<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7154</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T13:33:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7154</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AG8334</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-08-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/5681 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1997-08-27">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=19&amp;g=1997-08-27">Ziektewet 19</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=29&amp;g=1997-08-27">Ziektewet 29</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=29&amp;g=1997-08-27">Ziektewet 29</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=39c&amp;g=1997-08-27">Ziektewet 39c</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=39c&amp;g=1997-08-27">Ziektewet 39c</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 390 met annotatie van F.J.L. Pennings</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 1</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1997/223</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1997/224</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7154">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7154</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-01-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7154 Centrale Raad van Beroep , 27-08-1997 / 95/5681 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7154:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Na 'second opinion'-onderzoek besluit bv onder verwijzing naar artikel 39c.2 ZW geen ziekengeld</para>
        <para>uit te keren omdat niet is vastgesteld dat betr. ongeschikt was tot het verrichten van zijn werk.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7154:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/5681 ZW                                        O.</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
      <para>treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
      <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats</para>
      <para>getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 18 augustus 1994 heeft appellant gedaagde</para>
      <para>in kennis gesteld van zijn besluit gedaagde naar</para>
      <para>aanleiding van zijn verzoek d.d. 17 augustus 1994 geen</para>
      <para>ziekengeld uit te keren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 23 juni 1995, onder gegrondverklaring van het beroep,</para>
      <para>het bestreden besluit vernietigd en beslissingen gegeven</para>
      <para>over de proceskosten en het griffierecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift d.d.</para>
      <para>22 november 1955 aangevoerde gronden tegen deze uitspraak</para>
      <para>hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht de aangevallen</para>
      <para>uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep tegen</para>
      <para>het bestreden besluit alsnog ongegrond te verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr W. Zandberg, advocaat te</para>
      <para>Tilburg, een verweerschrift d.d. 6 maart 1996 ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden</para>
      <para>op 16 juli 1997, waar appellant zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr A. van Hespen, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mr J. van Os, advocaat te</para>
      <para>Tilburg, als zijn raadsman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van toepassing zijn de bepalingen van de Ziektewet (ZW)</para>
      <para>zoals deze luidde van 1 januari 1994 tot 1 januari 1995.</para>
      <para>De Raad gaat uit van navolgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>Gedaagde is als chauffeur in dienst van Station Taxi B.V.</para>
      <para>Nadat hij eerder van 28 juni 1994 tot 2 juli 1994 wegens</para>
      <para>knieklachten arbeidsongeschikt was geweest, heeft</para>
      <para>gedaagde zich per 30 juli 1994 opnieuw ziekgemeld.</para>
      <para>Terzake van dit ziektegeval was de werkgever een</para>
      <para>zogenoemde zes-weken werkgever als bedoeld in artikel 29</para>
      <para>lid 5 ZW. De controle op het vaststellen van de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid en de begeleiding van gedaagde</para>
      <para>werd op aanwijzing van de werkgever door een aan de</para>
      <para>arbo-dienst ARBONED verbonden arts verricht. Deze arts</para>
      <para>achtte gedaagde bij onderzoek op 1 augustus 1994 per 30</para>
      <para>juli 1994 niet arbeidsongeschikt. Gedaagde kon zich met</para>
      <para>deze visie niet verenigen en verzocht appellant een</para>
      <para>onderzoek in te stellen en een oordeel te geven over het</para>
      <para>bestaan van ongeschiktheid tot werken; kortom, hij</para>
      <para>verzocht appellant om een zogenoemde 'second opinion'.</para>
      <para>Aannemende dat gedaagde met zijn werkgever een geschil</para>
      <para>had over de ongeschiktheid tot werken, heeft een bij</para>
      <para>appellant werkzaam zijnde arts gedaagde op 3 augustus</para>
      <para>1994 onderzocht. Deze arts deelde de conclusie van</para>
      <para>eerderbedoelde arts en heeft dit gedaagde bij brief van 8</para>
      <para>augustus 1994 meegedeeld.</para>
      <para>Op 17 augustus 1994 heeft gedaagde appellant verzocht om</para>
      <para>ziekengeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit heeft appellant, onder</para>
      <para>verwijzing naar het bepaalde in artikel 39 c lid 2 ZW,</para>
      <para>besloten geen ziekengeld uit te keren omdat niet is</para>
      <para>vastgesteld dat gedaagde ongeschikt was tot het</para>
      <para>verrichten van zijn arbeid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank</para>
      <para>allereerst overwogen dat het in een second opinion</para>
      <para>neergelegde oordeel van appellant ter zake van het</para>
      <para>bestaan van arbeidsongeschiktheid geen appellabel besluit</para>
      <para>is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft die opvatting. De brief van 8</para>
      <para>augustus 1994 bevat naar het oordeel van de Raad slechts</para>
      <para>een mededeling van feitelijke aard, en is niet gericht op</para>
      <para>publiekrechtelijk rechtsgevolg. Blijkens de</para>
      <para>wetsgeschiedenis is de second opinion van het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan in de eerste plaats bedoeld als een</para>
      <para>attest, waarvan de werknemer tegenover zijn werkgever</para>
      <para>gebruik kan maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft voorts het bestreden besluit van</para>
      <para>18 augustus 1994 aangemerkt als een besluit dat ziet op</para>
      <para>de aanspraak van gedaagde op ziekengeld wegens</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid, en dat derhalve appellabel is en</para>
      <para>door haar ten volle kan worden getoetst, evenals</para>
      <para>besluiten ter zake van aanspraken ingevolge artikel 19</para>
      <para>ZW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het hoger beroep van appellant richt zich tegen dat</para>
      <para>oordeel. In zijn visie staat aan de rechtbank slechts ter</para>
      <para>toetsing of terecht geweigerd is ziekengeld uit te keren</para>
      <para>op de grond dat niet aan alle voorwaarden van artikel 39c</para>
      <para>lid 2 ZW is voldaan. De omvang van de toetsing als door</para>
      <para>de rechtbank voorgestaan zou indirect de opvatting van</para>
      <para>het uitvoeringsorgaan over de arbeidsgeschiktheid, dat in</para>
      <para>de vorm van een advies in het kader van het second</para>
      <para>opinion-onderzoek was gegeven, aan beroep bij de</para>
      <para>administratieve rechter onderwerpen, terwijl het de</para>
      <para>uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever was dat</para>
      <para>geschillen over de arbeidsongeschiktheid tijdens de</para>
      <para>wachtperiode van twee of zes weken door de burgerlijke</para>
      <para>rechter werden beslecht, aldus appellant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 19 ZW heeft de verzekerde bij</para>
      <para>ongeschiktheid tot werken wegens ziekte of gebrek recht</para>
      <para>op ziekengeld. Bij de Wet terugdringing ziekteverzuim</para>
      <para>(Wet Tz) (Stb 1993, 750) is in artikel 29 ZW een regeling</para>
      <para>ingevoerd, hierop neerkomende - voorzover hier van</para>
      <para>belang - dat het ziekengeld van een verzekerde die in</para>
      <para>dienstbetrekking staat tot een werkgever, gedurende zes</para>
      <para>weken vanaf de eerste ongeschiktheidsdag niet wordt</para>
      <para>uitgekeerd. Voor de werknemers in dienst van - kleinere -</para>
      <para>werkgevers als bedoeld in het vijfde lid van dat artikel</para>
      <para>bedraagt die periode twee weken. Tegelijk zijn enige</para>
      <para>bepalingen van het Burgerlijk Wetboek gewijzigd waarvan</para>
      <para>de strekking is dat de werknemer, wanneer hij tengevolge</para>
      <para>van ziekte verhinderd is geweest zijn arbeid te</para>
      <para>verrichten, gedurende zes weken ten opzichte van zijn</para>
      <para>werkgever aanspraak houdt op - tenminste een deel van</para>
      <para>zijn - loon. Blijkens de wetsgeschiedenis werd beoogd de</para>
      <para>werkgever door vergroting van zijn financiële</para>
      <para>betrokkenheid bij het ziekteverzuim aan te sporen tot het</para>
      <para>voeren van een actief verzuimbeleid. Daartoe diende</para>
      <para>tevens dat die werkgever om dat verzuimbeleid in te</para>
      <para>vullen zich liet bijstaan door een 'deskundige dienst'</para>
      <para>als bedoeld in artikel 18 van de</para>
      <para>Arbeidsomstandighedenwet, welke wet bij die gelegenheid</para>
      <para>eveneens werd gewijzigd. In samenhang daarmee bepaalt</para>
      <para>artikel 39a ZW dat de bedrijfsvereniging in beginsel</para>
      <para>gedurende het tijdvak van zes/twee weken geen controle</para>
      <para>verricht en de betrokken werknemer niet aan een</para>
      <para>geneeskundig onderzoek kan onderwerpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter versterking van zijn rechtsbescherming werd in</para>
      <para>artikel 39c lid 1 ZW voor de werknemer, indien hij</para>
      <para>gedurende het tijdvak van zes/twee weken een geschil</para>
      <para>heeft met zijn werkgever over de ongeschiktheid tot</para>
      <para>werken, de mogelijkheid geopend om de bedrijfsvereniging</para>
      <para>te verzoeken een onderzoek in te stellen en een oordeel</para>
      <para>te geven over het bestaan van ongeschiktheid tot werken.</para>
      <para>In  artikel 39c lid 2 ZW is vervolgens bepaald dat de</para>
      <para>werknemer, indien de werkgever gedurende bedoeld tijdvak</para>
      <para>niet aan zijn verplichting tot loonbetaling voldoet en</para>
      <para>nadat bij het in het eerste lid bedoelde onderzoek is</para>
      <para>vastgesteld dat hij ongeschikt was tot het verrichten van</para>
      <para>zijn arbeid, de bedrijfsvereniging kan verzoeken</para>
      <para>ziekengeld uit te keren.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad vloeit uit die regeling,</para>
      <para>mede gelet op de wetsgeschiedenis, voort dat, indien bij</para>
      <para>het second opinion-onderzoek is vastgesteld dat de</para>
      <para>werknemer ongeschikt was tot het verrichten van zijn</para>
      <para>arbeid en de werkgever desondanks gedurende bedoeld</para>
      <para>tijdvak niet aan zijn loonbetalingsverplichting voldoet,</para>
      <para>de bedrijfsvereniging, na een daartoe door de werknemer</para>
      <para>gedaan verzoek, gehouden is het ziekengeld uit te</para>
      <para>betalen. In dat geval beslist de bedrijfsvereniging</para>
      <para>tevens over de aanspraak op ziekengeld zelf. In het</para>
      <para>systeem van de ZW kan de uitbetaling van het ziekengeld</para>
      <para>immers niet los worden gezien van de aanspraak daarop</para>
      <para>krachtens artikel 19 ZW.</para>
      <para>Die regeling laat voorts naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>onverlet dat de werknemer, óók in de situatie dat de</para>
      <para>uitkomst van het second opinion-onderzoek luidt dat hij</para>
      <para>niet ongeschikt is tot het verrichten van zijn werk, zich</para>
      <para>tot de bedrijfsvereniging kan wenden met het verzoek</para>
      <para>omtrent zijn aanspraak op ziekengeld en de uitbetaling</para>
      <para>daarvan te beslissen. Indien de bedrijfsvereniging</para>
      <para>vervolgens besluit dat geen ziekengeld wordt uitgekeerd</para>
      <para>op de grond dat betrokkene bij het second opinion-</para>
      <para>onderzoek niet ongeschikt werd geacht, beslist zij tevens</para>
      <para>over het bestaan van (on)geschiktheid tot werken en</para>
      <para>daarmee over het recht op ziekengeld krachtens artikel 19</para>
      <para>ZW. In beide gevallen is sprake van publiekrechtelijke</para>
      <para>rechtshandelingen en daarmee van besluiten als bedoeld in</para>
      <para>artikel 1:3 Awb, waartegen ingevolge artikel 8:1 Awb</para>
      <para>beroep open staat bij de rechtbank. Voorts zijn die</para>
      <para>besluiten ten volle, derhalve ook ten aanzien van de</para>
      <para>vraag of terecht is beslist dat de betrokkene ongeschikt</para>
      <para>was tot het verrichten van zijn arbeid, aan het oordeel</para>
      <para>van die rechter onderworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het betoog van appellant merkt de</para>
      <para>Raad nog op dat het vorenstaande een gevolg is van de</para>
      <para>door de wetgever gemaakte keuzen, waardoor aan de als</para>
      <para>attest bedoelde uitkomst van het second opinion-onderzoek</para>
      <para>gevolgen kunnen worden verbonden in de verhouding tussen</para>
      <para>de werknemer en de bedrijfsvereniging omtrent het recht</para>
      <para>op en de uitbetaling van het ziekengeld. Overigens kan de</para>
      <para>Raad, anders dan appellant, in de wetsgeschiedenis niet</para>
      <para>als bedoeling van de wetgever lezen dat geschillen tussen</para>
      <para>de bedrijfsvereniging en de verzekerde over de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid tijdens de wachtperiode door de</para>
      <para>burgerlijke rechter zouden moeten worden beslecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het hiervoor overwogene is de Raad tot de</para>
      <para>slotsom gekomen dat de rechtbank op goede gronden heeft</para>
      <para>aangenomen dat het bestreden besluit ten volle kon worden</para>
      <para>getoetst. Nu het hoger beroep van appellant zich beperkt</para>
      <para>tot dat onderdeel van de aangevallen uitspraak, kan</para>
      <para>worden beslist als hierna is aangegeven. Voorts acht de</para>
      <para>Raad termen aanwezig appellant te veroordelen in de aan</para>
      <para>de zijde van gedaagde in hoger beroep gevallen kosten,</para>
      <para>begroot op f 1.420,-- wegens verleende rechtsbijstand,</para>
      <para>vermeerderd met f 33,75 wegens reiskosten van gedaagde,</para>
      <para>totaal derhalve f 1.453,75. Van andere kosten is de Raad</para>
      <para>niet gebleken.</para>
      <para>Tenslotte gelast de Raad dat van appellant een recht</para>
      <para>wordt geheven van f 630,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als hierna is aangegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover</para>
      <para>aangevochten;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in aan de zijde van gedaagde</para>
      <para>gevallen kosten begroot op f 1.453,75;</para>
      <para>Gelast dat van appellant een recht van f 630,-- wordt</para>
      <para>geheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en</para>
      <para>mr M.A. Hoogeveen en mr Chr. van Voorst als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B.J. van der Net.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) R.E. Lysen.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>