<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7109</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T00:15:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:CRVB:1997:ZF2925</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7109</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6521</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL0795</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-08-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/3111 AAW/WAO, 95/3118 AAW/WAO, 95/3121 AAW/WAO;97/4262 AAW/WAO, 97/4264 AAW/WAO, 97/4265 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:11&amp;g=1997-08-08">Algemene wet bestuursrecht 7:11</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:69&amp;g=1997-08-08">Algemene wet bestuursrecht 8:69</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:18&amp;g=1997-08-08">Algemene wet bestuursrecht 6:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:19&amp;g=1997-08-08">Algemene wet bestuursrecht 6:19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 20</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1997/223</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7109">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7109</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">1999-02-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7109 Centrale Raad van Beroep , 08-08-1997 / 95/3111 AAW/WAO, 95/3118 AAW/WAO, 95/3121 AAW/WAO;97/4262 AAW/WAO, 97/4264 AAW/WAO, 97/4265 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7109:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7109:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>95/3111 + 3118 + 3121 AAW/WAO</para>
      <para>97/4262 + 4264 + 4265 AAW/WAO</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
      <para>treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
      <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats</para>
      <para>getreden van de Bedrijfsvereniging voor de</para>
      <para>Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde</para>
      <para>tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 maart 1993 (hierna: besluit 1) heeft</para>
      <para>gedaagde, onder toepassing van artikel 34 (oud) van de</para>
      <para>Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en artikel 45</para>
      <para>(oud) van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</para>
      <para>(WAO), de uitbetaling van de aan appellant krachtens die</para>
      <para>wetten toegekende uitkeringen met ingang van 1 januari</para>
      <para>1988 op nihil gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluiten van 29 maart 1993 (hierna: besluit 2) en</para>
      <para>30 maart 1993 (hierna: besluit 3) heeft gedaagde met</para>
      <para>toepassing van artikel 48 (oud) van de AAW en artikel 57</para>
      <para>(oud) van de WAO van appellant teruggevorderd een bedrag</para>
      <para>van f 123.945,39 ter zake van hetgeen op grond van die</para>
      <para>wetten over de periode van 1 januari 1988 tot 1 januari</para>
      <para>1993 onverschuldigd aan appellant was betaald,</para>
      <para>respectievelijk van f 4.468,33 ter zake van hetgeen op</para>
      <para>grond van die wetten over de periode van 1 januari 1993</para>
      <para>tot 1 april 1993 onverschuldigd aan appellant was</para>
      <para>betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 november 1993 (hierna: besluit 4)</para>
      <para>heeft gedaagde de aan appellant krachtens de AAW en de</para>
      <para>WAO toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een</para>
      <para>mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang</para>
      <para>van 12 december 1993 ingetrokken op de grond dat</para>
      <para>appellants arbeidsongeschiktheid per die datum moet</para>
      <para>worden gesteld op minder dan 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr L. Rijpkema, advocaat te</para>
      <para>Groningen, tegen deze besluiten beroep ingesteld.</para>
      <para>Hangende de ingestelde procedures heeft gedaagde</para>
      <para>meegedeeld de besluiten 2 en 3 niet langer te handhaven</para>
      <para>en heeft hij twee nieuwe besluiten genomen en verzocht de</para>
      <para>tegen de besluiten 2 en 3 ingestelde beroepen mede</para>
      <para>gericht te achten tegen deze nieuwe besluiten. Het ging</para>
      <para>daarbij om een besluit van 20 oktober 1994 (hierna:</para>
      <para>besluit 5), waarbij gedaagde met toepassing van</para>
      <para>artikel 48 (oud) van de AAW en artikel 57 (oud) van de</para>
      <para>WAO van appellant heeft teruggevorderd een bedrag van</para>
      <para>f 118.280,39 ter zake van hetgeen op grond van die wetten</para>
      <para>over de periode van 1 april 1988 tot 1 januari 1993</para>
      <para>onverschuldigd aan appellant was betaald, en om een</para>
      <para>besluit van 21 oktober 1994 (hierna: besluit 6), waarbij</para>
      <para>gedaagde met toepassing van artikel 48 (oud) van de AAW</para>
      <para>en artikel 57 (oud) van de WAO van appellant heeft</para>
      <para>teruggevorderd een bedrag van f 6.333,17 ter zake van</para>
      <para>hetgeen op grond van die wetten over de periode van 1</para>
      <para>januari 1993 tot 1 april 1993 onverschuldigd aan</para>
      <para>appellant was betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 9 december 1994 de tegen de besluiten 2, 3 en 4</para>
      <para>ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard en de</para>
      <para>tegen de besluiten 1, 5 en 6 ingestelde beroepen</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr Rijpkema, voornoemd, heeft tegen deze uitspraak, op</para>
      <para>bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger</para>
      <para>beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter</para>
      <para>zitting van de Raad, gehouden op 23 mei 1997, waar</para>
      <para>partijen, zoals door hen voorafgaand was bericht, niet</para>
      <para>zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 30 oktober 1984 heeft appellant, op dat moment</para>
      <para>werkzaam als directeur in loondienst van BV X., zich</para>
      <para>ziek gemeld in verband met epilepsie-aanvallen. Terzake</para>
      <para>van die arbeidsongeschiktheid is hem gedurende de</para>
      <para>maximum-termijn van 52 weken uitkering ingevolge de</para>
      <para>Ziektewet verstrekt. Bij beslissing van 9 juli 1986 zijn</para>
      <para>aan appellant, in aansluiting op de verstrekking van</para>
      <para>ziekengeld, met ingang van 29 oktober 1985 uitkeringen</para>
      <para>ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een</para>
      <para>mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Naar</para>
      <para>aanleiding van een grootschalig opsporingsonderzoek naar</para>
      <para>frauduleus handelen van meerdere personen is gedaagde bij</para>
      <para>rapport van 25 november 1992 van de opsporingsambtenaar</para>
      <para>L.T. Lammers ervan in kennis gesteld dat appellant</para>
      <para>inkomsten uit arbeid heeft genoten, terwijl hij daarvan</para>
      <para>geen melding had gedaan aan gedaagde. Vervolgens heeft</para>
      <para>gedaagde de besluiten 1, 2 en 3 genomen. In navolging van</para>
      <para>een daartoe strekkend advies van de toenmalige</para>
      <para>Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) van 28 oktober</para>
      <para>1993, heeft gedaagde vervolgens besluit 4 genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor de Raad ligt de vraag voor of de bestreden besluiten</para>
      <para>in rechte stand kunnen houden. Ter beantwoording van deze</para>
      <para>vraag stelt de Raad de bestreden besluiten afzonderlijk</para>
      <para>aan de orde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Besluit 4 (besluit van 12 november 1993)</para>
      <para>De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingestelde</para>
      <para>beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het</para>
      <para>beroep is ingesteld nadat de termijn voor het instellen</para>
      <para>van beroep reeds was verstreken en zij deze</para>
      <para>termijnoverschrijding, gelet op hetgeen appellant terzake</para>
      <para>heeft aangevoerd, niet verschoonbaar achtte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat de</para>
      <para>door hem voor de rechtbank aangevoerde argumenten, die</para>
      <para>dienden ter onderbouwing van de stelling dat de</para>
      <para>termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht,</para>
      <para>worden gehandhaafd. Daarbij is namens appellant</para>
      <para>aangegeven dat gedaagde ten onrechte geen acht heeft</para>
      <para>geslagen op de door hem doorgegeven adreswijziging,</para>
      <para>alsmede dat ten onrechte door de rechtbank is</para>
      <para>voorbijgegaan aan de omstandigheid dat hij niet in staat</para>
      <para>was zijn belangen goed te behartigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft zich in zijn verweerschrift op het - met</para>
      <para>argumenten onderbouwde - standpunt gesteld dat het beroep</para>
      <para>tegen besluit 4 door de rechtbank terecht</para>
      <para>niet-ontvankelijk is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het</para>
      <para>beroepschrift is ingediend nadat de daarvoor gestelde</para>
      <para>termijn reeds was verstreken en ook hij ziet in hetgeen</para>
      <para>namens appellant is aangevoerd onvoldoende</para>
      <para>aanknopingspunten voor het oordeel dat deze</para>
      <para>termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.</para>
      <para>In de eerste plaats overweegt de Raad daartoe dat het</para>
      <para>door gedaagde gebruikte postadres in overeenstemming is</para>
      <para>met de door appellant in maart 1993 geuite wens zijn post</para>
      <para>te ontvangen via postbusnummer ... te C. Voorts is</para>
      <para>niet gebleken dat door of namens appellant aan gedaagde</para>
      <para>is meegedeeld dat genoemd postadres niet (langer) kon of</para>
      <para>diende te worden gebruikt. Daarnaast overweegt de Raad</para>
      <para>dat de namens appellant aangevoerde stelling dat hij in</para>
      <para>verband met epilepsie-aanvallen niet in staat is geweest</para>
      <para>genoemde postbus eerder te legen, naar zijn oordeel niet</para>
      <para>op genoegzame wijze door appellant aannemelijk is</para>
      <para>gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op bovenstaande overwegingen dient de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen besluit 4</para>
      <para>niet-ontvankelijk is verklaard, te worden bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Besluit 1 (besluit van 26 maart 1993)</para>
      <para>Bij dit besluit is de uitbetaling van de door gedaagde</para>
      <para>aan appellant toegekende uitkeringen ingevolge de AAW en</para>
      <para>de WAO met ingang van 1 januari 1988 op nihil gesteld op</para>
      <para>de grond dat appellant inkomsten uit arbeid geniet die</para>
      <para>meer bedragen dan evenredig is aan zijn nog bestaande</para>
      <para>arbeidsgeschiktheid, terwijl er geen gronden aanwezig</para>
      <para>zijn om de aan hem toegekende uitkeringen in te trekken</para>
      <para>of te herzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat dit</para>
      <para>besluit is genomen door de verkeerde bedrijfsvereniging,</para>
      <para>alsmede dat onvoldoende grondslag aanwezig is om vast te</para>
      <para>stellen dat en tot welk bedrag hij inkomsten uit arbeid</para>
      <para>heeft genoten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is in de eerste plaats betoogd dat de</para>
      <para>rechtbank terecht aan de omstandigheid dat het besluit</para>
      <para>abusievelijk was gesteld op briefpapier van de Nieuwe</para>
      <para>Industriële Bedrijfsvereniging geen gevolgen heeft</para>
      <para>verbonden. In de tweede plaats is namens gedaagde</para>
      <para>aangevoerd dat het aan appellant zelf te wijten is dat de</para>
      <para>hoogte van diens inkomsten niet exact is vast te stellen</para>
      <para>en dat, omdat naar zijn mening onomstotelijk vaststaat</para>
      <para>dat appellant werkzaamheden heeft verricht en daaruit</para>
      <para>inkomsten heeft genoten, hij niet anders kon dan die</para>
      <para>inkomsten schattenderwijs vast te stellen. Gedaagde heeft</para>
      <para>er in dit verband op gewezen dat ook voor de rechtbank,</para>
      <para>blijkens de aangevallen uitspraak, vaststaat dat</para>
      <para>appellant in ieder geval vele malen meer aan inkomsten</para>
      <para>heeft genoten dan hetgeen hij kon verdienen zonder het</para>
      <para>recht op uitbetaling van zijn uitkeringen ingevolge de</para>
      <para>AAW en de WAO geheel te verliezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat het hoger beroep tegen de</para>
      <para>aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep</para>
      <para>tegen besluit 1 ongegrond is verklaard, geen doel treft.</para>
      <para>Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, gelet op de</para>
      <para>gedingstukken, sprake is geweest van een kennelijke</para>
      <para>misslag nu het besluit op verkeerd briefpapier is</para>
      <para>gesteld. De Raad kent daarbij doorslaggevende betekenis</para>
      <para>toe aan het feit dat het aan het besluit ten grondslag</para>
      <para>liggende advies van de GMD van 4 maart 1993 aan gedaagde</para>
      <para>is uitgebracht. Overigens wijst de Raad er nog op dat</para>
      <para>blijkens de interne voorlegger van 9 maart 1993 het de</para>
      <para>zogeheten Kleine Commissie van gedaagde is geweest die op</para>
      <para>13 januari 1993 heeft beslist tot terugvordering over te</para>
      <para>gaan van de ten onrechte aan appellant uitbetaalde</para>
      <para>uitkering. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat de</para>
      <para>rechtbank terecht het gebruik van het verkeerde</para>
      <para>briefpapier heeft aangemerkt als een vormgebrek en, nu</para>
      <para>appellant daardoor niet wordt benadeeld, terecht met</para>
      <para>toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) aan dit gebrek geen gevolgen heeft</para>
      <para>verbonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts is de Raad met de rechtbank en op de door haar</para>
      <para>aangegeven gronden van oordeel dat voldoende deugdelijke</para>
      <para>grondslag aanwezig is voor het door gedaagde ingenomen</para>
      <para>standpunt dat appellant meer inkomsten heeft genoten dan</para>
      <para>door appellant op de hem door gedaagde toegezonden</para>
      <para>inlichtingenformulieren AAW/WAO is aangegeven, alsmede</para>
      <para>voor het standpunt van gedaagde dat de omvang van die</para>
      <para>inkomsten zodanig was dat de uitbetaling van appellants</para>
      <para>uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO op nihil diende te</para>
      <para>worden gesteld. Ook de Raad verwijst hiervoor naar de</para>
      <para>resultaten van het hierboven genoemde</para>
      <para>opsporingsonderzoek, welke resultaten naar zijn oordeel</para>
      <para>niet namens appellant op overtuigende wijze zijn weerlegd</para>
      <para>of weersproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van bovenstaande overweging komt de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1</para>
      <para>ongegrond is verklaard, voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Besluiten 2 en 3 (besluiten van 29 en 30 maart 1993)</para>
      <para>Gedaagde heeft bij brief van 20 oktober 1994 aan</para>
      <para>appellant meegedeeld de besluiten 2 en 3 niet langer te</para>
      <para>handhaven en heeft daarbij aan appellant de besluiten 5</para>
      <para>en 6 doen toekomen, waarin hij zijn nieuwe standpunten</para>
      <para>heeft neergelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de</para>
      <para>beroepen van appellant tegen de besluiten 2 en 3</para>
      <para>niet-ontvankelijk verklaard omdat naar haar oordeel door</para>
      <para>de intrekking van die besluiten het belang van appellant</para>
      <para>bij een oordeel over de beroepen is komen te vervallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft evenwel vastgesteld dat gedaagde weliswaar</para>
      <para>heeft aangegeven de in de besluiten 2 en 3 neergelegde</para>
      <para>standpunten niet langer te handhaven, maar dat gedaagde</para>
      <para>niet tot intrekking van die besluiten is overgegaan.</para>
      <para>Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de besluiten 2 en</para>
      <para>3 niet in rechte stand kunnen houden en derhalve voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking komen. Ook de aangevallen</para>
      <para>uitspraak komt derhalve, voor zover daarbij de beroepen</para>
      <para>tegen de besluiten 2 en 3 niet-ontvankelijk zijn</para>
      <para>verklaard, voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Besluiten 5 en 6 (besluiten van 20 en 21 oktober 1994)</para>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, lid 1, van de Awb</para>
      <para>worden de beroepen van appellant tegen de besluiten 2 en</para>
      <para>3 geacht mede te zijn gericht tegen de besluiten 5 en 6,</para>
      <para>nu immers bij die besluiten niet aan de ingestelde</para>
      <para>beroepen geheel wordt tegemoet gekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit hetgeen hierboven ten aanzien van besluit 1 is</para>
      <para>overwogen, volgt dat thans vaststaat dat sprake is van</para>
      <para>door gedaagde aan appellant onverschuldigd betaalde</para>
      <para>uitkering ingevolge de AAW en de WAO sedert 1 januari</para>
      <para>1988. Daarmee staat voor de Raad de bevoegdheid van</para>
      <para>gedaagde vast om tot terugvordering van hetgeen</para>
      <para>onverschuldigd aan uitkering is uitbetaald over te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit 5 is een bedrag van f 118.280,39</para>
      <para>teruggevorderd aan over de periode van 1 april 1988 tot 1</para>
      <para>januari 1993 onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge</para>
      <para>de AAW en de WAO, primair op de zogenoemde a-grond (er is</para>
      <para>onverschuldigd betaald door toedoen van de persoon aan</para>
      <para>wie betaling plaats vond) en subsidiair op de zogenoemde</para>
      <para>b-grond (aan de persoon aan wie betaling plaats vond kon</para>
      <para>redelijkerwijs duidelijk zijn dat onverschuldigd werd</para>
      <para>betaald) van artikel 48 (oud) van de AAW en artikel 57</para>
      <para>(oud) van de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat besluit 5 in</para>
      <para>rechte stand kan houden. Ook de Raad ziet in de</para>
      <para>gedingstukken voldoende grondslag voor het oordeel dat</para>
      <para>door toedoen van appellant door gedaagde onverschuldigd</para>
      <para>is betaald. De door appellant ingevulde</para>
      <para>inlichtingenformulieren AAW/WAO zijn, zo ontleent de Raad</para>
      <para>aan de resultaten van het ingestelde opsporingsonderzoek,</para>
      <para>onjuist ingevuld, in dier voege dat appellant tegenover</para>
      <para>gedaagde slechts een gering deel van zijn inkomsten heeft</para>
      <para>opgegeven. Appellant heeft daarmee in strijd gehandeld</para>
      <para>met de op hem rustende verplichting tot het verstrekken</para>
      <para>van inlichtingen, welke verplichting is neergelegd in</para>
      <para>artikel 78 van de AAW en artikel 80 van de WAO. Uit de</para>
      <para>gedingstukken is de Raad niet gebleken dat appellant</para>
      <para>daarvan geen verwijt is te maken. Voorts is de Raad van</para>
      <para>oordeel dat de periode waarover de onverschuldigd</para>
      <para>betaalde uitkering door gedaagde wordt teruggevorderd</para>
      <para>niet in strijd komt met enige geschreven of ongeschreven</para>
      <para>rechtsregel, gelet enerzijds op de aanzegging van 29</para>
      <para>maart 1993 dat tot terugvordering zal worden overgegaan</para>
      <para>en anderzijds op het rapport van 25 november 1992 van de</para>
      <para>opsporingsambtenaar L.T. Lammers waarmee gedaagde in</para>
      <para>kennis werd gesteld van het feit dat appellant inkomsten</para>
      <para>uit arbeid heeft genoten, terwijl hij daarvan geen</para>
      <para>melding had gemaakt. Tenslotte is de Raad niet gebleken</para>
      <para>dat de hoogte van het teruggevorderde bedrag op onjuiste</para>
      <para>wijze zou zijn berekend en ziet de Raad, in de</para>
      <para>omstandigheden van het voorliggende geval, geen</para>
      <para>aanknopingspunten voor het oordeel dat gedaagde de hoogte</para>
      <para>van het teruggevorderde bedrag had moeten matigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit 6 is een bedrag van f 6.333,17 teruggevorderd</para>
      <para>aan over de periode van 1 januari 1993 tot 1 april 1993</para>
      <para>onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de AAW en de</para>
      <para>WAO, primair op de evenvermelde a-grond en subsidiair op</para>
      <para>de evenvermelde b-grond van artikel 48 (oud) van de AAW</para>
      <para>en artikel 57 (oud) van de WAO.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook met betrekking tot dit besluit is de Raad, onder</para>
      <para>verwijzing naar hetgeen hierboven ter zake van besluit 5</para>
      <para>is overwogen, van oordeel dat gedaagde bevoegd was om tot</para>
      <para>terugvordering over te gaan van hetgeen onverschuldigd</para>
      <para>was betaald aan uitkering ingevolge de AAW en de WAO,</para>
      <para>alsmede dat door toedoen van appellant onverschuldigd</para>
      <para>door gedaagde is betaald. Niettemin is hij van oordeel</para>
      <para>dat dit besluit niet in rechte stand kan houden, nu bij</para>
      <para>dit besluit een hoger bedrag van appellant wordt</para>
      <para>teruggevorderd dan in eerste instantie het geval was. Bij</para>
      <para>besluit 3 had gedaagde immers slechts een bedrag van</para>
      <para>f 4.468,33 van appellant teruggevorderd op de</para>
      <para>meergenoemde b-grond van artikel 48 (oud) van de AAW en</para>
      <para>artikel 57 (oud) van de WAO. Nu bij besluit 6 de hoogte</para>
      <para>van het teruggevorderde bedrag niet is beperkt tot het</para>
      <para>bij besluit 3 teruggevorderde bedrag is de Raad van</para>
      <para>oordeel dat appellant door het instellen van beroep in</para>
      <para>een slechtere positie is gekomen dan vóór het instellen</para>
      <para>van beroep, hetgeen hij in strijd acht met het verbod van</para>
      <para>reformatio in peius, welk verbod thans moet worden geacht</para>
      <para>te zijn neergelegd in de artikelen 7:11 en 8:69 van de</para>
      <para>Awb. Op deze grond kan besluit 6 naar het oordeel van de</para>
      <para>Raad niet in rechte stand houden, zodat tevens de</para>
      <para>aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep</para>
      <para>tegen dit besluit ongegrond is verklaard, voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht in verband met het vorenoverwogene termen</para>
      <para>aanwezig om gedaagde te veroordelen in de kosten van</para>
      <para>appellant, welke zijn begroot op f 1.420,- als kosten van</para>
      <para>verleende rechtsbijstand in beroep en op f 710,- als</para>
      <para>kosten van verleende rechtsbijstand in hoger beroep,</para>
      <para>totaal derhalve f 2.130,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten slotte stelt de Raad vast dat het door appellant</para>
      <para>betaalde griffierecht in hoger beroep ter zake van de</para>
      <para>besluiten 2, 3 en 6 door gedaagde dient te worden</para>
      <para>vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij</para>
      <para>de beroepen tegen de besluiten van 29 maart 1993 en</para>
      <para>30 maart 1993 niet-ontvankelijk zijn verklaard en het</para>
      <para>beroep tegen het besluit van 21 oktober 1994 ongegrond is</para>
      <para>verklaard;</para>
      <para>Verklaart de beroepen tegen die besluiten alsnog gegrond</para>
      <para>en vernietigt die besluiten;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in</para>
      <para>eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot f 710,-, totaal derhalve</para>
      <para>f 2.130,-;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellant het betaalde</para>
      <para>griffierecht van f 150,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en</para>
      <para>mr H. Bolt en mr J.W. Schuttel als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier</para>
      <para>en uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J. Janssen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) J.J.B. van der Putten.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>