<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7089</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:41:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7089</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6520</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-07-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/8908 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1997-07-29">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 273</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1997, 161</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1997/220</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7089">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7089</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7089 Centrale Raad van Beroep , 29-07-1997 / 95/8908 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7089:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Geldlening ter voorziening in bedrijfskapitaal; motivering bob; schadevergoeding;</para>
        <para> gederfde winst; wettelijke rente.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7089:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/8908 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Venlo, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr R. Haase, advocaat te Venlo, op in het</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep</para>
      <para>gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Roermond</para>
      <para>onder dagtekening 15 november 1995 tussen partijen gewezen</para>
      <para>uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken</para>
      <para>ingezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 4 februari 1997, waar</para>
      <para>appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr</para>
      <para>P.J.R.M. Vos, advocaat te Venlo. Gedaagde heeft zich daar, als</para>
      <para>aangekondigd, niet doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na behandeling van het geding ter zitting van de Raad is</para>
      <para>gebleken dat het onderzoek niet volledig was geweest, in</para>
      <para>verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te</para>
      <para>heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr Vos, voornoemd, heeft desgevraagd een opgave ingezonden van</para>
      <para>het aantal uren dat W.P.J.M. Geraeds, werkzaam bij Wilgerven</para>
      <para>administratieve dienstverlening, heeft besteed aan een door</para>
      <para>hem opgesteld financieel plan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft bij brief van 16 mei 1997 een vraag beantwoord.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens onder</para>
      <para>toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(Awb) in samenhang met artikel 21, eerste lid, van de</para>
      <para>Beroepswet, bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege</para>
      <para>blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking</para>
      <para>getreden.</para>
      <para>Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld</para>
      <para>aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen,</para>
      <para>zoals die luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is</para>
      <para>aangeduid en gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de</para>
      <para>volgende, als vaststaand aan te nemen feiten en</para>
      <para>omstandigheden:</para>
      <para>"Eiser - geboren in 1956 - is tot 1991 in</para>
      <para>dienstbetrekking werkzaam geweest. In verband met</para>
      <para>een bedrijfsongeval is hij arbeidsongeschikt</para>
      <para>geworden. Sedertdien is hij in het genot van een</para>
      <para>uitkering ingevolge de AAW en de WAO berekend naar</para>
      <para>een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%</para>
      <para>alsmede, tot mei 1994, een (gedeeltelijke) uitkering</para>
      <para>ingevolge de WW. Daarbij werkt eiser vanaf 1 april</para>
      <para>1993 voor 15 uren per week als chauffeur bij b.v. X. te Y.</para>
      <para>Eisers echtgenote exploiteert sedert 1983 een</para>
      <para>verkooppunt van consumptieijs aan huis.</para>
      <para>Op 13 december 1993 heeft eiser bij verweerders</para>
      <para>sociale dienst een aanvraag om een bedrijfskrediet</para>
      <para>(bijstand) uit hoofde van de BZ-regeling ingediend</para>
      <para>teneinde als zelfstandige door middel van een</para>
      <para>rijdende winkel een ambulante handel in luxe</para>
      <para>ijsproducten, frisdranken en diepvries - patisserie</para>
      <para>- producten op te zetten. Volgens eiser is door de</para>
      <para>ABN/AMRO-bank een bedrijfskrediet geweigerd. Eiser</para>
      <para>heeft voor de door hem beoogde activiteiten reeds</para>
      <para>een nog op te knappen en aan te passen bedrijfswagen</para>
      <para>aangekocht.</para>
      <para>Verweerder heeft op 1 maart 1994 een voor eiser</para>
      <para>ongunstige rapportage van het Instituut voor het</para>
      <para>Midden- en Kleinbedrijf (IMK) Limburg, kantoor</para>
      <para>Venlo, verkregen. Overeenkomstig het advies van de</para>
      <para>Commissie Zelfstandigen heeft verweerder op 3 maart</para>
      <para>1994 aan eiser meegedeeld dat zijn aanvraag is</para>
      <para>afgewezen omdat ook in geval van bijstandsverlening</para>
      <para>het bedrijf niet levensvatbaar wordt geacht.</para>
      <para>Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder</para>
      <para>zijn beslissing gehandhaafd.</para>
      <para>In het kader van de behandeling van het verzoek ex</para>
      <para>artikel 8:81 van de Awb tegen het weigeringsbesluit</para>
      <para>van 3 maart 1994 zijn van de kant van eiser meerdere</para>
      <para>bedenkingen naar voren gebracht tegen de</para>
      <para>IMK-rapportage van 1 maart 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de uitspraak van 30 augustus 1994 in de zaak</para>
      <para>AWB 94/1375 heeft de president van de rechtbank bij</para>
      <para>wijze van voorlopige voorziening aan verweerder</para>
      <para>opgedragen het IMK te benaderen voor aanvullende</para>
      <para>rapportage binnen vier weken na 30 augustus 1994.</para>
      <para>Wegens het uitblijven van die nadere rapportage</para>
      <para>heeft eiser zich op 6 oktober 1994 opnieuw tot de</para>
      <para>president gewend met een verzoek om een voorziening.</para>
      <para>Bij de behandeling van dat verzoek is gebleken dat</para>
      <para>de opdracht tot nadere rapportage eerst op 7 oktober</para>
      <para>1994 aan het IMK was verstrekt, waarna het Instituut</para>
      <para>op 12 oktober 1994 nader heeft gerapporteerd.</para>
      <para>Bij uitspraak van 24 oktober 1994 in de zaak</para>
      <para>AWB 94/1796 heeft de president de gevraagde</para>
      <para>voorziening afgewezen.</para>
      <para>Ook tegen de nadere IMK-rapportage van 12 oktober</para>
      <para>1994 zijn van de kant van eiser bezwaren naar voren</para>
      <para>gebracht.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit van</para>
      <para>20 juni 1994 ingestelde beroep ongegrond verklaard bij</para>
      <para>uitspraak van 15 november 1995. Zij heeft geoordeeld dat</para>
      <para>onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het bedrijf van</para>
      <para>appellant bij rechtmatige exploitatie levensvatbaar is en</para>
      <para>heeft bij haar oordeelsvorming doorslaggevende betekenis</para>
      <para>gehecht aan de tot dan toe door het Instituut voor het</para>
      <para>Midden- en Kleinbedrijf (IMK) Limburg verstrekte gegevens</para>
      <para>omtrent de levensvatbaarheid van het bedrijf van appellant.</para>
      <para>Aan een voor appellant gunstig advies van de door haar</para>
      <para>geraadpleegde deskundige mr H.B.R. Morsink en het daarbij op</para>
      <para>verzoek van appellant gevoegde financieel plan, opgesteld door</para>
      <para>W.P.J.M. Geraeds van Wilgerven administratieve</para>
      <para>dienstverlening, is de rechtbank voorbijgegaan.</para>
      <para>Wel heeft de rechtbank termen aanwezig geacht om gedaagde te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg</para>
      <para>en deze kosten begroot op f 2.130,-- als kosten voor verleende</para>
      <para>rechtsbijstand en op f 116,60 in verband met voormeld</para>
      <para>financieel plan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in het beroepschrift aangevoerde grieven hebben in</para>
      <para>hoofdzaak betrekking op het oordeel van de rechtbank dat</para>
      <para>onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het bedrijf van</para>
      <para>appellant bij rechtmatige exploitatie levensvatbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft zijn standpunt in het verweerschrift</para>
      <para>gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gemachtigde van appellant heeft vervolgens bij brief van 23</para>
      <para>januari 1997 de Raad een nieuw rapport van het IMK, gedateerd</para>
      <para>23 september 1996, doen toekomen waarin de volgende conclusies</para>
      <para>en adviezen zijn opgenomen:</para>
      <para>"Conclusies</para>
      <para>Vanaf 1983 verkoopt het echtpaar A. ijs</para>
      <para>vanuit de garage aan de woning in P.straat te C.</para>
      <para>Men wil de activiteiten uitbreiden met de</para>
      <para>ventverkoop van ijs en aanverwante produkten.</para>
      <para>In verband met de uitbreiding van de activiteiten,</para>
      <para>waardoor overigens de situatie ontstaat waarbij van</para>
      <para>een volwaardige bedrijfsopzet kan worden gesproken,</para>
      <para>is een krediet van f 35.000,- noodzakelijk.</para>
      <para>Bij eerdere onderzoeken is negatief geadviseerd ten</para>
      <para>aanzien van verstrekking van een dergelijk krediet</para>
      <para>aangezien het bedrijf niet levensvatbaar werd</para>
      <para>geacht. Op grond van de huidige situatie komen wij</para>
      <para>wel tot een levensvatbare bedrijfsopzet.</para>
      <para>Ten aanzien van de vorige rapportages bestaan de</para>
      <para>belangrijkste afwijkingen uit:</para>
      <para>- De samenstelling van de omzet. Inmiddels is vast</para>
      <para>komen te staan dat zowel het thuisverkopen als het</para>
      <para>venten rechtmatig wordt uitgeoefend;</para>
      <para>- De hoogte van de brutowinstmarge. In tegenstelling</para>
      <para>tot de eerder aangehouden marge van 33,3% gaan wij,</para>
      <para>na analyse van de in- en verkopen, uit van een marge</para>
      <para>van 39,0%.</para>
      <para>Advies aan de ondernemer</para>
      <para>Wij hebben de heer A. geadviseerd een</para>
      <para>officiële boekhouder aan te trekken aangezien het</para>
      <para>administratief inzicht te wensen over laat.</para>
      <para>Advies aan de gemeente</para>
      <para>Op grond van de huidige omstandigheden adviseren wij</para>
      <para>u de heer A. een Bbz-krediet van f 35.000,-</para>
      <para>te verstrekken onder de volgende voorwaarden:</para>
      <para>- krediet f 35.000,-, rente 6%, looptijd 5 jaar</para>
      <para>- aflossing f 1.000,- per maand in de maanden maart</para>
      <para>tot en met september (7 maanden)</para>
      <para>- met ingang van 1997 dient een officiële boekhouder</para>
      <para>te worden ingeschakeld</para>
      <para>- zekerheid: derde hypothecaire inschrijving op het</para>
      <para>woonhuis (1e hypotheek pro resto f 63.000,- 2e</para>
      <para>hypotheek pro resto f 43.800,-)</para>
      <para>- verder de gebruikelijke voorwaarden.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de bij die brief gevoegde stukken heeft gedaagde dit</para>
      <para>laatste advies overgenomen en bij besluit van</para>
      <para>7 oktober 1996 op een nieuwe aanvraag van appellant om</para>
      <para>voorziening in bedrijfskapitaal op grond van het Besluit</para>
      <para>bijstandverlening zelfstandigen hem een lening verstrekt van f 35.000,--.</para>
      <para>Dat neemt echter niet weg dat appellant nog steeds belang</para>
      <para>heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden</para>
      <para>besluit, aangezien om toepassing van artikel 8:73 van de Awb</para>
      <para>is verzocht ter zake van gederfde winst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>In verband hiermee overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op de in het IMK-rapport van 23 september 1996 opgenomen</para>
      <para>gegevens vermag de Raad niet in te zien dat in het kader van</para>
      <para>de beoordeling van de aanvraag van appellant van 13 december</para>
      <para>1993 tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen ten</para>
      <para>aanzien van de levensvatbaarheid van de onderneming van</para>
      <para>appellant dan dat vermeld in het rapport van 23 september</para>
      <para>1996. De Raad laat daarbij wegen dat uit dat rapport naar</para>
      <para>voren komt dat de aanvankelijk door het IMK gehanteerde</para>
      <para>uitgangspunten voor de berekening van de bruto-winstmarge en</para>
      <para>van de zogeheten aflossingscapaciteit als gedeeltelijk onjuist</para>
      <para>moeten worden bestempeld en dat mitsdien van een reële</para>
      <para>begroting van het te verwachten inkomen geen sprake is geweest.</para>
      <para>De door gedaagde gehanteerde grond voor afwijzing van de</para>
      <para>gevraagde geldlening ter voorziening in bedrijfskapitaal moet</para>
      <para>daarom worden verworpen, zodat het bestreden besluit wegens</para>
      <para>strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) niet kan worden gehandhaafd.</para>
      <para>De Raad acht het geraden om met toepassing van artikel 8:72,</para>
      <para>vierde lid, van de Awb ook het primaire besluit van 3 maart</para>
      <para>1994 te vernietigen, omdat dit besluit op dezelfde, niet</para>
      <para>houdbaar gebleken grond berust.</para>
      <para>Van het geven van een opdracht tot het nemen van een nieuw</para>
      <para>besluit ziet de Raad ten slotte af, omdat de door appellant</para>
      <para>verlangde geldlening ad f 35.000,-- inmiddels door gedaagde is</para>
      <para>verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het verzoek om schadevergoeding</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De door appellant genoemde schadepost gederfde winst is</para>
      <para>volgens hem ontstaan omdat gedaagde niet tijdig is overgegaan</para>
      <para>tot het verstrekken van de gevraagde geldlening. Het verzoek</para>
      <para>van appellant om deze post te vergoeden ziet derhalve op</para>
      <para>vergoeding van gestelde geleden schade wegens vertraging in de</para>
      <para>voldoening van een geldsom.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In 's Raads uitspraken van 30 maart 1995 (gepubliceerd in AB</para>
      <para>1995/334, JB 1995/99) en van 1 en 8 november 1995</para>
      <para>(gepubliceerd in JB 1995/314 respectievelijk JB 1995/296) ligt</para>
      <para>besloten dat voor de vaststelling van zodanige schade zoveel</para>
      <para>mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het</para>
      <para>civielrechtelijk schadevergoedingsrecht.</para>
      <para>De Raad heeft voorts in zijn uitspraak van 16 april 1996,</para>
      <para>gepubliceerd in JB 1996/118, reeds overwogen dat artikel 6:119</para>
      <para>van het Burgerlijk Wetboek (BW) de omvang en de duur van een</para>
      <para>dergelijke schadevergoedingsverplichting normeert. In het</para>
      <para>eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding,</para>
      <para>verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een</para>
      <para>geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de</para>
      <para>tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest, zodat er in dit</para>
      <para>geval geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de</para>
      <para>gederfde winst die volgens appellant uit de vertraagde</para>
      <para>betaling van de lening is voortgevloeid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant het</para>
      <para>verzoek om schadevergoeding desgevraagd in die zin nader</para>
      <para>gepreciseerd dat appellant op grond van artikel 8:73 van de</para>
      <para>Awb veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente wenst</para>
      <para>over een bedrag van f 35.000,--, dat volgens hem reeds in</para>
      <para>maart 1994 aan hem had behoren te worden verstrekt. Aangezien</para>
      <para>artikel 6:119 BW de schadevergoeding wegens vertraging in de</para>
      <para>voldoening van een geldsom vastlegt op de wettelijke rente van</para>
      <para>die som, acht de Raad de vordering tot vergoeding van</para>
      <para>wettelijke rente wel toewijsbaar.</para>
      <para>Aan gedaagde is vervolgens de vraag voorgelegd of - voor het</para>
      <para>geval dat de Raad mocht besluiten de aangevallen uitspraak</para>
      <para>niet in stand te laten en het inleidend beroep alsnog gegrond</para>
      <para>te verklaren - hij zich voor de bepaling van het bedrag</para>
      <para>waarover de wettelijke rente zou moeten worden berekend, met</para>
      <para>voormeld bedrag van f 35.000,-- zou kunnen verenigen. Bij</para>
      <para>brief van 16 mei 1997 heeft gedaagde die vraag bevestigend</para>
      <para>beantwoord.</para>
      <para>Onder de werking van het BZ, zoals dat tot 1 januari 1996</para>
      <para>luidde, golden er geen algemeen verbindende voorschriften met</para>
      <para>betrekking tot de dag waarop de geldlening aan appellant had</para>
      <para>moeten zijn betaald. Gelet hierop neemt de Raad omwille van</para>
      <para>een praktische en eenvormige rechtstoepassing tot uitgangspunt</para>
      <para>dat in geval van verlening van een geldlening op grond van het</para>
      <para>BZ het juiste bedrag van de geldlening had moeten zijn</para>
      <para>uitgekeerd uiterlijk op de laatste dag van de maand waarin de</para>
      <para>datum valt van de bekendmaking van het primaire besluit. De</para>
      <para>eerste dag waarop wettelijke rente over meergenoemd bedrag van</para>
      <para>f 35.000,-- verschuldigd is, moet derhalve worden gesteld op 1</para>
      <para>april 1994 (vergelijk de op renteschade in verband met</para>
      <para>toekenning van een periodieke ABW-uitkering betrekking</para>
      <para>hebbende uitspraak van de Raad van 9 januari 1996,</para>
      <para>gepubliceerd in JB 1996/36 en JABW 1996/55) en de laatste dag</para>
      <para>waarop over deze geldsom rente is verschuldigd op de dag</para>
      <para>waarop alsnog op grond van het besluit van 7 oktober 1996 tot</para>
      <para>verstrekking van deze geldsom is overgegaan.</para>
      <para>Bij de berekening van de wettelijke rente dient telkens na</para>
      <para>afloop van een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt</para>
      <para>berekend, te worden vermeerderd met de over dat jaar</para>
      <para>verschuldigde rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De proceskosten</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep is verzocht de hoogte van het begrote bedrag</para>
      <para>als vergoeding voor de kosten van het door W.P.J.M. Geraeds</para>
      <para>ten behoeve van de gedingvoering in eerste aanleg opgesteld</para>
      <para>financieel plan vast te stellen op een bedrag van f 940,-- in</para>
      <para>plaats van op f 116,60, zoals de rechtbank in haar uispraak</para>
      <para>heeft bepaald.</para>
      <para>Aangezien uit de aan appellants gemachtigde gezonden brief van</para>
      <para>voornoemde Geraeds van 7 maart 1997 blijkt dat deze 16 uren</para>
      <para>besteed heeft aan het opstellen van dat plan, welk aantal de</para>
      <para>Raad niet bovenmatig voorkomt, en aan appellant een bedrag van</para>
      <para>f 800,-- vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde</para>
      <para>omzetbelasting van f 140,-- heeft gedeclareerd, zal de Raad</para>
      <para>met toepassing van de artikelen 1, aanhef en onder b, en 2,</para>
      <para>eerste lid, onder b, van het Besluit proceskosten</para>
      <para>bestuursrecht in verbinding met de artikelen 1, eerste lid,</para>
      <para>aanhef en onder IV en 7a van het Besluit tarieven in</para>
      <para>strafzaken de gevraagde vergoeding alsnog toekennen.</para>
      <para>De Raad acht voorts termen aanwezig gedaagde te veroordelen in</para>
      <para>de overige proceskosten van appellant. Het totale bedrag aan</para>
      <para>te vergoeden proceskosten wordt door de Raad vastgesteld op</para>
      <para>f 4.898,50 en wel berekend in eerste aanleg op</para>
      <para>- f 2.130,-- voor verleende rechtsbijstand,</para>
      <para>- f   940,-- voor de rapportage van Geraeds;</para>
      <para>en in hoger beroep op</para>
      <para>- f 1.775,-- voor verleende rechtsbijstand en</para>
      <para>- f    53,50 voor reiskosten.</para>
      <para>In verband met de verleende toevoeging zal de Raad ten slotte</para>
      <para>toepassing geven aan het tweede lid van artikel 8:75 van de</para>
      <para>Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt thans als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep alsnog gegrond en vernietigt</para>
      <para>het bestreden besluit en het daaraan voorafgaande besluit van</para>
      <para>3 maart 1994;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van renteschade en van</para>
      <para>proceskosten als hiervoor in rubriek II is aangegeven, te</para>
      <para>voldoen door de gemeente Venlo;</para>
      <para>Bepaalt dat het te vergoeden bedrag aan proceskosten wordt</para>
      <para>betaald aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Gelast dat de gemeente Venlo het gestorte griffierecht van</para>
      <para>totaal f 200,-- aan appellant vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en mr G.A.J.</para>
      <para>van den Hurk en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 29 juli 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HD/AS</para>
      <para>24.07</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>