besluit bezwaar kan worden gemaakt en/of</para>
      <para>beroep kan worden ingesteld. Ingevolge artikel 8:4,</para>
      <para>aanhef en onder d van de Algemene wet bestuursrecht kan</para>
      <para>immers geen beroep worden ingesteld tegen een besluit tot</para>
      <para>benoeming of aanstelling, tenzij beroep wordt ingesteld</para>
      <para>door een ambtenaar als bedoeld in artikel 1 van de</para>
      <para>Ambtenarenwet als zodanig, met welke laatste beperking,</para>
      <para>in overeenstemming met de jurisprudentie van vóór de</para>
      <para>inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht beoogd</para>
      <para>is tot uitdrukking te brengen dat de mogelijkheden voor</para>
      <para>een solliciterende ambtenaar om beroep in te stellen</para>
      <para>tegen een besluit hem niet in een door hem geambieerde</para>
      <para>functie te benoemen beperkt zijn tot die gevallen waarin</para>
      <para>hij door die weigering als zodanig rechtstreeks in zijn</para>
      <para>belang wordt getroffen, hetgeen in het algemeen slechts</para>
      <para>het geval zal zijn indien de sollicitatie direct</para>
      <para>voortkomt uit een bestaand loopbaanperspectief of</para>
      <para>carrièrepatroon, dan wel uit bij de betrokken ambtenaar</para>
      <para>opgewekte verwachtingen op benoeming in de geambieerde</para>
      <para>functie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Toegespitst op het voorliggende geval is ook de Raad van</para>
      <para>oordeel dat A. niet in zijn bezwaar tegen de</para>
      <para>weigering hem in de genoemde functie van medewerker</para>
      <para>debiteuren te benoemen kon worden ontvangen. Reeds het</para>
      <para>gegeven dat A. in tijdelijke dienst voor bepaalde</para>
      <para>tijd was aangesteld staat er naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>aan in de weg om te aanvaarden dat te zijnen aanzien van</para>
      <para>een loopbaanperspectief of carrièrepatroon in de</para>
      <para>ambtelijke dienst van de gemeente Amsterdam sprake was,</para>
      <para>terwijl van enige toezegging of anderszins gewekte</para>
      <para>verwachting op benoeming in de geambieerde functie geen</para>
      <para>sprake is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hiervoor overwogene leidt de Raad tot de slotsom dat</para>
      <para>A. terecht in zijn bezwaar niet-ontvankelijk is</para>
      <para>verklaard. De omstandigheid dat de grond waarop A.</para>
      <para>in zijn bezwaar niet-ontvankelijk behoorde te worden</para>
      <para>verklaard in de in geding zijnde besluiten van 16</para>
      <para>februari 1996 en 23 april 1996 niet (geheel) zuiver is</para>
      <para>weergegeven geeft de Raad op zichzelf geen aanleiding die</para>
      <para>besluiten te vernietigen. Beslist wordt dan ook zoals in</para>
      <para>rubriek III is weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan</para>
      <para>artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt:</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het primaire beroep van A. alsnog</para>
      <para>ongegrond;</para>
      <para>Verklaart het beroep van A. voor zover geacht te</para>
      <para>zijn gericht tegen het door de directeur (namens het</para>
      <para>College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Amsterdam) genomen besluit van 23 april 1996 ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en</para>
      <para>mr H.A.A.G. Vermeulen en mr Ch. de Vrey als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en in</para>
      <para>het openbaar uitgesproken op 25 september 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>