<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:36:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7131</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-08-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/9345 APPA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1997-08-28">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131 Centrale Raad van Beroep , 28-08-1997 / 95/9345 APPA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Anti-cumulatie, korting, inkomsten uit arbeid, schadevergoeding, bruto winst, pensioenvoorziening, stamrecht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7131:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/9345 APPA</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para />
    <para>[Eiser], wonende te [woonplaats], eiser,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Beuningen, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 23 november 1995 heeft verweerder ten</para>
      <para>aanzien van eiser een besluit genomen, waarvan een</para>
      <para>afschrift aan deze uitspraak is gehecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit heeft mr M.A.J.J. Niesten, werkzaam bij</para>
      <para>de Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, als gemachtigde</para>
      <para>van eiser bij de Raad beroep ingesteld. In het</para>
      <para>beroepschrift (met bijlagen) is aangegeven waarom eiser</para>
      <para>zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens verweerder is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd zijn vanwege verweerder aan de Raad nog enige</para>
      <para>stukken toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is, gevoegd met een drietal andere gedingen</para>
      <para>tussen partijen, behandeld ter zitting van 5 juni 1997.</para>
      <para>Aldaar is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door</para>
      <para>mr M.A.J.J. Niesten voornoemd, als zijn raadsman.</para>
      <para>Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door mr P.J. Schaap, verbonden aan het Centraal</para>
      <para>Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie te</para>
      <para>Zwolle.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad wijst voor de relevante feiten en omstandigheden</para>
      <para>allereerst naar zijn uitspraak, geregistreerd onder</para>
      <para>nummer 95/7264 + 97/1571 APPA. Daaraan voegt hij ten</para>
      <para>behoeve van zijn oordeelsvorming in dit geding het</para>
      <para>volgende toe.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit d.d. 22 juni 1995 is verweerder overgegaan</para>
      <para>tot vaststelling van de aan eiser op grond van de</para>
      <para>Uitkerings- en pensioenverordening wethouders der</para>
      <para>gemeente Beuningen (hierna: de Verordening) toegekende</para>
      <para>uitkering over de jaren 1991 tot en met 1993, met als</para>
      <para>resultante een tegoed van ƒ 91.426,39. Daarbij zijn met</para>
      <para>toepassing van artikel 5 van de Verordening tevens</para>
      <para>vastgesteld de met eisers uitkering te verrekenen</para>
      <para>inkomsten, die hij in genoemde jaren uit anderen hoofde</para>
      <para>heeft genoten. In dit verband is verweerder, op grond van</para>
      <para>een door VB accountants verricht financieel onderzoek,</para>
      <para>uitgegaan van het inkomen dat eiser genoot uit zijn</para>
      <para>dienstbetrekking als directeur van de door hem op</para>
      <para>1 januari 1990 opgerichte en formeel sedert 27 juli 1990</para>
      <para>bestaande besloten vennootschap (hierna: BV) onder de</para>
      <para>naam [naam adviesburo] als rechtsopvolger van</para>
      <para>de onderneming [naam onderneming]. Voorts heeft verweerder zowel het</para>
      <para>bruto bedrijfsresultaat (vóór afdracht</para>
      <para>vennootschapsbelasting) van de BV, waarvan eiser enig</para>
      <para>aandeelhouder is, volledig aan eiser toegerekend alsook</para>
      <para>de in genoemde jaren op de balans van de BV vermeld</para>
      <para>staande posten terzake pensioenvoorziening en stamrecht</para>
      <para>ten volle gerekend tot de verrekenbare inkomsten van</para>
      <para>eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De tegen het besluit d.d. 22 juni 1995 ingebrachte</para>
      <para>bezwaren heeft verweerder bij het bestreden besluit</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In beroep heeft eiser tegen het bestreden besluit een</para>
      <para>aantal grieven aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de eerste plaats kan eiser zich niet verenigen met het</para>
      <para>door verweerder ook bij het besluit d.d. 22 juni 1995</para>
      <para>ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Verordening tot</para>
      <para>uitgangspunt genomen nader vastgestelde bedrag aan</para>
      <para>inkomsten, die eiser tijdens zijn wethouderschap</para>
      <para>genereerde uit een door hem gevoerde onderneming.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat verweerder terzake deze inkomsten</para>
      <para>reeds heeft beslist bij zijn besluit d.d. 1 maart 1994.</para>
      <para>In zijn uitspraak 95/7264 + 97/1571 APPA heeft de Raad</para>
      <para>geoordeeld dat verweerder het tegen dat besluit namens</para>
      <para>eiser ingediende bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk</para>
      <para>heeft verklaard. Nu voorts het besluit d.d. 22 juni 1995</para>
      <para>in dit onderdeel niet is aan te merken als een op</para>
      <para>rechtsgevolg gericht besluit, kan dit punt van geschil in</para>
      <para>het onderhavige geding niet aan de orde komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zich daarnaast gekeerd tegen de wijze waarop</para>
      <para>verweerder toepassing heeft gegeven aan artikel 5, tweede</para>
      <para>lid, van de Verordening door het bruto bedrijfsresultaat</para>
      <para>van de BV en de ten laste van die BV gebrachte posten</para>
      <para>pensioenvoorziening en stamrecht aan te merken als met de</para>
      <para>uitkering verrekenbare inkomsten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bestreden besluit en het verhandelde ter</para>
      <para>zitting is de Raad gebleken dat verweerder zijn standpunt</para>
      <para>dat bij de toepassing van anti-cumulatievoorschriften in</para>
      <para>een geval als het onderhavige, waarin sprake is van het</para>
      <para>gebruik van een rechtspersoon, mag worden uitgegaan van</para>
      <para>de bruto winst uit onderneming, heeft ontleend aan de</para>
      <para>jurisprudentie van de Raad, gepubliceerd in, onder meer,</para>
      <para>TAR 1994, nr 194. De Raad wijst er met nadruk op dat deze</para>
      <para>jurisprudentie is toegespitst op gevallen, waarin voor</para>
      <para>het verrichten van (neven)werkzaamheden een zodanig</para>
      <para>gebruik is gemaakt van rechtspersonen dat met het oog op</para>
      <para>de toepassing van anti-cumulatie- dan wel, als in casu,</para>
      <para>kortingsvoorschriften "door de constructie heen wordt</para>
      <para>gezien". Naar in deze jurisprudentie echter primair is</para>
      <para>neergelegd vermag het gebruik van een rechtspersoon</para>
      <para>teneinde hiermee inkomsten uit arbeid te verwerven niet</para>
      <para>reeds op zichzelf beschouwd de conclusie te</para>
      <para>rechtvaardigen dat sprake is van oneigenlijk gebruik.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zijdens verweerder is ter zitting verklaard dat in het</para>
      <para>onderhavige geval eisers besluit om zijn</para>
      <para>bedrijfsactiviteiten onder te brengen in een BV niet</para>
      <para>reeds aanleiding is geweest om "door de constructie heen</para>
      <para>te zien". De Raad kan verweerder, ook gelet op de aard en</para>
      <para>omvang van eisers werkzaamheden, in die zienswijze</para>
      <para>volgen. Naar het oordeel van de Raad doet zich in casu</para>
      <para>evenmin het geval voor, waarin anderszins is beoogd de</para>
      <para>toepassing van anti-cumulatie- dan wel</para>
      <para>kortingsvoorschriften te ontlopen, bijvoorbeeld omdat de</para>
      <para>betrokkene vrijwillig heeft besloten om arbeid om niet of</para>
      <para>tegen een zeer geringe beloning te verrichten. De</para>
      <para>beschikbare financiële gegevens van de BV laten zien,</para>
      <para>naar ook door de vertegenwoordiger van verweerder ter</para>
      <para>zitting is erkend, dat eiser zich als directeur een</para>
      <para>salaris heeft toegekend, waarvan de omvang in een</para>
      <para>redelijke verhouding staat tot de omzet van de BV.</para>
      <para>De Raad ziet dan ook geen grond voor de aanpak van</para>
      <para>verweerder om bij de toepassing van artikel 5 van de</para>
      <para>Verordening niet de reële cijfers van de BV tot</para>
      <para>uitgangspunt te nemen. De Raad acht in dit verband het</para>
      <para>enkele argument van verweerder dat de posten</para>
      <para>pensioenvoorziening en stamrechtverplichting het</para>
      <para>bedrijfsresultaat van de BV te zeer negatief beïnvloeden,</para>
      <para>niet voldoende zwaarwegend, aangezien deze beide</para>
      <para>voorzieningen blijkens de gedingstukken geen bezwaar</para>
      <para>hebben ontmoet bij de fiscale autoriteiten. In dat</para>
      <para>verband neemt de Raad in aanmerking dat in zijn</para>
      <para>algemeenheid de zienswijze van de bevoegde fiscale</para>
      <para>autoriteiten grote betekenis dient te worden gehecht, met</para>
      <para>dien verstande dat daarvan kan worden afgeweken indien</para>
      <para>voldoende overtuigend wordt aangetoond dat de gegevens</para>
      <para>die door de fiscale autoriteiten aanvaard zijn, niet</para>
      <para>gevolgd behoren te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat</para>
      <para>verweerder bij zijn besluit d.d. 22 juni 1995 tot</para>
      <para>vaststelling van eisers uitkering ingevolge de</para>
      <para>Verordening over de jaren 1991 tot en met 1993 had dienen</para>
      <para>uit te gaan van de winst van de BV minus de door de BV af</para>
      <para>te dragen vennootschapsbelasting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit brengt mee dat het bestreden besluit in dit onderdeel</para>
      <para>moet worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal zich voorts richten op het verzoek namens</para>
      <para>eiser, strekkende tot vergoeding van renteschade op grond</para>
      <para>van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
      <para>Verweerder heeft tegen dat verzoek geen bedenkingen</para>
      <para>ingebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In een aantal uitspraken van de Raad - volstaan kan</para>
      <para>worden met verwijzing naar zijn uitspraken van 1 en</para>
      <para>8 november 1995 (JB 1995/314 en 296) - ligt besloten dat</para>
      <para>voor de vaststelling van zodanige schade zoveel mogelijk</para>
      <para>aansluiting dient te worden gezocht bij het</para>
      <para>civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Daarbij is in</para>
      <para>het bijzonder van belang de jurisprudentie van de</para>
      <para>burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van een door</para>
      <para>de admini-stratieve rechter vernietigd besluit.</para>
      <para>Uit die jurisprudentie blijkt dat het bestuursorgaan dat</para>
      <para>een dergelijk besluit heeft genomen - behoudens</para>
      <para>bijzondere omstandigheden - een hem toe te rekenen</para>
      <para>onrechtmatige daad heeft gepleegd, waaruit voor hem de</para>
      <para>plicht voortvloeit aan de belanghebbende de schade te</para>
      <para>vergoeden die deze als gevolg van het besluit lijdt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens hetgeen hiervoren is overwogen is in casu ten</para>
      <para>opzichte van eiser sprake van een onrechtmatig besluit</para>
      <para>van verweerder d.d. 22 juni 1995. Nu niet is gebleken van</para>
      <para>bijzondere omstandigheden, rust op verweerder de plicht</para>
      <para>tot vergoeding van de door eiser dientengevolge geleden</para>
      <para>schade.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht de schade die gevormd wordt door de</para>
      <para>wettelijke rente, op de voet van de artikelen 6:119 en</para>
      <para>6:120 van het BW toewijsbaar vanaf de datum dat</para>
      <para>verweerder aan eiser de uitkering over de jaren 1991 tot</para>
      <para>en met 1993 zou hebben betaald, indien het besluit d.d.</para>
      <para>22 juni 1995 zou hebben geluid zoals het rechtens had</para>
      <para>behoren te luiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ingevolge artikel 6 van de Verordening geschiedt de</para>
      <para>betaling van een uitkering als de onderhavige in</para>
      <para>maandelijkse termijnen. De Verordening bevat echter geen</para>
      <para>voorschriften met betrekking tot de dag waarop de</para>
      <para>uitkering wordt betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet daarop en in aanmerking genomen dat bij het besluit</para>
      <para>d.d. 22 juni 1995 eisers uitkering over de jaren 1991 tot</para>
      <para>en met 1993 is vastgesteld, neemt de Raad omwille van een</para>
      <para>praktische en eenvormige rechtstoepassing in casu tot</para>
      <para>uitgangspunt, dat het aan eiser uit dien hoofde rechtens</para>
      <para>toekomende bedrag had moeten zijn betaald uiterlijk op de</para>
      <para>laatste dag van de maand waarin het besluit tot</para>
      <para>vaststelling van eisers uitkering over genoemde jaren is</para>
      <para>genomen, zodat de wettelijke rente over het bedrag dat te</para>
      <para>weinig is betaald, verschuldigd wordt op de eerste dag</para>
      <para>van de maand volgende op die waarin de juiste betaling</para>
      <para>had moeten plaatsvinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De eerste dag voor de periode waarover de rente</para>
      <para>verschuldigd is, wordt derhalve gesteld op 1 juli 1995;</para>
      <para>deze periode strekt zich vervolgens uit tot aan de dag</para>
      <para>der voldoening toe.</para>
      <para>Hierbij geldt dat de berekening van de rente dient te</para>
      <para>geschieden over het bedrag dat bruto had moeten worden</para>
      <para>nabetaald.</para>
      <para>Bij de berekening van de wettelijke rente dient voorts</para>
      <para>telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover</para>
      <para>wettelijke rente wordt berekend te worden vermeerderd met</para>
      <para>de over dat jaar verschuldigde rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat</para>
      <para>het verzoek van eiser, strekkende tot vergoeding van</para>
      <para>renteschade op grond van artikel 8:73 van de Awb, voor</para>
      <para>toewijzing in aanmerking komt. In casu brengt dit mee dat</para>
      <para>ook het besluit in primo moet worden vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om toepassing</para>
      <para>te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en</para>
      <para>verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser</para>
      <para>tot een bedrag van ƒ 1.420,-- wegens verleende</para>
      <para>rechtsbijstand. Van andere kosten, die in dit verband</para>
      <para>voor vergoeding in aanmerking komen, is de Raad niet</para>
      <para>gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit en het besluit van</para>
      <para>verweerder d.d. 22 juni 1995;</para>
      <para>Bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt de gemeente Beuningen tot vergoeding van de</para>
      <para>renteschade als in rubriek II van deze uitspraak is</para>
      <para>overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten</para>
      <para>bedrage van ƒ 1.420,--;</para>
      <para>Gelast dat aan eiser het griffierecht van ƒ 200,-- wordt</para>
      <para>vergoed;</para>
      <para>Wijst de gemeente Beuningen aan als de rechtspersoon die</para>
      <para>de proceskosten en het griffierecht dient te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
      <para>mr R.C. Schoemaker en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.P. Schieveen.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>