<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7037</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:00:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7037</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-07-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/8508 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1997-07-18">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1997-07-18">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002170&amp;artikel=18&amp;g=1997-07-18">Beroepswet 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 358</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1998, 19</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7037">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7037</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7037 Centrale Raad van Beroep , 18-07-1997 / 95/8508 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7037:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Gestelde schade staat niet in zodanig verband tot vernietigde besluit dat</para>
        <para> zij kan worden toegerekend aan app.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7037:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/8508 AAW/WAO                                              0.</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
      <para>gedaagde, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt</para>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en</para>
      <para>Maatschappelijke Belangen. In deze uitspraak wordt onder</para>
      <para>appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 december 1993 heeft appellant de aan</para>
      <para>gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)</para>
      <para>en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)</para>
      <para>toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 2</para>
      <para>februari 1993 ingetrokken op de grond dat gedaagdes</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op</para>
      <para>minder dan 15%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Assen heeft bij uitspraak van</para>
      <para>20 december 1994 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep</para>
      <para>gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.</para>
      <para>Voorts heeft de rechtbank bij die uitspraak appellant</para>
      <para>veroordeeld tot vergoeding van de schade van gedaagde die zij</para>
      <para>heeft geleden ten gevolge van het genoemde besluit en heeft de</para>
      <para>rechtbank in verband met deze veroordeling het onderzoek heropend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 27 oktober 1995 heeft de voornoemde</para>
      <para>rechtbank appellant onder meer veroordeeld tot betaling van de</para>
      <para>wettelijke rente vanaf 2 februari 1994 en tot betaling van een</para>
      <para>bedrag van f 2.500,- ter zake van immateriële schadevergoeding</para>
      <para>aan gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr H. Koelewijn, advocaat te Utrecht, op</para>
      <para>14 maart 1996 een verweerschrift ingediend.</para>
      <para>Partijen hebben over en weer op elkaars standpunten gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting</para>
      <para>van de Raad, gehouden op 25 april 1997, waar partijen, met</para>
      <para>voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde werkte op vijf ochtenden per week gedurende drie uur</para>
      <para>per dag als huishoudelijke hulp in het Bejaarden-tehuis</para>
      <para>"X." te B. Op 5 augustus 1991 heeft zij haar</para>
      <para>werkzaamheden gestaakt in verband met rugklachten en een</para>
      <para>daarmee samenhangend radiculair syndroom in het linker been,</para>
      <para>terwijl zich voorts psychische problemen openbaarden. Vanwege</para>
      <para>appellant is gedaagde, in aansluiting op de maximumperiode</para>
      <para>waarin zij ziekengeld heeft ontvangen, met ingang van 5</para>
      <para>augustus 1992 een uitkering ingevolge de AAW en de WAO</para>
      <para>toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>van 80 tot 100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft gedurende enkele perioden bij wijze van</para>
      <para>arbeidstherapie werkzaamheden bij haar werkgever verricht. In</para>
      <para>verband met de hiermee verkregen inkomsten zijn haar</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gekort met toepassing van de</para>
      <para>artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO, zoals deze</para>
      <para>bepalingen tot 1 augustus 1993 luidden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 6 december 1993 heeft appellant, in</para>
      <para>overeenstemming met een advies van de toenmalige</para>
      <para>Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), besloten gedaagdes</para>
      <para>uitkeringen op grond van de AAW en de WAO, met ingang van 2</para>
      <para>februari 1994, in te trekken zulks op de grond dat, met ingang</para>
      <para>van laatstgenoemde datum, gedaagdes arbeidsongeschiktheid op</para>
      <para>minder dan 25% respectievelijk 15% dient te worden gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De arbeidskundige van de GMD, A. Kleve heeft op 3 november</para>
      <para>1993 met gedaagde een onderhoud gehad, waarbij hij haar heeft</para>
      <para>medegedeeld dat zij niet in staat wordt geacht haar maatgevende functie</para>
      <para>te vervullen maar wel passende, haar in dat gesprek genoemde, functies.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van 14 maart 1994 tot 22 april 1994 is gedaagde in de Afdeling</para>
      <para>Psychiatrie en Psychotherapie van de Nederlands Hervormde</para>
      <para>Diakonessen Inrichting B. opgenomen geweest in verband met</para>
      <para>depressieve klachten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten behoeve van de gedingvoering inzake het beroep tegen het</para>
      <para>besluit van 6 december 1993 heeft de rechtbank de</para>
      <para>neuroloog-psychiater C.J.F. Kemperman ingeschakeld. Deze was</para>
      <para>blijkens zijn rapport aan de rechtbank d.d. 13 oktober 1994</para>
      <para>van oordeel dat de medische beperkingen van gedaagde voor het</para>
      <para>verrichten van arbeid door de verzekeringsgeneeskundige van de</para>
      <para>GMD juist waren vastgesteld en dat zij door de door de arbeidsdeskundige</para>
      <para>van de GMD geselecteerde functies kon verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 1 december 1994 heeft appellant, kennelijk op</para>
      <para>grond van nadien van de zijde van gedaagde geproduceerde</para>
      <para>medische gegevens, de rechtbank medegedeeld dat hij besloten</para>
      <para>had het bestreden besluit niet te handhaven. Bij besluit van</para>
      <para>diezelfde datum werd gedaagde alsnog per 2 februari 1994</para>
      <para>onveranderd arbeidsongeschikt geacht naar een mate van 80 tot 100%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 20 december 1994 heeft de rechtbank</para>
      <para>vervolgens het bestreden besluit vernietigd en, gevolg gevend</para>
      <para>aan een daartoe namens gedaagde gedaan verzoek, met toepassing</para>
      <para>van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb),</para>
      <para>appellant veroordeeld tot vergoeding van de schade van gedaagde.</para>
      <para>Voorts heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:73, tweede lid,</para>
      <para>van de Awb het onderzoek heropend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het kader hiervan is namens gedaagde gesteld dat zij onder</para>
      <para>meer renteschade heeft geleden alsmede immateriële schade.</para>
      <para>Deze laatste schade wordt volgens haar gevormd door het</para>
      <para>psychische leed dat zij heeft ondervonden doordat zij, ten</para>
      <para>gevolge van het vernietigde besluit, van 14 maart 1994 tot 22</para>
      <para>april 1994 opgenomen is geweest in de Afdeling Psychiatrie en</para>
      <para>Psychotherapie van de Nederlands Hervormde Diakonessen Inrichting B.</para>
      <para>Voorts heeft gedaagde aangevoerd, ter zake van de onderhavige</para>
      <para>schadeprocedure, reiskosten te hebben gemaakt ten behoeve van</para>
      <para>het onderzoek door de medisch adviseur van gedaagde, de arts</para>
      <para>voor verzekeringsgeneeskunde D.J. Schakel, en heeft gedaagde</para>
      <para>diens declaratie moeten voldoen, welke kosten gedaagde</para>
      <para>eveneens door appellant vergoed wenste te zien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellant</para>
      <para>veroordeeld tot betaling van wettelijke rente. Appellant is</para>
      <para>voorts veroordeeld tot vergoeding van f 2.500,- aan</para>
      <para>immateriële schade. Tenslotte is appellant in de proceskosten</para>
      <para>van gedaagde verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen die uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld,</para>
      <para>zich daarbij uitdrukkelijk beperkend tot het verzoek de</para>
      <para>aangevallen uitspraak te vernietigen, voorzover appellant</para>
      <para>daarbij is veroordeeld tot betaling van een bedrag van f</para>
      <para>2.500,- aan immateriële schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen de beslissing hieromtrent van de rechtbank heeft</para>
      <para>appellant in hoofdzaak aangevoerd dat er geen sprake is van</para>
      <para>een causaal verband tussen het vernietigde besluit van 6</para>
      <para>december 1993 en de psychische decompensatie ten gevolge</para>
      <para>waarvan gedaagde in de Afdeling Psychiatrie en Psychotherapie</para>
      <para>van de Nederlands Hervormde Diakonessen Inrichting B.</para>
      <para>opgenomen is geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Ten aanzien hiervan overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft in het geding in eerste aanleg verzocht om</para>
      <para>veroordeling van appellant tot vergoeding van immateriële</para>
      <para>schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het</para>
      <para>vernietigde besluit van appellant van 6 december 1993.</para>
      <para>Volgens inmiddels vaste jurisprudentie van de Raad wordt een</para>
      <para>dergelijk verzoek beoordeeld door aansluiting te zoeken bij</para>
      <para>het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. De Raad verwijst</para>
      <para>hierbij naar zijn uitspraken van onder meer 16 april 1996, JB</para>
      <para>1996/117 en 4 juli 1996, TAR 1996/140.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aannemende dat de psychische decompensatie als nadeel dient te</para>
      <para>worden aangemerkt, ten aanzien waarvan gedaagde op de voet van</para>
      <para>artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW</para>
      <para>schadevergoeding verlangt, dan zal, wil gedaagdes verzoek</para>
      <para>hieromtrent toegewezen kunnen worden, genoegzaam aannemelijk</para>
      <para>moeten zijn dat dit nadeel in een zodanig verband staat met</para>
      <para>het vernietigde besluit van 6 december 1993, dat zij</para>
      <para>appellant, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van</para>
      <para>de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dat verband klaarblijkelijk aanwezig geacht</para>
      <para>op grond van de zich onder de gedingstukken bevindende brieven</para>
      <para>d.d. 6 en 11 januari 1995 van de arts voor verzekeringsgeneeskunde</para>
      <para>D.J. Schakel aan de gemachtigde van gedaagde en het rapport</para>
      <para>d.d. 13 oktober 1995 van de deskundige C.J.F. Kemperman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn genoemde brieven stelt de arts D.J. Schakel zich op</para>
      <para>het standpunt dat het besluit d.d. 6 december 1993 bij</para>
      <para>gedaagde tot een psychische decompensatie heeft geleid, die</para>
      <para>uiteindelijk een opname in genoemd ziekenhuis noodzakelijk</para>
      <para>heeft gemaakt. Deze arts verwijst hierbij naar het genoemde</para>
      <para>rapport van de deskundige C.J.F. Kemperman.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het rapport</para>
      <para>van C.J.F. Kemperman geen steun biedt aan de namens gedaagde</para>
      <para>bepleite en door de rechtbank aanvaarde stelling dat gedaagdes</para>
      <para>psychische decompensatie en de daarop gevolgde opname in het</para>
      <para>genoemde ziekenhuis als een gevolg van het besluit van 6</para>
      <para>december 1993 dient te worden gezien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daartoe neem de Raad in aanmerking dat de deskundige C.J.F.</para>
      <para>Kemperman op 29 september 1994 anamnestisch van gedaagde heeft</para>
      <para>vernomen dat zij van haar werkgever uiteindelijk ontslag kreeg</para>
      <para>aangezegd, terwijl het juist redelijk goed met haar ging.</para>
      <para>Omdat zij zelf van alles geprobeerd had om te kunnen blijven</para>
      <para>werken - uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde hierbij het</para>
      <para>oog heeft op werk bij het Bejaardentehuis "X." - voelde</para>
      <para>zij zich verraden en afgewezen, waardoor zij wederom</para>
      <para>overspannen en depressief raakte en de opname volgde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zij heeft bij die gelegenheid eveneens verklaard dat zij in</para>
      <para>februari 1994 de mededeling kreeg dat haar</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsuitkeringen werden ingetrokken. Dit kan</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad echter niet juist zijn, omdat -</para>
      <para>zoals uit het vorenstaande blijkt - zij reeds op</para>
      <para>3 november 1993 van genoemde arbeidsdeskundige te horen had</para>
      <para>gekregen dat haar uitkeringen zouden worden ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts blijkt uit het rapport d.d. 11 november 1993 van de</para>
      <para>arbeidsdeskundige van de GMD, A. Kleve, waarin diens gesprek</para>
      <para>met appellante d.d. 3 november 1993 is weergegeven dat</para>
      <para>gedaagde in dat gesprek zeer emotioneel was, omdat zij</para>
      <para>inmiddels ontslag had gekregen bij haar werkgever, zulks met</para>
      <para>toestemming van de Regionaal Directeur voor de</para>
      <para>Arbeidsvoorziening en tegen het advies van de GMD in.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder komt uit de beantwoording van de vragen die de</para>
      <para>rechtbank de deskundige C.J.F. Kemperman heeft gesteld, naar</para>
      <para>voren dat de deskundige na onderzoek bij gedaagde op de datum</para>
      <para>hier van belang, 2 februari 1994, een kwetsbare</para>
      <para>persoonlijkheid aanwezig achtte, doch de door gedaagde</para>
      <para>vermelde decompensatie in de vorm van een depressief beeld</para>
      <para>bestond, naar die deskundige vaststelt, op deze datum niet.</para>
      <para>De Raad wijst in dit verband verder op de brief d.d.</para>
      <para>3 oktober 1994 van psychiater M.E. Krol, werkzaam op de</para>
      <para>Afdeling Psychiatrie en Psychotherapie van de Nederlands</para>
      <para>Hervormde Diaconessen Inrichting B., waarin evenmin een</para>
      <para>aanwijzing te vinden is voor de juistheid van het standpunt</para>
      <para>van gedaagde. In die brief, gericht aan de deskundige C.J.F.</para>
      <para>Kemperman, geeft psychiater M.E. Krol als reden voor de opname</para>
      <para>van gedaagde in dat ziekenhuis: depressief toestandsbeeld bij</para>
      <para>een vrouw met een incest-verleden. Het geheel had volgens deze</para>
      <para>arts het karakter van een surmenage.</para>
      <para>Het beloop van de opname was ongecompliceerd en gedaagde ging</para>
      <para>hersteld met ontslag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad komt tot de slotsom dat gezien het voorgaande de</para>
      <para>gestelde schade tengevolge van decompensatie van gedaagde en</para>
      <para>haar daarop gevolgde opname in het voornoemde ziekenhuis</para>
      <para>gedurende de periode van 24 maart 1994 tot 22 april 1994 niet</para>
      <para>in een zodanig verband staat tot het vernietigde besluit dat</para>
      <para>zij appellant als een gevolg van het vernietigde besluit van 6</para>
      <para>december 1993 kan worden toegerekend, omdat die decompensatie</para>
      <para>niet geacht kan worden met dat besluit in zo'n verband te staan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is bij verweerschrift verzocht de aangevallen</para>
      <para>uitspraak deels te bevestigen deels aan te vullen in die zin</para>
      <para>dat appellant - in overeenkomstig de oorspronkelijke vordering</para>
      <para>tot vergoeding van de immateriële schade ad f 5.000,- ,</para>
      <para>gedaagde te veroordelen tot betaling van f 2.500,- alsmede tot</para>
      <para>betaling van de wettelijke rente over de niet tijdig betaalde</para>
      <para>vergoeding van de immateriële schade vanaf 8 februari 1994, de</para>
      <para>datum waarop namens gedaagde de vergoeding van deze schade is verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Reeds gezien hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen kan hij</para>
      <para>voorbijgaan aan dit verzoek van gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eveneens bij verweerschrift is namens gedaagde gevorderd dat</para>
      <para>appellant wordt veroordeeld tot vergoeding van f 68,- als</para>
      <para>kosten van het verkrijgen van het rapport van de arts voor de</para>
      <para>arts voor verzekeringsgeneeskunde D.J. Schakel en tot</para>
      <para>eenzelfde bedrag aan kosten van de reis naar deze arts.</para>
      <para>Hieromtrent overweegt de Raad dat de rechtbank, nu zij de</para>
      <para>proceskostenveroordeling in eerste aanleg beperkt heeft tot de</para>
      <para>kosten van rechtsbijstand, het in eerste aanleg gedane</para>
      <para>gelijkluidende verzoek van gedaagde kennelijk heeft afgewezen.</para>
      <para>Aangezien gedaagde geen hoger beroep heeft ingesteld tegen</para>
      <para>deze afwijzing door de rechtbank is er, mede gezien de omvang</para>
      <para>van het geding in hoger beroep, thans geen plaats voor een</para>
      <para>inhoudelijke beoordeling van het hier aan de orde zijnde</para>
      <para>verzoek van gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak,</para>
      <para>voorzover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en</para>
      <para>mr H.C. Cusell en mr T. Hoogenboom als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van T.W.J.M. Weijers als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 18 juli 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H. van Leeuwen.</para>
    <para />
    <para>(get.) T.W.J.M. Weijers.</para>
    <para />
    <para>AB</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>