<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-25T12:08:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7022</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-05-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/5293 AAW/WAO, 95/5294 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=3:2&amp;g=1997-05-28">Algemene wet bestuursrecht 3:2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-25T12:08:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022 Centrale Raad van Beroep , 28-05-1997 / 95/5293 AAW/WAO, 95/5294 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking AAW/WAO-uitkering per 4 mei 1993, gevolgd door hervatting in passend geachte werkzaamheden bij eigen werkgever.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7022:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <parablock>
    <para>95/5293 AAW/WAO</para>
    <para>95/5294 AAW/WAO</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in de gedingen tussen:</para>
  <para />
  <para>A., wonende te B., appellante,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
    <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
    <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
    <para>treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
    <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
    <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats</para>
    <para>getreden van de Bedrijfsvereniging voor de</para>
    <para>Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie. In</para>
    <para>deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het</para>
    <para>bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 15 april 1994 heeft gedaagde appellante</para>
    <para>met ingang van 11 maart 1993 in aanmerking gebracht voor</para>
    <para>uitkeringen ingevolge de Algemene</para>
    <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar</para>
    <para>een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.</para>
    <para>Voorts heeft gedaagde bij dit besluit deze uitkeringen</para>
    <para>met ingang van 4 mei 1993 ingetrokken op de grond dat</para>
    <para>appellantes mate van arbeidsongeschiktheid per deze datum</para>
    <para>is afgenomen naar minder dan 15% (besluit I).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Eveneens bij besluit van 15 april 1994 heeft gedaagde</para>
    <para>geweigerd om appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en</para>
    <para>de WAO met ingang van 7 mei 1993 te heropenen. Gedaagde</para>
    <para>heeft daartoe overwogen:</para>
    <para>"Uw AAW/WAO-uitkering is door ons per 4 mei 1993</para>
    <para>ingetrokken, omdat uw</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidspercentage afgenomen is naar</para>
    <para>minder dan 15%. U hebt zich op 7 mei 1993 opnieuw</para>
    <para>arbeidsongeschikt gemeld. Na een onderzoek door de</para>
    <para>Gemeenschappelijk Medische Dienst is gebleken dat de</para>
    <para>arbeid waarin u op 4 mei 1993 bij uw eigen werkgever</para>
    <para>bent hervat, niet passend voor u was. Door uw</para>
    <para>werkgever zijn de werkzaamheden niet verder aan uw</para>
    <para>belastbaarheid, zoals vastgesteld door de</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige in zijn rapportage d.d. 19</para>
    <para>januari 1993, aan te passen. Derhalve heeft de</para>
    <para>werkgever geen passende arbeid voor u.</para>
    <para>Bij onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige van</para>
    <para>uw werkgever werden echter geen nieuwe medische</para>
    <para>feiten geconstateerd ten opzichte van de situatie op</para>
    <para>4 mei 1993. Wij zijn derhalve van mening dat u op en</para>
    <para>na 7 mei 1993 ongewijzigd voor minder dan 15%</para>
    <para>arbeidsongeschikt bent. Daarom heropenen wij de</para>
    <para>uitkering niet." (besluit II).</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak</para>
    <para>van 16 juni 1995 de namens appellante tegen deze</para>
    <para>besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellante heeft tegen die uitspraak hoger beroep</para>
    <para>ingesteld. Op de gronden, uiteengezet in een aanvullend</para>
    <para>beroepschrift van 22 november 1995, is de Raad verzocht</para>
    <para>de aangevallen uitspraak te vernietigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft op 4 januari 1996 een verweerschrift</para>
    <para>ingediend, waarbij de Raad is verzocht de vordering van</para>
    <para>appellante af te wijzen en de aangevallen uitspraak te</para>
    <para>bevestigen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 23 december 1996 heeft gedaagde enige</para>
    <para>vragen van de fungerend president van de Raad beantwoord.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad,</para>
    <para>gehouden op 16 april 1997, waar appellante - zoals</para>
    <para>aangekondigd - niet is verschenen en waar gedaagde zich</para>
    <para>heeft laten vertegenwoordigen door [X] ,</para>
    <para>werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellante heeft op 12 maart 1993 haar werkzaamheden als</para>
    <para>produktiemedewerkster bij</para>
    <para>B.V. X., vestiging Y., wegens rugklachten gestaakt.</para>
    <para>In verband daarmee heeft gedaagde appellante over de</para>
    <para>maximale periode een uitkering krachtens de Ziektewet</para>
    <para>toegekend. Gedurende deze periode heeft appellante, in</para>
    <para>overleg met de Verzekeringsgeneeskundige Dienst van haar</para>
    <para>werkgever, hervat in voor haar passend geachte</para>
    <para>werkzaamheden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In aansluiting op die periode heeft gedaagde appellante</para>
    <para>bij beslissing van 30 maart 1993 met ingang van 11 maart</para>
    <para>1993 in aanmerking gebracht voor uitkeringen ingevolge de</para>
    <para>AAW en de WAO, berekend naar een mate van</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij deze</para>
    <para>beslissing werden deze uitkeringen tevens ingetrokken per</para>
    <para>4 mei 1993. Aan laatstgenoemde beslissing lag de</para>
    <para>opvatting ten grondslag dat appellante weliswaar niet</para>
    <para>meer in staat was haar werkzaamheden als</para>
    <para>produktiemedewerkster te verrichten, maar nog wel in</para>
    <para>staat was de werkzaamheden te verrichten verbonden aan</para>
    <para>acht functies, die een arbeidsdeskundige van de</para>
    <para>toenmalige Gemeenschappelijk Medische Dienst (GMD) aan</para>
    <para>haar had voorgehouden. Deze arbeidsdeskundige heeft op</para>
    <para>basis van deze functies vastgesteld dat appellante met</para>
    <para>haar beperkingen een inkomen kon verwerven dat nagenoeg</para>
    <para>gelijk was aan het inkomen dat zij in haar zogeheten</para>
    <para>maatvrouwarbeid verdiende.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op 4 mei 1993 heeft appellante bij haar werkgever hervat</para>
    <para>in passend geachte werkzaamheden. Zij heeft deze</para>
    <para>werkzaamheden op 7 mei 1993 wegens rugklachten moeten</para>
    <para>staken. De verzekeringsgeneeskundige van appellantes</para>
    <para>werkgever heeft, blijkens het rapport van een</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige van de GMD van 26 mei 1993, bij</para>
    <para>onderzoek geen nieuwe medische feiten geconstateerd en</para>
    <para>haar arbeidsongeschiktheid vervolgens niet geaccepteerd.</para>
    <para>Deze conclusie is, blijkens de in rubriek I vermelde</para>
    <para>brief van 23 december 1996, op 11 mei 1993 telefonisch</para>
    <para>met een verzekeringsgeneeskundige van de GMD besproken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij beslissing van 18 juni 1993 heeft gedaagde vervolgens</para>
    <para>geweigerd appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en de</para>
    <para>WAO met ingang van 7 mei 1993 te heropenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellante heeft tegen gedaagdes beslissingen van</para>
    <para>30 maart 1993 en 18 juni 1993 beroep aangetekend bij de</para>
    <para>rechtbank te Breda.</para>
    <para>Bij uitspraak van 22 december 1993 heeft deze rechtbank</para>
    <para>overwogen dat er onvoldoende grond aanwezig was om de</para>
    <para>medische grondslag van de beslissing van 30 maart 1993</para>
    <para>niet te volgen, doch dat deze beslissing niettemin voor</para>
    <para>vernietiging in aanmerking kwam omdat gedaagde</para>
    <para>onvoldoende had gemotiveerd dat de aan appellante</para>
    <para>voorgehouden functies passend waren. In het voetspoor van</para>
    <para>deze uitspraak vernietigde de rechtbank bij uitspraak van</para>
    <para>14 februari 1994 eveneens gedaagdes beslissing van</para>
    <para>18 juni 1993.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze</para>
    <para>uitspraken. Ter uitvoering van deze uitspraken heeft een</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige van de GMD nader gemotiveerd</para>
    <para>dat de belasting in de aan appellante voorgehouden</para>
    <para>functies in overeenstemming was met haar belastbaarheid.</para>
    <para>Vervolgens heeft gedaagde de bestreden besluiten van</para>
    <para>15 april 1994 genomen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank te Breda heeft de beroepen tegen deze</para>
    <para>besluiten bij de aangevallen uitspraak ongegrond</para>
    <para>verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar</para>
    <para>belastbaarheid niet correct is vastgesteld, dat de haar</para>
    <para>voorgehouden voorbeeldfuncties te zwaar zijn en dat zij</para>
    <para>niet gekeurd is door een onpartijdige arts.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ter zitting van de Raad heeft gedaagdes gemachtigde zich</para>
    <para>op het standpunt gesteld dat de medische grondslag van</para>
    <para>besluit I niet in geding is aangezien de rechtbank te</para>
    <para>Breda bij zijn uitspraak van 22 december 1993 reeds op</para>
    <para>dit punt heeft beslist en deze uitspraak kracht van</para>
    <para>gewijsde heeft verkregen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In deze gedingen dienen de vragen te worden beantwoord of</para>
    <para>gedaagde appellantes uitkeringen ingevolge de AAW en de</para>
    <para>WAO bij besluit I terecht met ingang van 4 mei 1993 heeft</para>
    <para>ingetrokken en of gedaagde bij besluit II terecht</para>
    <para>geweigerd heeft deze uitkeringen met ingang van 7 mei</para>
    <para>1993 te heropenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aangaande besluit I overweegt de Raad in de eerste plaats</para>
    <para>dat hij geen aanknopingspunten heeft gevonden om het</para>
    <para>oordeel van de rechtbank, dat gedaagde ten aanzien van</para>
    <para>appellante niet te geringe medische beperkingen heeft</para>
    <para>vastgesteld, voor onjuist te houden. De Raad kan zich</para>
    <para>verenigen met hetgeen de rechtbank dienaangaande heeft</para>
    <para>overwogen. De Raad overweegt daarbij dat appellante niet</para>
    <para>aannemelijk heeft gemaakt dat haar belastbaarheid door</para>
    <para>gedaagde niet juist is vastgesteld. De Raad heeft om die</para>
    <para>reden ook geen aanleiding gezien om een nader onderzoek</para>
    <para>door een deskundige te laten verrichten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad zal aan het door gedaagde ter zitting van de Raad</para>
    <para>ingenomen standpunt voorbijgaan aangezien dit standpunt</para>
    <para>noch in eerste aanleg, noch bij verweerschrift naar voren</para>
    <para>is gebracht en de rechtbank zich wel over de medische</para>
    <para>grondslag van besluit I heeft uitgesproken, terwijl</para>
    <para>gedaagdes belang bij de honorering van dit standpunt</para>
    <para>gering is. De Raad wijst er daarbij op dat de medische</para>
    <para>grondslag van besluit II zonder meer wel in geding is en</para>
    <para>de in geding zijnde datum van dat besluit zeer dicht ligt</para>
    <para>bij de datum waarop besluit I betrekking heeft.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de</para>
    <para>rechtbank dat de belasting in zes van de acht aan</para>
    <para>appellante voorgehouden functies in overeenstemming moet</para>
    <para>worden geacht met haar belastbaarheid. Gedaagde heeft</para>
    <para>deze functies dan ook in aanmerking kunnen nemen bij de</para>
    <para>bepaling van appellantes resterende verdiencapaciteit.</para>
    <para>Aangezien appellante in deze functies een zodanig inkomen</para>
    <para>kan verdienen dat er ten opzichte van haar zogeheten</para>
    <para>maatvrouwinkomen sprake is van een inkomensverlies van</para>
    <para>minder dan 15%, heeft gedaagde haar uitkeringen ingevolge</para>
    <para>de AAW en de WAO met ingang van 4 mei 1994 terecht</para>
    <para>ingetrokken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Ten aanzien van besluit II overweegt de Raad als volgt.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
    <para>bepaalt dat een bestuursorgaan, zoals gedaagde, bij de</para>
    <para>voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart</para>
    <para>omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.</para>
    <para>Ter zake van appellantes melding van</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid op 7 mei 1993 heeft gedaagde zich</para>
    <para>uitsluitend verlaten op de telefonisch verstrekte</para>
    <para>informatie van de Verzekeringsgeneeskundige Dienst van</para>
    <para>appellantes werkgever en heeft de</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige van de GMD appellante niet zelf</para>
    <para>onderzocht. De Raad is van oordeel dat gedaagde</para>
    <para>dusdoende, gelet op de omstandigheden van het onderhavige</para>
    <para>geval, gehandeld heeft in overeenstemming met voormelde</para>
    <para>wetsbepaling. De Raad wijst er daarbij op dat de</para>
    <para>Verzekeringsgeneeskundige Dienst uitvoerig bekend was met</para>
    <para>appellantes ziektegeval en haar beperkingen en</para>
    <para>voortdurend, vanaf juli 1992, betrokken is geweest bij de</para>
    <para>begeleiding van appellante naar een passende werkplek.</para>
    <para>Voorts is niet gebleken dat appellante met deze Dienst</para>
    <para>van mening verschilde omtrent haar (on)geschiktheid voor</para>
    <para>de laatstelijk door haar verrichte werkzaamheden en</para>
    <para>evenmin dat appellante heeft gesteld dat haar beperkingen</para>
    <para>ten tijde van haar melding op 7 mei 1993 waren</para>
    <para>toegenomen.</para>
    <para>De Raad is dan ook van oordeel dat de</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige van de GMD, bij wie appellante</para>
    <para>uitvoerig bekend was, zich mocht baseren op de informatie</para>
    <para>die hem vanwege de Verzekeringsgeneeskundige Dienst was</para>
    <para>verstrekt en heeft kunnen oordelen dat een eigen medisch</para>
    <para>onderzoek niet nodig was om kennis omtrent de relevante</para>
    <para>feiten te vergaren.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad kan zich voorts verenigen met hetgeen de</para>
    <para>rechtbank ten aanzien van besluit II heeft overwogen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is dan ook van oordeel dat gedaagde bij</para>
    <para>besluit II terecht geweigerd heeft om appellantes</para>
    <para>uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO per 7 mei 1993</para>
    <para>te heropenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak</para>
    <para>voor bevestiging in aanmerking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om</para>
    <para>toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van</para>
    <para>de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en</para>
    <para>mr A. Beuker-Tilstra en mr G. van der Wiel als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier</para>
    <para>en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 1997.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) C.G.L. Plomp.</para>
  <para />
  <para>(get.) P.W.A. van Geloven.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>