<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7010</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-23T07:47:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB7010</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-07-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/8768 AAW/WAO, 96/8790 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:17&amp;g=1997-07-27">Algemene wet bestuursrecht 4:17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:18&amp;g=1997-07-27">Algemene wet bestuursrecht 4:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:19&amp;g=1997-07-27">Algemene wet bestuursrecht 4:19</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:22&amp;g=1997-07-27">Algemene wet bestuursrecht 6:22</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7010">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7010</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-23T07:35:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7010 Centrale Raad van Beroep , 27-07-1997 / 96/8768 AAW/WAO, 96/8790 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7010:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Met het motiveringsvereiste (bij een schattingsbesluit) van art 4:17 Awb wordt beoogd dat kenbaar en inzichtelijk wordt gemaakt op welke feitelijke en juridische grondslag de beschikking is gebaseerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7010:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>96/8768 + 8790 AAW/WAO                            O.</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>
    [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
    <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
    <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
    <para>treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
    <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
    <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats</para>
    <para>getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel,</para>
    <para>Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder</para>
    <para>appellant tevens verstaan het bestuur van deze</para>
    <para>bedrijfsvereniging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 14 maart 1995 heeft appellant de aan</para>
    <para>gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet</para>
    <para>(AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</para>
    <para>(WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar</para>
    <para>een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met</para>
    <para>ingang van 17 april 1995 ingetrokken op de grond dat</para>
    <para>gedaagdes arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden</para>
    <para>gesteld op minder dan 25, respectievelijk 15%.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens gedaagde heeft mr W. Zandberg, advocaat te</para>
    <para>Tilburg, tegen dat besluit beroep ingesteld bij de</para>
    <para>arrondissementsrechtbank te Breda.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 10 augustus 1995 heeft appellant een</para>
    <para>besluit van 8 augustus 1995 in het geding gebracht,</para>
    <para>waarbij hij, in verband met een onjuiste berekening van</para>
    <para>de zogeheten uitlooptermijn, de datum met ingang waarvan</para>
    <para>gedaagdes uitkeringen krachtens de AAW en de WAO zijn</para>
    <para>ingetrokken heeft gewijzigd van 17 april 1995 in 6 mei</para>
    <para>1995. Appellant heeft de rechtbank verzocht het besluit</para>
    <para>van 8 augustus 1995 onder toepassing van artikel 6:19,</para>
    <para>eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede</para>
    <para>in haar oordeel te betrekken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 12 augustus 1996 heeft de rechtbank het</para>
    <para>namens gedaagde ingestelde beroep gegrond verklaard en de</para>
    <para>besluiten van 14 maart 1995 en 8 augustus 1995</para>
    <para>vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met</para>
    <para>bijlagen) aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger</para>
    <para>beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 4 april 1997 heeft mr Zandberg, voornoemd,</para>
    <para>namens gedaagde van verweer gediend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden</para>
    <para>op 15 april 1997, waar appellant zich heeft doen</para>
    <para>vertegenwoordigen door mr W.P.J.M. van Gestel, werkzaam</para>
    <para>bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., en waar gedaagde,</para>
    <para>zoals vooraf was bericht, niet is verschenen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen</para>
    <para>uitspraak, voor zover daarbij is beslist dat het besluit</para>
    <para>van 8 augustus 1995 niet in rechte stand kan houden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de</para>
    <para>rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat laatstgenoemd</para>
    <para>besluit onvoldoende is gemotiveerd en deswege dient te</para>
    <para>worden vernietigd. Voorts heeft hij aangevoerd dat de</para>
    <para>rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dat besluit,</para>
    <para>nu de verzekeringsarts -alvorens tot vaststelling van</para>
    <para>gedaagdes belastbaarheid voor arbeid over te gaan- geen</para>
    <para>nadere, actuele medische informatie heeft ingewonnen bij</para>
    <para>de behandelend sector of de huisarts, in strijd is met</para>
    <para>artikel 3:2 van de Awb. Tot slot heeft appellant</para>
    <para>aangevoerd dat het bestreden besluit, anders dan de</para>
    <para>rechtbank heeft aangenomen, wel op een deugdelijke</para>
    <para>arbeidskundige grondslag is gebaseerd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gedaagde heeft zich, blijkens bovengenoemd schrijven van</para>
    <para>4 april 1997 van haar gemachtigde, gesteld achter de</para>
    <para>overwegingen van de rechtbank in de aangevallen</para>
    <para>uitspraak.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voor de Raad ligt derhalve ter beantwoording de vraag</para>
    <para>voor of het besluit van 8 augustus 1995, waarbij</para>
    <para>appellant de aan gedaagde toegekende uitkeringen</para>
    <para>krachtens de AAW en de WAO, berekend naar een mate van</para>
    <para>arbeidson-geschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6</para>
    <para>mei 1995 heeft ingetrokken, in rechte stand kan houden.</para>
    <para>De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank</para>
    <para>heeft gedaan bij de aangevallen uitspraak, bevestigend en</para>
    <para>hij overweegt daartoe als volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het motiveringsvereiste.</para>
    <para>De rechtbank heeft, naar aanleiding van hetgeen</para>
    <para>daaromtrent namens gedaagde is gesteld, in de eerste</para>
    <para>plaats overwogen dat het bestreden besluit, gelet op de</para>
    <para>eis dat een beschikking een deugdelijke, begrijpelijke en</para>
    <para>inzichtelijke motivering bevat, lijdt aan een</para>
    <para>motiveringsgebrek en derhalve dient te worden vernietigd.</para>
    <para>De Raad verstaat deze overweging aldus dat de rechtbank</para>
    <para>van oordeel is dat het bestreden besluit in strijd is met</para>
    <para>artikel 4:17, eerste lid, van de Awb en derhalve niet in</para>
    <para>stand kan blijven. De Raad overweegt dienaangaande als</para>
    <para>volgt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met de in artikel 4:17, eerste lid, van de Awb</para>
    <para>neergelegde eis, dat de motivering wordt vermeld bij de</para>
    <para>bekendmaking van de beschikking, wordt naar het oordeel</para>
    <para>van de Raad beoogd dat kenbaar en inzichtelijk wordt</para>
    <para>gemaakt op welke feitelijke en juridische grondslag die</para>
    <para>beschikking is gebaseerd. Uit deze bepaling vloeit voort</para>
    <para>dat de motivering van een beschikking op schrift dient te</para>
    <para>zijn gesteld. Ter motivering van een besluit als het</para>
    <para>onderhavige kan derhalve niet worden volstaan met een</para>
    <para>verwijzing naar hetgeen in de gesprekken van de</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige met</para>
    <para>betrokkene aan de orde is geweest.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts geldt dat de vraag of de motivering van een</para>
    <para>beschikking voldoet aan de te stellen eisen van</para>
    <para>kenbaarheid en inzichtelijkheid slechts kan worden</para>
    <para>beantwoord in relatie tot de concrete inhoud en</para>
    <para>complexiteit van de betreffende beschikking. Zo is met</para>
    <para>betrekking tot een beschikking, waarbij uitkeringen</para>
    <para>krachtens de AAW en de WAO worden ingetrokken op de grond</para>
    <para>dat betrokkene wordt geacht geen medische beperkingen</para>
    <para>meer te kennen, eerder voldaan aan de eisen ter zake van</para>
    <para>kenbaarheid en inzichtelijkheid, dan met betrekking tot</para>
    <para>een beschikking als de onderhavige, waarbij uitkeringen</para>
    <para>krachtens de AAW en de WAO worden herzien op de grond dat</para>
    <para>betrokkene niet meer in staat wordt geacht te hervatten</para>
    <para>in het eigen werk, maar wel weer in staat wordt geacht</para>
    <para>tot het verrichten van andere, passende werkzaamheden,</para>
    <para>zodat betrokkenes verlies van verdiencapaciteit is</para>
    <para>afgenomen, dan wel niet meer (in relevante mate) aanwezig</para>
    <para>is.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Daarnaast overweegt de Raad dat hij, zoals hij reeds</para>
    <para>meermalen heeft uitgesproken, aanvaardbaar acht dat ter</para>
    <para>motivering van een beschikking wordt verwezen naar</para>
    <para>schriftelijke stukken die in het kader van de</para>
    <para>voorbereiding van die beschikking zijn opgesteld, mits</para>
    <para>die stukken uiterlijk tegelijk met de beschikking ter</para>
    <para>kennis van betrokkene(n) zijn gebracht en zij in</para>
    <para>voldoende mate inzicht bieden in de feitelijke en</para>
    <para>juridische grondslag van de genomen beschikking.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In dit verband is in het voorliggende geval door</para>
    <para>appellant gewezen op de zogeheten aanzegbrief, gedateerd</para>
    <para>6 maart 1995, van de arbeidsdeskundige F. Vergunst,</para>
    <para>waarin gedaagde mededeling is gedaan van de uitkomsten</para>
    <para>van de beoordeling van de mate van haar</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid door die arbeidsdeskundige en</para>
    <para>waarbij als bijlage waren gevoegd functie-omschrijvingen</para>
    <para>van de door die arbeidsdeskundige aan haar voorgehouden,</para>
    <para>passende functies.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de motivering</para>
    <para>van het bestreden besluit, voor zover in dat besluit en</para>
    <para>de genoemde aanzegbrief neergelegd, in onvoldoende mate</para>
    <para>inzicht biedt in de feitelijke en juridische grondslag</para>
    <para>waarop dat besluit is gebaseerd. De opvatting van</para>
    <para>appellant, dat gedaagde, gelet op haar medische</para>
    <para>beperkingen, niet in staat is te hervatten in haar eigen</para>
    <para>werk maar wel in andere, passende werkzaamheden</para>
    <para>(behorende bij de haar voorgehouden functies en zoals</para>
    <para>omschreven in bovengenoemde functiebeschrijvingen), dient</para>
    <para>naar het oordeel van de Raad met een weergave van de door</para>
    <para>appellant ten aanzien van gedaagde aangenomen medische</para>
    <para>beperkingen te worden onderbouwd. In dit verband</para>
    <para>overweegt de Raad dat in het voorliggende geval de</para>
    <para>aangenomen medische beperkingen kunnen blijken uit het</para>
    <para>ten aanzien van gedaagde opgestelde</para>
    <para>belastbaarheidspatroon.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts acht de Raad het van belang dat uit de motivering</para>
    <para>van een besluit als het onderhavige blijkt hoe de mate</para>
    <para>van arbeidsongeschiktheid is berekend. Daartoe dienen de</para>
    <para>voorgehouden functies met de daarbij behorende</para>
    <para>verdiensten te worden vermeld en dient met behulp van het</para>
    <para>zogeheten maatmanloon en het zogeheten mediaanloon te</para>
    <para>worden aangegeven in welke mate sprake is van verlies van</para>
    <para>verdiencapaciteit. Ook op dit punt acht de Raad de</para>
    <para>motivering van het bestreden besluit onvoldoende kenbaar</para>
    <para>en inzichtelijk.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het betoog van appellant, dat in het voorliggende geval</para>
    <para>vermelding van de motivering achterwege kon blijven omdat</para>
    <para>redelijkerwijs kon worden aangenomen dat aan de</para>
    <para>motivering geen behoefte bestond bij gedaagde, kan de</para>
    <para>Raad niet volgen. In dit verband ontleent hij aan de</para>
    <para>Memorie van Toelichting bij artikel 4:18 van de Awb het</para>
    <para>volgende:</para>
    <para>"Er zijn zeer veel situaties voorstelbaar waarin een</para>
    <para>(volledige) vermelding van de motivering overbodig</para>
    <para>is. Dat is het geval als geen enkele belanghebbende</para>
    <para>behoefte heeft aan vermelding van de motivering,</para>
    <para>bijvoorbeeld omdat niemand door de beschikking</para>
    <para>geschaad of belast wordt, omdat de beschikking</para>
    <para>conform de aanvraag is of omdat de beschikking reeds</para>
    <para>lang aangekondigd was, en de motivering reeds lang</para>
    <para>bekend was, zonder dat iemand bezwaar tegen de</para>
    <para>beslissing zal hebben.".</para>
    <para>En aan de Memorie van Antwoord met betrekking tot</para>
    <para>datzelfde artikel ontleent de Raad nog het volgende:</para>
    <para>"Indien iemand een beschikking aanvraagt waarbij de</para>
    <para>belangen van niemand anders zijn betrokken, en het</para>
    <para>bestuursorgaan beslist conform de aanvraag, zal er</para>
    <para>in het algemeen geen enkele behoefte bestaan aan</para>
    <para>vermelding van de motivering van de beschikking.".</para>
    <para>In het voorliggende geval doet zich naar het oordeel van</para>
    <para>de Raad geen situatie voor met het oog waarop in artikel</para>
    <para>4:18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat vermelding</para>
    <para>van de motivering achterwege kan blijven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Tenslotte is naar het oordeel van de Raad artikel 4:19</para>
    <para>van de Awb in het voorliggende geval niet van toepassing,</para>
    <para>daar dit artikel ziet op de situatie dat, indien ter</para>
    <para>voorbereiding van een beschikking een advies is</para>
    <para>opgesteld, ter motivering van die beschikking kan worden</para>
    <para>verwezen naar dat advies, dan wel naar een onderdeel van</para>
    <para>dat advies. Genoemd artikel stelt daarbij als eis dat dat</para>
    <para>advies zelf de motivering dient te bevatten en ter kennis</para>
    <para>van de belanghebbenden is of wordt gebracht. De Raad</para>
    <para>stelt in dit verband vast dat de aan het in geding zijnde</para>
    <para>besluit ten grondslag liggende rapportages niet</para>
    <para>(schriftelijk) ter kennis zijn gebracht van gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Hoewel de Raad, gelet op bovenstaande overwegingen, van</para>
    <para>oordeel is dat de motivering van het bestreden besluit</para>
    <para>niet in voldoende mate kenbaar en inzichtelijk is te</para>
    <para>achten en derhalve in strijd is met artikel 4:17, eerste</para>
    <para>lid, van de Awb, is hij tevens van oordeel dat het</para>
    <para>bestreden besluit, ondanks de schending van genoemd</para>
    <para>voorschrift, onder toepassing van artikel 6:22 van de</para>
    <para>Awb, in stand kan worden gelaten nu dat besluit, gelet op</para>
    <para>hetgeen hierna nog wordt overwogen, overigens in rechte</para>
    <para>stand kan houden. Voor zover bij gedaagde onvoldoende</para>
    <para>duidelijkheid heeft bestaan over de feitelijke en</para>
    <para>juridische grondslag van het bestreden besluit, is de</para>
    <para>Raad van oordeel dat in de loop van de procedure voor de</para>
    <para>rechtbank voldoende duidelijkheid daaromtrent bij haar is</para>
    <para>ontstaan en zij voorts in de gelegenheid is geweest zich</para>
    <para>daaromtrent uit te laten. Gelet hierop moet worden</para>
    <para>geoordeeld dat gedaagde niet wordt benadeeld door het in</para>
    <para>stand laten van dat besluit. De Raad is derhalve, anders</para>
    <para>dan de rechtbank, niet van oordeel dat het bestreden</para>
    <para>besluit, gelet op de schending van artikel 4:17, eerste</para>
    <para>lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het hoger beroep, voor zover gericht tegen dit oordeel</para>
    <para>van de rechtbank, treft derhalve doel.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad ziet aanleiding om, nu moet worden geconstateerd</para>
    <para>dat is beslist in strijd met artikel 4:17 van de Awb, aan</para>
    <para>die constatering het gevolg te verbinden dat appellant</para>
    <para>wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het medisch aspect.</para>
    <para>Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit in</para>
    <para>strijd is met artikel 3:2 van de Awb omdat de</para>
    <para>verzekeringsarts zijn bevindingen en conclusies</para>
    <para>uitsluitend heeft gebaseerd op eigen onderzoek en deze</para>
    <para>geen nadere, actuele medische informatie heeft ingewonnen</para>
    <para>bij de behandelend artsen of de huisarts van gedaagde,</para>
    <para>kan de Raad niet onderschrijven. Het in artikel 3:2 van</para>
    <para>de Awb neergelegde vereiste dat besluiten zorgvuldig</para>
    <para>dienen te worden voorbereid brengt mee dat een medisch</para>
    <para>oordeel inzake de beperkingen gebaseerd dient te zijn op</para>
    <para>een volledig en voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.</para>
    <para>Het niet inwinnen van informatie bij de behandelend arts</para>
    <para>of artsen kan meebrengen dat het onderzoek niet aan deze</para>
    <para>eis voldoet. Het niet inwinnen van deze informatie brengt</para>
    <para>echter niet zonder meer in alle gevallen mee dat het</para>
    <para>onderzoek onvoldoende zorgvuldig is.</para>
    <para>In het onderhavige geval is er naar het oordeel van de</para>
    <para>Raad geen reden om aan te nemen dat het medisch onderzoek</para>
    <para>zonder deze informatie zodanig onvolledig is geweest dat</para>
    <para>de besluitvorming niet voldoet aan het evenvermelde</para>
    <para>zorgvuldigheidsvereiste. Van belang is hierbij dat de</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige uitgebreid heeft gerapporteerd</para>
    <para>inzake zijn bevindingen, welke waren gebaseerd op</para>
    <para>dossierstudie en eigen onderzoek, en voorts dat uit de</para>
    <para>van de zijde van gedaagde tijdens de behandeling in</para>
    <para>eerste aanleg overgelegde medische gegevens niet is</para>
    <para>gebleken dat de behandelend specialist een van de</para>
    <para>verzekeringsgeneeskundige afwijkende mening had inzake de</para>
    <para>medische beperkingen van gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op grond van bovenstaande overwegingen moet worden</para>
    <para>geoordeeld dat de aangevallen uitspraak, ook voor zover</para>
    <para>daarbij is overwogen dat het bestreden besluit zodanig</para>
    <para>onzorgvuldig is voorbereid dat het dient te worden</para>
    <para>vernietigd, niet in stand kan blijven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het arbeidskundig aspect.</para>
    <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat het bestreden besluit</para>
    <para>een voldoende arbeidskundige grondslag mist omdat bij de</para>
    <para>bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid gebruik is</para>
    <para>gemaakt van fulltime functies, terwijl gedaagde in haar</para>
    <para>eigen maatmanfunctie slechts 20 uur per week werkzaam</para>
    <para>was. Op grond hiervan achtte de rechtbank tevens sprake</para>
    <para>van schending van artikel 4:16 van de Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is evenwel, gelet op de gedingstukken, van</para>
    <para>oordeel dat genoegzaam aannemelijk is geworden dat de</para>
    <para>door appellant ten behoeve van de schatting van de mate</para>
    <para>van arbeidsongeschiktheid van gedaagde gebruikte fulltime</para>
    <para>functies ook in parttime-vorm voorkomen, zodat het</para>
    <para>bestreden besluit, voor wat betreft het arbeidskundig</para>
    <para>aspect, op een deugdelijke grondslag berust en het hoger</para>
    <para>beroep, ook voor zover het is gericht tegen het oordeel</para>
    <para>van de rechtbank op dit punt, doel treft.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad, nu hem ook</para>
    <para>overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit niet</para>
    <para>in rechte stand kan houden, van oordeel dat de</para>
    <para>aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is</para>
    <para>vernietigd, voor vernietiging in aanmerking komt. Hij</para>
    <para>beslist derhalve als hieronder is vermeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de</para>
    <para>proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op</para>
    <para>f 710,- voor verleende rechtsbijstand.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover</para>
    <para>daarbij is beslist omtrent de veroordeling in de</para>
    <para>proceskosten en de vergoeding van het griffierecht;</para>
    <para>Verklaart het inleidende beroep alsnog ongegrond;</para>
    <para>Veroordeelt appellant in de kosten van het geding in</para>
    <para>hoger beroep aan de zijde van gedaagde gevallen, ten</para>
    <para>bedrage van f 710,-.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr A. Beuker-Tilstra als voorzitter en</para>
    <para>mr T. Hoogenboom en mr H. Bolt als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier</para>
    <para>en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 1997.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>(get.) A. Beuker-Tilstra.</para>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para>(get.) P.W.A. van Geloven.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>