<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7064</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7064</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-08-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/2922 MAW, 96/2928 MAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0003482&amp;artikel=39&amp;g=1997-08-07">Algemeen militair ambtenarenreglement 39</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001952&amp;artikel=10&amp;g=1997-08-07">Militaire Ambtenarenwet 1931 10</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7064">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7064</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7064 Centrale Raad van Beroep , 07-08-1997 / 96/2922 MAW, 96/2928 MAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7064:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ontslag wegens weigeren dienstbevel houdt stand; uitspraak strafrechter geldt als bewijs.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7064:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/2922 MAW en 96/2928 MAW                     O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A., wonende te B.,</para>
      <para>C., wonende te D., appellanten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens ieder van appellanten is op daartoe bij onderscheiden</para>
      <para>aanvullende beroepschriften (met bijlagen) aangevoerde gronden</para>
      <para>hoger beroep ingesteld tegen de door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 25 januari 1996,</para>
      <para>onder nrs. MAW 93/00816 en MAW 93/00814, gegeven uitspraken,</para>
      <para>waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft van verweer gediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadien zijn van de zijde van appellanten de Raad nog een</para>
      <para>aantal stukken toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van</para>
      <para>26 juni 1997, waar appellanten in persoon zijn verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door mr P.M. Groenhart, beleidsmedewerker ACOM,</para>
      <para>CNV-bond voor militairen, als hun raadsman. Gedaagde heeft</para>
      <para>zich heeft laten vertegenwoordigen door mr G.A.J.M. van Vugt,</para>
      <para>werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Voorts is ter</para>
      <para>zitting van de zijde van appellanten meegebracht als</para>
      <para>deskundige kolonel b.d. J.N. Lodders, wonende te Harderwijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht</para>
      <para>(Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 -</para>
      <para>sindsdien geheten Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd.</para>
      <para>De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook)</para>
      <para>in ambtenarenzaken brengt mee dat op een hoger beroep dat is</para>
      <para>ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet</para>
      <para>anders aangeeft, hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast.</para>
      <para>De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven</para>
      <para>regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten</para>
      <para>aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen</para>
      <para>besluiten die vóór 1 januari 1994 bekend zijn gemaakt,</para>
      <para>onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken</para>
      <para>die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals dat gold</para>
      <para>vóór dat tijdstip van toepassing blijft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer</para>
      <para>uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde</para>
      <para>feiten en omstandigheden volstaat de Raad thans met het</para>
      <para>navolgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant A. en appellant C. waren ten tijde</para>
      <para>hier van belang respectievelijk als sergeant en</para>
      <para>sergeant-majoor in werkelijke dienst bij de Koninklijke</para>
      <para>landmacht en vervulden respectievelijk de functies van</para>
      <para>plaatsvervangend commandant en commandant van het</para>
      <para>verbindingscentrum van het 1e Nederlandse United Nations</para>
      <para>Verbindingsbataljon ten behoeve van UNPROFOR te Sarajevo in</para>
      <para>het voormalige Joegoslavië. In die functies waren appellanten</para>
      <para>belast met ondersteuning van een Oekraïens VN-bataljon.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 20 augustus 1992 was het voormelde verbindingscentrum</para>
      <para>gelegerd in de Maarschalk Tito-kazerne te Sarajevo. Nadat die</para>
      <para>kazerne onder vuur was komen te liggen, hebben de aldaar</para>
      <para>gelegerde Nederlandse militairen, onder wie appellanten, op 21</para>
      <para>augustus 1992 de opdracht gekregen zich terug te trekken in</para>
      <para>het PTT-gebouw te Sarajevo, hetgeen feitelijk ook is geschied.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 26 augustus daaropvolgend hebben appellanten van de</para>
      <para>sectorverbindingsofficier, majoor T. Sierksma, de opdracht</para>
      <para>gekregen om als plaatsvervangend commandant respectievelijk</para>
      <para>als commandant de nodige voorbereidingen te treffen om het</para>
      <para>verbindingscentrum ter ondersteuning van het Oekraïens</para>
      <para>VN-bataljon weer voor inzet gereed te maken. Daarbij werd niet</para>
      <para>medegedeeld waar het verbindingscentrum zou worden geplaatst,</para>
      <para>aangezien de exacte, nadere, locatie van het Oekraïens</para>
      <para>VN-bataljon nog niet bekend was. Appellanten hebben, ook nadat</para>
      <para>zij op de consequenties hiervan waren gewezen, geweigerd</para>
      <para>gehoor te geven aan dit bevel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na deze weigering hebben appellanten opdracht gekregen zich in</para>
      <para>Zagreb te melden bij de plaatsvervangend - op dat moment</para>
      <para>waarnemend - commandant van het Nederlandse</para>
      <para>verbindingsbataljon, majoor E. Nauta. Deze heeft op 27</para>
      <para>augustus 1992 tegenover appellanten voormelde opdracht</para>
      <para>herhaald. Ook dit bevel hebben appellanten echter niet</para>
      <para>opgevolgd, hetgeen tot gevolg heeft gehad dat zij zijn</para>
      <para>gerepatrieerd naar Nederland en door de Minister van Defensie</para>
      <para>zijn geschorst in hun ambt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband met het weigeren van voormelde bevelen zijn</para>
      <para>appellanten strafrechtelijk vervolgd. Bij arresten van de</para>
      <para>militaire kamer van het Gerechtshof te Arnhem van 2 juni 1993</para>
      <para>zijn appellanten veroordeeld tot vier maanden militaire</para>
      <para>detentie. Daarbij heeft het hof bewezen verklaard dat</para>
      <para>appellanten zich schuldig hebben gemaakt aan het in artikel</para>
      <para>127, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht</para>
      <para>omschreven misdrijf, te weten:</para>
      <para>het als militair opzettelijk niet opvolgen van een</para>
      <para>dienstbevel, terwijl als rechtstreeks en onmiddellijk gevolg</para>
      <para>daarvan schade ontstaat aan de gereedheid tot het</para>
      <para>daadwerkelijk uitvoeren van een operatie van enig onderdeel</para>
      <para>van de krijgsmacht. De door appellanten tegen deze arresten</para>
      <para>ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad bij</para>
      <para>arresten van 11 januari 1994 verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na de arresten van het Gerechtshof te Arnhem zijn appellanten</para>
      <para>bij besluiten van 29 juni 1993 door de Minister van Defensie,</para>
      <para>nadat deze de in artikel 46 van het Algemeen militair</para>
      <para>ambtenarenreglement (AMAR) bedoelde commissie om advies had</para>
      <para>gevraagd, wegens verregaande nalatigheid in de vervulling van</para>
      <para>hun plichten met ingang van 1 augustus 1993 op grond van</para>
      <para>artikel 39, tweede lid, onder k, van het AMAR ontslagen uit de</para>
      <para>militaire dienst als beroepsmilitair, aangesteld voor</para>
      <para>onbepaalde tijd beneden de rang van tweede-luitenant.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De namens appellanten tegen deze besluiten ingestelde beroepen</para>
      <para>zijn door de rechtbank ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 10 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 (MAW), zoals</para>
      <para>dat artikel luidde ten tijde hier van belang, is - voor zover</para>
      <para>hier aan de orde - bepaald dat een uitspraak van de</para>
      <para>strafrechter, in kracht van gewijsde gegaan, waarbij de</para>
      <para>militaire ambtenaar aan enig feit schuldig is verklaard, in</para>
      <para>een militaire ambtenarenzaak geldt als bewijs van dat feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit betekent dat in dit geding als vaststaand moet worden</para>
      <para>aangenomen dat appellanten zich schuldig hebben gemaakt aan</para>
      <para>hetgeen in de hiervoor vermelde arresten van het Gerechtshof</para>
      <para>te Arnhem bewezen is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter beoordeling van de Raad staat slechts of het door</para>
      <para>appellanten gepleegde strafbare feit, zoals dat in de</para>
      <para>hiervoorvermelde arresten van het Gerechtshof te Arnhem</para>
      <para>bewezen is verklaard, door de Minister van Defensie terecht en</para>
      <para>op goede gronden is aangemerkt als een verregaande nalatigheid</para>
      <para>in de vervulling van hun plichten als bedoeld in artikel 39,</para>
      <para>tweede lid, onder k, van het AMAR, en zo ja, of de Minister</para>
      <para>van Defensie in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen</para>
      <para>komen appellanten deswege te ontslaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de ernst van de hier aan de orde zijnde feiten</para>
      <para>beantwoordt de Raad eerstgenoemde vraag bevestigend. Met de</para>
      <para>Minister van Defensie is de Raad van oordeel dat appellanten</para>
      <para>door geen gevolg te geven aan de opdrachten van majoor</para>
      <para>Sierksma en, in tweede instantie, van majoor Nauta, het binnen</para>
      <para>de krijgsmacht - en in het bijzonder het binnen de</para>
      <para>operationele eenheden daarvan - noodzakelijke vertrouwen in de</para>
      <para>tijdige en correcte uitvoering van dienstbevelen ernstig</para>
      <para>hebben geschaad en zich dusdoende schuldig hebben gemaakt aan</para>
      <para>verregaande nalatigheid in de vervulling van hun plichten.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad was de Minister van Defensie dan</para>
      <para>ook bevoegd appellanten met toepassing van het bepaalde in</para>
      <para>artikel 39, tweede lid, onder k, van het AMAR te ontslaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen door en namens appellanten in dit verband naar voren</para>
      <para>is gebracht heeft de Raad niet tot de overtuiging kunnen</para>
      <para>leiden dat de Minister van Defensie niet in redelijkheid van</para>
      <para>zijn in artikel 39, tweede lid, onder k van het AMAR</para>
      <para>neergelegde ontslagbevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Een</para>
      <para>en ander leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraken</para>
      <para>voor bevestiging in aanmerking komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft geen aanleiding gezien om toepassing te geven</para>
      <para>aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist moet dan ook worden als volgt:</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en mr</para>
      <para>H.A.A.G. Vermeulen en mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HD</para>
      <para>04.08</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>