<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7044</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:39:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7044</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-07-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/203 APPA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002691&amp;artikel=59a&amp;g=1997-07-03">Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 59a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002691&amp;artikel=110&amp;g=1997-07-03">Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 110</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002691&amp;artikel=59&amp;g=1997-07-03">Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers 59</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1997-07-03">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:1&amp;g=1997-07-03">Algemene wet bestuursrecht 7:1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 346 met annotatie van H.E. Bröring</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7044">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7044</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-09-23T13:20:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7044 Centrale Raad van Beroep , 03-07-1997 / 95/203 APPA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7044:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Schriftelijk antwoord op verzoek actuele tijd als voor pensioen geldige diensttijd aan te merken is niet op rechtsgevolg gericht. Eiser, gewezen lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, ontvangt een uitkering op grond van art. 51 Appa; tevens genereert hij inkomen als hoogleraar-in-deeltijd. Hij verzocht de Minister van Binnenlandse Zaken te verklaren dat zijn uitkeringstijd zal meetellen als voor pensioen geldige diensttijd. Bij brief d.d. x wordt het verzoek afgewezen, op grond van art. 59.7.a (oud). Bij het bb is het bezwaar tegen die brief ongegrond verklaard. CRvB Dit is ten onrechte gebeurd; het bezwaar had n.o. verklaard moeten worden. De (inhoud van) de brief d.d. x is reactie op verzoek nu al standpunt in te nemen over het voor pensioen geldig zijn van uitkeringstijd en zo niet op rechtsgevolg gericht; aldus ligt niet een besluit in de zin van art. 1:3 Awb voor dat voor bezwaar vatbaar is. Zie art. 110 Appa, inhoudend dat eerst bij de beschikking tot toekenning van pensioen o.g.v. de Appa de voor het pensioen meetellende tijd wordt vastgesteld. Zie in gelijke zin CRvB 5-3-1998, 96/11410 ABP, betreffende de uitleg van art. S 2 in verband met art. O 2.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7044:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>95/203 APPA</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para />
  <para>
    [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>de Minister van Binnenlandse Zaken, verweerder.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft onder dagtekening 16 januari 1995 ten aanzien</para>
    <para>van eiser een besluit genomen waarvan een afschrift aan deze</para>
    <para>uitspraak is gehecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Tegen dit besluit heeft eiser bij de Raad beroep ingesteld. In</para>
    <para>een aanvullend beroepschrift (met een bijlage) is uiteengezet</para>
    <para>waarom eiser zich met het bestreden besluit niet kan</para>
    <para>verenigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para>Hierop heeft eiser bij brief d.d. 15 maart 1996 gereageerd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief d.d. 10 april 1997 (met bijlage) heeft verweerder</para>
    <para>zich nader tot de Raad doen richten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van 22 mei 1997. Daar is</para>
    <para>eiser in persoon verschenen en heeft verweerder zich doen</para>
    <para>vertegenwoordigen door mr A.H. Langguth, werkzaam bij de</para>
    <para>Stichting USZO Zoetermeer.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad stelt in de eerste plaats op grond van de</para>
    <para>gedingstukken de navolgende feiten vast.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eiser is met ingang van 17 mei 1994 afgetreden als lid van de</para>
    <para>Tweede Kamer der Staten-Generaal. In verband hiermee heeft</para>
    <para>verweerder bij besluit d.d. 27 juni 1994 aan eiser ingaande 17</para>
    <para>mei 1994 een uitkering als bedoeld in artikel 51 van de</para>
    <para>Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (hierna: Appa)</para>
    <para>toegekend.</para>
    <para>Naast deze uitkering genereert eiser inkomen als hoogleraar in</para>
    <para>deeltijd (0.1) aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.</para>
    <para>Eiser heeft telefonisch aan verweerder verzocht om de</para>
    <para>uitkeringstijd van 17 mei 1994 af te laten meetellen als voor</para>
    <para>pensioen geldige tijd.</para>
    <para>Verweerder heeft bij brief d.d. 13 oktober 1994 aan eiser</para>
    <para>meegedeeld dat hij, gelet op artikel 59a, elfde lid, in</para>
    <para>samenhang met artikel 59, zevende lid aanhef en onder a, van</para>
    <para>de Appa, niet aan diens verzoek kan voldoen.</para>
    <para>Het bezwaar dat eiser tegen die brief indiende, is bij het</para>
    <para>thans bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of</para>
    <para>de brief d.d. 13 oktober 1994 een besluit bevat in de zin van</para>
    <para>artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</para>
    <para>(Awb), waartegen op grond van artikel 7:1 van de Awb het</para>
    <para>rechtsmiddel van bezwaar openstaat.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit</para>
    <para>verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan,</para>
    <para>inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.</para>
    <para>Hierbij geldt dat met het begrip rechtshandeling wordt</para>
    <para>bedoeld: een handeling, gericht op rechtsgevolg.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het verzoek van eiser waarop de brief d.d. 13 oktober 1994 het</para>
    <para>antwoord is, strekt ten gronde ertoe om van verweerder te</para>
    <para>vernemen dat zijn uitkeringstijd te zijner tijd bij de</para>
    <para>regeling van zijn pensioen ingevolge de Appa voor pensioen</para>
    <para>geldige tijd vormt.</para>
    <para>Gezien de strekking van bedoeld verzoek van eiser is de</para>
    <para>schriftelijke mededeling van verweerder d.d. 13 oktober 1994,</para>
    <para>dat, op grond van te dien tijde vigerend recht, het verzoek</para>
    <para>van eiser niet kan worden ingewilligd, niet op rechtsgevolg</para>
    <para>gericht, zodat die schriftelijke mededeling niet een besluit</para>
    <para>is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.</para>
    <para>In dit verband neemt de Raad in het bijzonder in aanmerking</para>
    <para>dat ingevolge artikel 110 van de Appa de voor pensioen geldige</para>
    <para>diensttijd eerst in een beschikking tot toekenning van</para>
    <para>pensioen wordt vastgesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het voorgaande brengt mee dat tegen de brief van verweerder</para>
    <para>d.d. 13 oktober 1994 geen bezwaar openstond als bedoeld in</para>
    <para>artikel 7:1 van de Awb.</para>
    <para>Mitsdien had verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar</para>
    <para>van eiser tegen bedoelde brief niet-ontvankelijk dienen te</para>
    <para>verklaren.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit wegens</para>
    <para>strijd met artikel 7:1 in samenhang met artikel 1:3 van de Awb</para>
    <para>moet worden vernietigd.</para>
    <para>De Raad zal toepassing geven aan artikel 8:72, vierde lid, van</para>
    <para>de Awb op een wijze zoals in rubriek III van deze uitspraak is</para>
    <para>vermeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is, ten slotte, niet gebleken van kosten, aan de zijde</para>
    <para>van eiser in beroep gevallen, die met toepassing van artikel</para>
    <para>8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad beslist als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>Verklaart het bezwaar dat eiser heeft ingediend tegen de brief</para>
    <para>van verweerder d.d. 13 oktober 1994 niet-ontvankelijk;</para>
    <para>Bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het</para>
    <para>vernietigde bestreden besluit;</para>
    <para>Gelast de Staat der Nederlanden aan eiser het griffierecht ad</para>
    <para>f 200,-- te vergoeden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr J.G. Treffers als voorzitter en</para>
    <para>mr R.C. Schoemaker en mr H.R. Geerling-Brouwer als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 3 juli 1997.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) J.G. Treffers.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) E. Heemsbergen.</para>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>HD</para>
    <para>17.06</para>
    <para>+B</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>