<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7132</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:36:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7132</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZF2933</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-08-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/7264 APPA, 97/1571 APPA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=2:1&amp;g=1997-08-28">Algemene wet bestuursrecht 2:1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:45&amp;g=1997-08-28">Algemene wet bestuursrecht 3:45</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:11&amp;g=1997-08-28">Algemene wet bestuursrecht 6:11</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7132">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7132</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7132 Centrale Raad van Beroep , 28-08-1997 / 95/7264 APPA, 97/1571 APPA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7132:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen verschoonbare overschrijding van bezwarentermijn, hoewel het primair besluit niet aan de gem. is gezonden en bij de bekendmaking evenmin de aan te wenden rechtsmiddelen zijn vermeld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7132:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/7264 + 97/1571 APPA</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A te B, eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Beuningen, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij vanwege de Arrondissementsrechtbank te Arnhem aan de</para>
      <para>Raad doorgezonden brief d.d. 4 mei 1995 heeft</para>
      <para>mr M.A.J.J. Niesten, werkzaam bij de Stichting</para>
      <para>Rechtsbijstand te Tilburg, als gemachtigde van eiser</para>
      <para>beroep ingesteld terzake het niet tijdig nemen van een</para>
      <para>besluit op de namens eiser ingediende bezwaarschriften</para>
      <para>d.dis 7 juni 1994 en 10 juni 1994 tegen een tweetal</para>
      <para>besluiten, welke verweerder ten aanzien van eiser heeft</para>
      <para>genomen op 1 maart 1994 respectievelijk 28 april 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft onder dagtekening 6 juli 1995 op</para>
      <para>bovenvermelde bezwaarschriften alsnog een besluit</para>
      <para>genomen, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is</para>
      <para>gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook tegen dit besluit heeft eisers gemachtigde bij de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Arnhem beroep ingesteld. In</para>
      <para>het vanwege genoemde rechtbank aan de Raad doorgezonden</para>
      <para>beroepschrift (met bijlagen) is aangegeven waarom eiser</para>
      <para>zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens verweerder is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn tezamen, gevoegd met een tweetal andere</para>
      <para>gedingen tussen partijen, behandeld ter zitting van</para>
      <para>5 juni 1997. Aldaar is eiser in persoon verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr M.A.J.J. Niesten voornoemd als zijn</para>
      <para>raadsman. Verweerder heeft zich ter zitting doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr P.J. Schaap, verbonden aan het</para>
      <para>Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie</para>
      <para>te Zwolle.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt ten behoeve van zijn oordeelsvorming op</para>
      <para>grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting</para>
      <para>de volgende feiten en omstandigheden vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser, geboren [datum], is van [aanvangsdatum] tot</para>
      <para>[einddatum] wethouder van de gemeente [plaatsnaam]. </para>
      <para>Aansluitend is hem, bij wijze van voorschot, een</para>
      <para>uitkering als bedoeld in artikel 1 van de Uitkerings- en</para>
      <para>pensioenverordening wethouders der gemeente Beuningen</para>
      <para>(hierna: de Verordening) toegekend. Met het oog op de</para>
      <para>toepassing van artikel 5, ingevolge welk voorschrift de</para>
      <para>uitkering wordt verminderd met inkomsten uit of in</para>
      <para>verband met arbeid in beroep of bedrijf, is daarbij</para>
      <para>rekening gehouden met inkomsten, die eiser tijdens zijn</para>
      <para>wethouderschap reeds genereerde uit een door hem</para>
      <para>gexploiteerde onderneming. Laatstgenoemde inkomsten,</para>
      <para>welke niet met de uitkering worden verrekend, zijn bij</para>
      <para>besluit d.d. 2 oktober 1989 vastgesteld op f 80.300,--</para>
      <para>per jaar. Bij besluit d.d. 12 oktober 1992 heeft</para>
      <para>verweerder de verrekenbare inkomsten van eiser over het</para>
      <para>jaar 1989 vastgesteld, hetgeen ertoe heeft geleid dat van</para>
      <para>eiser een netto-bedrag van f 34.685,52 is teruggevorderd.</para>
      <para>Bij zijn uitspraak d.d. 20 januari 1994, nummer APPA</para>
      <para>1992/9, heeft de Raad dat besluit vernietigd omdat de</para>
      <para>verrekenbare inkomsten te hoog waren vastgesteld. Gezien</para>
      <para>de aard van de zaak is ervan afgezien om verweerder</para>
      <para>opdracht te geven een nader besluit te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Inmiddels was tussen eisers gemachtigde en de advocaat</para>
      <para>van verweerder, mr C.P. Aubel te Nijmegen,</para>
      <para>correspondentie gaande, in welk kader namens verweerder</para>
      <para>bij brief d.d. 29 oktober 1993 aan eisers gemachtigde een</para>
      <para>voorstel is gedaan, strekkende tot finale afwikkeling van</para>
      <para>het tussen partijen bestaande geschil. Daarbij is,</para>
      <para>uitgaande van een wijziging van het bedrag aan niet met</para>
      <para>de uitkering verrekenbare inkomsten van f 80.300,-- in</para>
      <para>f 75.932,-- per jaar, een becijfering gemaakt van eisers</para>
      <para>uitkering op grond van de Verordening over de jaren 1988</para>
      <para>tot en met 1990. Op dit voorstel heeft eisers gemachtigde</para>
      <para>na overleg met eiser bij brief d.d. 8 december 1993 aan</para>
      <para>mr Aubel voornoemd afwijzend gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft verweerder bij aan eiser gezonden</para>
      <para>besluit d.d. 1 maart 1994 de uitkering over de jaren 1988</para>
      <para>tot en met 1990 vastgesteld, voor de berekening waarvan</para>
      <para>is verwezen naar de brief d.d. 29 oktober 1993. Tevens is</para>
      <para>medegedeeld dat eiser aangaande de bruto-netto berekening</para>
      <para>van het terug te betalen bedrag nader bericht zal</para>
      <para>ontvangen. Dit is geschied bij besluit d.d. 28 april</para>
      <para>1994, waarbij het bedrag aan te veel betaalde uitkering</para>
      <para>is vastgesteld op f 110.782,78 bruto, welk bedrag van</para>
      <para>eiser is teruggevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens eiser heeft mr Niesten bij per fax verzonden brief</para>
      <para>d.d. 7 juni 1994 bezwaar gemaakt tegen het besluit d.d.</para>
      <para>28 april 1994. Bij brief d.d. 10 juni 1994 is bezwaar</para>
      <para>gemaakt tegen het besluit d.d. 1 maart 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit d.d. 6 juli 1995 heeft</para>
      <para>verweerder het bezwaar tegen het besluit d.d. 1 maart</para>
      <para>1994 wegens niet-verschoonbare overschrijding van de voor</para>
      <para>het indienen van een bezwaarschrift geldende termijn van</para>
      <para>zes weken niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen</para>
      <para>het besluit d.d. 28 april 1994 heeft verweerder ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal eerst aandacht schenken aan het beroep dat</para>
      <para>eiser heeft doen instellen tegen het besluit d.d. 6 juli</para>
      <para>1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de zijde van eiser zijn in de eerste plaats grieven</para>
      <para>ingebracht terzake het niet-ontvankelijk verklaren van</para>
      <para>het bezwaarschrift tegen het besluit d.d. 1 maart 1994.</para>
      <para>Daartoe is aangevoerd dat het besluit d.d. 1 maart 1994</para>
      <para>ten onrechte (alleen) aan eiser is gezonden en niet</para>
      <para>(tevens) aan zijn gemachtigde, wiens bestaan bij</para>
      <para>verweerder bekend was, dat eiser niet heeft kunnen</para>
      <para>onderkennen dat sprake was van een definitief besluit, nu</para>
      <para>een nader besluit in het vooruitzicht werd gesteld, en</para>
      <para>dat in strijd met artikel 3:45 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (hierna: Awb) enige informatie omtrent de</para>
      <para>tegen het besluit d.d. 1 maart 1994 aan te wenden</para>
      <para>rechtsmiddelen niet is verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad deelt de opvatting van eiser dat verweerder, die</para>
      <para>op de hoogte was van het feit dat eiser zich in zijn</para>
      <para>verkeer met verweerder steeds had doen bijstaan door een</para>
      <para>gemachtigde, er in beginsel niet mee had mogen volstaan</para>
      <para>het besluit d.d. 1 maart 1994 alleen aan eiser toe te</para>
      <para>zenden. Op dit punt acht de Raad dan ook sprake van een</para>
      <para>verzuim van verweerder in het kader van de voorbereiding</para>
      <para>van dat besluit. Gelet evenwel op de door de wetgever</para>
      <para>beoogde strekking van artikel 2:1 van de Awb, kan de Raad</para>
      <para>aan dat verzuim niet het gevolg verbinden dat het besluit</para>
      <para>d.d. 6 juli 1995 reeds daarom niet in stand kan blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de Raad na te gaan of het ontbreken van</para>
      <para>enige voorlichting terzake de eiser ten dienste staande</para>
      <para>rechtsmiddelen tegen dat besluit tot het oordeel kan</para>
      <para>leiden dat zich daardoor een omstandigheid voordoet die</para>
      <para>toepassing van artikel 6:11 van de Awb rechtvaardigt.</para>
      <para>Hierbij acht de Raad het volgende van belang.</para>
      <para>In het besluit d.d. 1 maart 1994 is verwezen naar de</para>
      <para>brief d.d. 29 oktober 1993, met de inhoud waarvan eiser,</para>
      <para>naar hij ter zitting heeft verklaard, volledig bekend</para>
      <para>was. Eiser moet daarom geacht worden in staat te zijn</para>
      <para>geweest tot het onderkennen van het karakter van het</para>
      <para>besluit d.d. 1 maart 1994, zonder dat hij daartoe eerst</para>
      <para>de beschikking behoefde te hebben over de bij dat besluit</para>
      <para>toegezegde bruto-netto berekening van het terug te</para>
      <para>betalen bedrag, zoals die is verstrekt bij het besluit</para>
      <para>d.d. 28 april 1994.</para>
      <para>Daarnaast valt het eiser aan te rekenen dat hij niet</para>
      <para>onmiddellijk na ontvangst van laatstgenoemd besluit, dat</para>
      <para>overigens evenmin was voorzien van een bezwarenclausule,</para>
      <para>heeft besloten na te gaan welke betekenis dat besluit had</para>
      <para>voor het besluit d.d. 1 maart 1994, maar daartoe eerst op</para>
      <para>of omstreeks 7 juni 1994 contact heeft gezocht met zijn</para>
      <para>gemachtigde.</para>
      <para>Gezien de vorengeschetste, specifieke, feiten en</para>
      <para>omstandigheden is de Raad van oordeel dat de</para>
      <para>overschrijding van de termijn, waarbinnen tegen het</para>
      <para>besluit d.d. 1 maart 1994 bezwaar had moeten zijn</para>
      <para>gemaakt, door verweerder terecht niet-verschoonbaar is</para>
      <para>geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad komt vervolgens toe aan de bespreking van eisers</para>
      <para>grief tegen het bestreden besluit, waarbij zijn bezwaar</para>
      <para>tegen het besluit d.d. 28 april 1994 ongegrond is</para>
      <para>verklaard. Eiser is van mening dat verweerder ten</para>
      <para>onrechte is overgegaan tot een bruto terugvordering van</para>
      <para>het bedrag ad f 110.782,78, zijnde de som van de aan</para>
      <para>eiser over de jaren 1988 tot en met 1990 te veel betaalde</para>
      <para>uitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is dit besluit in</para>
      <para>overeenstemming met zijn vaste jurisprudentie. Die</para>
      <para>jurisprudentie houdt in dat het bestuursorgaan gerechtigd</para>
      <para>is over te gaan tot terugvordering van bruto bedragen in</para>
      <para>het geval, zoals in casu, de onverschuldigd gebleken</para>
      <para>betaling betrekking heeft op een tijdvak dat inmiddels in</para>
      <para>fiscale zin is afgesloten, waardoor verrekening tussen</para>
      <para>het bestuursorgaan als inhoudingsplichtige voor de</para>
      <para>toepassing van de Wet op de Loonbelasting 1964 en de</para>
      <para>fiscus niet meer tot de mogelijkheden behoort.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot slot ziet de Raad zich gesteld voor de vraag of eiser</para>
      <para>thans nog belang heeft bij het ingestelde beroep tegen</para>
      <para>het niet tijdig beslissen op de ingediende</para>
      <para>bezwaarschriften d.dis 7 juni 1994 en 10 juni 1994. Een</para>
      <para>dergelijk belang kan naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>aanwezig zijn indien is verzocht om toepassing van</para>
      <para>artikel 8:73 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien zijdens eiser zulk een verzoek niet is gedaan,</para>
      <para>beantwoordt de Raad de voren geformuleerde vraag</para>
      <para>ontkennend, zodat dit beroep niet-ontvankelijk moet</para>
      <para>worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven</para>
      <para>aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en beslist</para>
      <para>als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het beroep gericht tegen het besluit d.d.</para>
      <para>6 juli 1995, ongegrond;</para>
      <para>Verklaart het beroep gericht tegen het niet tijdig nemen</para>
      <para>van een besluit op de bezwaarschriften d.dis 7 juni 1994</para>
      <para>en 10 juni 1994, niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr R.C. Schoemaker en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.P. Schieveen.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>