<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6981</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-04-13T14:35:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6981</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/682 CSV, 95/675 CSV, 95/659 CSV, 95/664 CSV,;95/702 CSV, 95/709 CSV, 95/770 CSV, 95/775 CSV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=16a&amp;g=1997-06-26">Coördinatiewet Sociale Verzekering 16a</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=16b&amp;g=1997-06-26">Coördinatiewet Sociale Verzekering 16b</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6981">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6981</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:51:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6981 Centrale Raad van Beroep , 26-06-1997 / 95/682 CSV, 95/675 CSV, 95/659 CSV, 95/664 CSV,;95/702 CSV, 95/709 CSV, 95/770 CSV, 95/775 CSV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6981:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Inlenersaansprakelijkheid tuinders; redelijke termijn; 'criminal charge'.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6981:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>95/682+675 CSV, 95/659+664 CSV,</para>
      <para>95/702+709 CSV, 95/770+775 CSV</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>O.</para>
      <para>U I T S P R A A K</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Firma G. van de Lee en Zn., gevestigd te Maasdijk,</para>
      <para>Firma W. van de Kruk en Zn., gevestigd te Maasdijk,</para>
      <para>G. van de Wel, wonende te Maasdijk,</para>
      <para>Hofland Nolweg B.V., gevestigd te Maasdijk,</para>
      <para>appellanten, tevens gedaagden, hierna te noemen:</para>
      <para>de ondernemers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde,</para>
      <para>tevens appellant, hierna te noemen: het uitvoeringsorgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet sociale verzekeringen 1997 treedt het</para>
      <para>Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de</para>
      <para>plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige</para>
      <para>geval is het Lisv in de plaats getreden van het bestuur van de</para>
      <para>Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch Bedrijf. In deze</para>
      <para>uitspraak wordt onder uitvoeringsorgaan tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van deze Bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uitvoeringsorgaan heeft de ondernemers bij de in geding</para>
      <para>zijnde beslissingen van 10 december 1990, tot in die</para>
      <para>beslissingen genoemde bedragen, op grond van artikel 16a van</para>
      <para>de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CwSV)</para>
      <para>hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies die A. van</para>
      <para>Wamelen in een of meer van de jaren 1986 tot en met 1989</para>
      <para>verschuldigd was terzake van werknemers die aan de ondernemers</para>
      <para>ter beschikking zijn gesteld. De aansprakelijkstelling is in</para>
      <para>alle gevallen subsidiair gebaseerd op artikel 16b van de CwSV.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft de tegen</para>
      <para>die beslissingen ingestelde beroepen bij uitspraken van 22</para>
      <para>december 1994 gegrond verklaard, voorzover die betreffen de</para>
      <para>daarin genoemde bedragen van de hoofdelijke</para>
      <para>aansprakelijkstelling, en die beslissingen in zoverre</para>
      <para>vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ondernemers hebben bij gemachtigde A. Rietveld, werkzaam</para>
      <para>bij Accountantskantoor Kester en Van den Berg B.V. te</para>
      <para>Maasdijk, tegen die uitspraken beroep ingesteld bij de Raad.</para>
      <para>In gelijkluidende beroepschriften zijn de gronden uiteengezet</para>
      <para>waarop de Raad is verzocht de aangevallen uitspraken, voor</para>
      <para>zover de ondernemers daarbij in het ongelijk zijn gesteld, te</para>
      <para>vernietigen en alsnog tot volledige vernietiging van de</para>
      <para>bestreden beslissing over te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uitvoeringsorgaan is eveneens van die uitspraken bij de</para>
      <para>Raad in hoger beroep gekomen. In gelijkluidende aanvullende</para>
      <para>beroepschriften heeft het uitvoeringsorgaan de Raad verzocht</para>
      <para>de aangevallen uitspraken, voorzover daarbij de bestreden</para>
      <para>beslissingen zijn vernietigd, te vernietigen en de inleidende</para>
      <para>beroepen alsnog in hun geheel ongegrond te verklaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens het uitvoeringsorgaan en de ondernemers zijn over en</para>
      <para>weer verweerschriften ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn, gevoegd met een groot aantal andere gedingen</para>
      <para>met betrekking tot aansprakelijkstellingen voor premieschulden</para>
      <para>van A. van Wamelen, behandeld ter zitting van de Raad van 3</para>
      <para>april 1997, waar het uitvoeringsorgaan zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr A. Moesker, werkzaam bij GUO</para>
      <para>uitvoeringsorganisatie B.V., en waar de ondernemers zich</para>
      <para>hebben doen vertegenwoordigen door A. Rietveld, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ondernemers hebben blijkens de aangevallen uitspraken in</para>
      <para>een of meer van de jaren 1986 tot en met 1989 werkzaamheden</para>
      <para>laten uitvoeren door werknemers van Agrarisch loonbedrijf A.</para>
      <para>van Wamelen (hierna: Van Wamelen) te Maasdijk. Van Wamelen</para>
      <para>heeft ter zake van zijn werknemers bij faillissement grote</para>
      <para>premiebedragen onbetaald gelaten, waarvoor onder meer de</para>
      <para>ondernemers primair op grond van artikel 16a van de CwSV en</para>
      <para>subsidiair op grond van artikel 16b van de CwSV hoofdelijk</para>
      <para>aansprakelijk zijn gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de berekening van de bedragen waarvoor de ondernemers</para>
      <para>hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld, heeft het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan bij de herleiding van de door Van Wamelen</para>
      <para>netto uitbetaalde bedragen tot bruto premieloonbedragen,</para>
      <para>gebruik gemaakt van het zogenaamde anoniementarief van artikel</para>
      <para>26a (oud, thans artikel 26b) van de Wet op de loonbelasting</para>
      <para>1964.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de ondernemers in</para>
      <para>alle gevallen terecht aansprakelijk zijn gesteld op grond van</para>
      <para>artikel 16a van de CwSV. De rechtbank heeft zich eveneens</para>
      <para>kunnen verenigen met de wijze van schatting van het 'zwart'</para>
      <para>uitbetaalde loon, de toerekening daarvan aan alle inleners en</para>
      <para>de mate waarin bij de aansprakelijkstelling rekening is</para>
      <para>gehouden met bepaalde aftrekposten.</para>
      <para>De rechtbank heeft evenwel de wijze van herleiding van de</para>
      <para>netto uitbetaalde loonbedragen naar bruto premieloon, waarbij</para>
      <para>gebruik is gemaakt van het anoniementarief, in navolging van</para>
      <para>de ongepubliceerde uitspraak van deze Raad van 21 december</para>
      <para>1993, in het geding Premie 1993/108, niet aanvaard en heeft in</para>
      <para>zoverre de in geding zijnde beslissingen vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het uitvoeringsorgaan heeft tegen die uitspraken hoger beroep</para>
      <para>ingesteld, voorzover zijn beslissingen daarbij zijn</para>
      <para>vernietigd, en aan de Raad verzocht om uitstel van de</para>
      <para>behandeling totdat de Hoge Raad uitspraak zal hebben gedaan op</para>
      <para>een inmiddels ingesteld beroep in cassatie van het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan tegen de uitspraak van deze Raad van 7</para>
      <para>december 1994, in de gedingen Premie 1993/415 en andere,</para>
      <para>gepubliceerd in RSV 1995/168.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ondernemers hebben bij gemachtigde Rietveld, voornoemd,</para>
      <para>eveneens tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld. In de</para>
      <para>gelijkluidende beroepschriften hebben de ondernemers doen</para>
      <para>aanvoeren dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat</para>
      <para>er sprake was van het inlenen van personeel. Daarnaast heeft</para>
      <para>volgens de ondernemers het uitvoeringsorgaan ten onrechte</para>
      <para>verklaringen inzake het betalingsgedrag aan Van Wamelen</para>
      <para>verstrekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>De toepassing van het anoniementarief</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Allereerst is in geding of bij de vaststelling van het</para>
      <para>premieloon gebruteerd mag worden, en zo ja, of gebruteerd mag</para>
      <para>worden met het anoniementarief.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank overwogen dat</para>
      <para>het uitvoeringsorgaan bij het nemen van een nieuw besluit</para>
      <para>alsnog dient na te gaan of, en zo ja, welke consequenties de</para>
      <para>arresten van de Hoge Raad van 4 mei 1994, onder andere</para>
      <para>gepubliceerd in RSV 1995/10 en 11, en AB 1994, 500, hebben</para>
      <para>voor (het bedrag van) de aansprakelijkstelling.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad heeft het uitvoeringsorgaan</para>
      <para>voldoende aannemelijk gemaakt dat Van Wamelen de</para>
      <para>netto-loonbetalingen aan zijn anoniem gebleven werknemers</para>
      <para>heeft gedaan onder omstandigheden die verhaal op de betrokken</para>
      <para>werknemers van de ten onrechte achterwege gebleven inhoudingen</para>
      <para>bij voorbaat uitsluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft de Hoge Raad in een arrest van 5 februari 1997,</para>
      <para>nr. 291, gepubliceerd in USZ 1997/57 en Vakstudienieuws van 27</para>
      <para>februari 1997, nr. 24, een uitspraak van deze Raad vernietigd</para>
      <para>en de aan die uitspraak ten grondslag liggende uitspraak van</para>
      <para>de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch bevestigd. Het</para>
      <para>desbetreffende geding had betrekking op de berekening van een</para>
      <para>hoofdelijke aansprakelijkstelling waarbij door het bestuur van</para>
      <para>de desbetreffende bedrijfsvereniging bij herleiding van de</para>
      <para>netto betaalde bedragen tot premieloon, eveneens toepassing</para>
      <para>was gegeven aan het anoniementarief van artikel 26a (oud) van</para>
      <para>de Wet op de loonbelasting 1964.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ontleent aan dat arrest de volgende overwegingen.</para>
      <para>"4.2. Het eerste middel bestrijdt het oordeel van de</para>
      <para>Centrale Raad dat bij het herleiden van netto</para>
      <para>uitbetaald loon tot het premieloon voor de</para>
      <para>premieheffing werknemersverzekeringen het</para>
      <para>anoniementarief niet van toepassing is. Dit oordeel</para>
      <para>is niet juist. In de gevallen waarin een werkgever</para>
      <para>niet, zoals hij bij een juiste toepassing van de Wet</para>
      <para>LB had moeten doen, op het loon 40 procent aan</para>
      <para>loonbelasting heeft ingehouden en hij die belasting</para>
      <para>niet zal verhalen, genieten de betrokken werknemers</para>
      <para>een voordeel uit dienstbetrekking ten bedrage van de</para>
      <para>niet ingehouden loonbelasting. Dit voordeel dient</para>
      <para>ten volle bij de brutering in aanmerking te worden</para>
      <para>genomen (Hoge Raad 1 mei 1996, nummer 31070, BNB</para>
      <para>1996/212). Nu ingevolge artikel 4 CSV in de</para>
      <para>grondslag voor de premieheffing</para>
      <para>werknemersverzekeringen wordt begrepen al hetgeen</para>
      <para>uit dienstbetrekking wordt genoten, geldt het</para>
      <para>vorenstaande evenzeer voor de herleiding van netto</para>
      <para>uitbetaald loon tot het premieloon voor de</para>
      <para>premieheffing werknemersverzekeringen. Hieraan doet</para>
      <para>niet af dat noch de sociale</para>
      <para>werknemersverzekeringswetten, noch de CSV een met</para>
      <para>artikel 26a van de Wet LB overeenkomende bepaling</para>
      <para>kennen. Het middel is derhalve gegrond."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is, onder verwijzing naar de hiervoor weergegeven</para>
      <para>overweging uit het arrest van de Hoge Raad van 5 februari</para>
      <para>1997, van oordeel dat het uitvoeringsorgaan heeft mogen</para>
      <para>bruteren met het anoniementarief.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aangevallen uitspraken, waarbij de vraag of het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan bij de brutering terecht gebruik heeft</para>
      <para>gemaakt van het anoniementarief, ontkennend is beantwoord,</para>
      <para>kunnen derhalve niet in stand blijven en dienen te worden</para>
      <para>vernietigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitzondering op toepassing van anoniementarief</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de ondernemers is nog aangevoerd dat in hoger beroep</para>
      <para>ook in geding is of hier geen uitzondering moet worden gemaakt</para>
      <para>op de rechtens in beginsel toelaatbare toepassing van het</para>
      <para>anoniementarief. Tijdens de procedure bij de voormalige raad</para>
      <para>van beroep en vervolgens de rechtbank is er namens de</para>
      <para>ondernemers een beroep op gedaan dat de bij de ondernemers</para>
      <para>werkzame werknemers van Van Wamelen nu juist geen anonieme</para>
      <para>werknemers waren. Bovendien hebben de ondernemers in die fase</para>
      <para>van de procedure ook een lijst in geding gebracht met een</para>
      <para>aantal namen van werknemers van Van Wamelen, met - ten dele -</para>
      <para>hun Sofi-nummers, en met een globale aanduiding wanneer zij</para>
      <para>bij de ondernemers werkzaam waren geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het ontbreken van een bezwaarschriftprocedure was de</para>
      <para>bestuurlijke besluitvorming van het uitvoeringsorgaan afgerond</para>
      <para>met het nemen van de bestreden beslissing. Tijdens de</para>
      <para>bestuurlijke besluitvormingsprocedure zijn de ondernemers in</para>
      <para>de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen,</para>
      <para>bijvoorbeeld in de vorm van een zogenaamde</para>
      <para>schaduw-loonadministratie of een manurenregistratie, ten</para>
      <para>bewijze dat zich onder de voor de ondernemers werkzame</para>
      <para>werknemers van Van Wamelen geen anonieme werknemers bevonden.</para>
      <para>Om hen moverende redenen hebben de ondernemers toen die nadere</para>
      <para>informatie niet verschaft, noch verzocht om een gelegenheid om</para>
      <para>die nadere informatie alsnog te verschaffen. Naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad moeten de gevolgen hiervan in beginsel voor risico</para>
      <para>van de ondernemers komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de alsnog verschafte gegevens is naar het oordeel van de</para>
      <para>Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat naast niet-anonieme</para>
      <para>werknemers niet ook wél anonieme werknemers van Van Wamelen</para>
      <para>bij de ondernemers werkzaam zijn geweest. Niet bekend is</para>
      <para>immers welk deel van de omzet door de genoemde werknemers voor</para>
      <para>hun rekening is genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder deze omstandigheden heeft het uitvoeringsorgaan naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad in redelijkheid kunnen kiezen voor de ook</para>
      <para>bij de ondernemers gevolgde benadering, waarbij zoveel</para>
      <para>mogelijk is vastgesteld welke werknemers van Van Wamelen niet</para>
      <para>als anonieme werknemers werkzaam zijn geweest, en waarbij voor</para>
      <para>hen de `normale' brutering is toegepast, terwijl voor de</para>
      <para>overige werknemers met toepassing van het anoniementarief is</para>
      <para>gebruteerd, en waarbij de premielasten voor de anonieme</para>
      <para>werknemers vervolgens naar evenredigheid van de</para>
      <para>factuurbedragen zijn verdeeld over de 97 hoofdelijk</para>
      <para>aansprakelijk gestelde inleners, voor zover deze - zoals de</para>
      <para>ondernemers - niet of niet tijdig de boven bedoelde nadere</para>
      <para>informatie hadden verschaft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De verklaringen inzake het betalingsgedrag</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de ondernemers is er een beroep op gedaan dat het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan in 1988 drie keer, te weten op 2 mei, 30 mei</para>
      <para>en 29 juli, en in 1989 één keer, te weten op 9 juni, aan Van</para>
      <para>Wamelen een verklaring inzake het betalingsgedrag heeft</para>
      <para>verstrekt. Op grond daarvan hadden de ondernemers het volgens</para>
      <para>hen gerechtvaardigde vertrouwen dat er bij de premiebetaling</para>
      <para>door Van Wamelen geen ernstige problemen bestonden, en in</para>
      <para>ieder geval dat niet alsnog over 1986 en 1987</para>
      <para>aansprakelijkstellingen zouden plaatsvinden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens het uitvoeringsorgaan hebben de litigieuze</para>
      <para>verklaringen strict genomen alleen betrekking op de betaling</para>
      <para>van al opgelegde premienota's en navorderingen, en zijn zij</para>
      <para>bovendien in casu zo geclausuleerd dat de ondernemers hadden</para>
      <para>kunnen zien dat er wel degelijk problemen met het</para>
      <para>betalingsgedrag van Van Wamelen waren. Bovendien zijn de</para>
      <para>litigieuze verklaringen volgens het uitvoeringsorgaan niet</para>
      <para>gedragsbepalend voor de ondernemers geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat de litigieuze verklaringen in het</para>
      <para>algemeen bij het bedrijfsbezoek door de looninspecteur niet in</para>
      <para>de administraties van de ondernemers zijn aangetroffen. Bij</para>
      <para>sommige ondernemers in het Van Wamelen-cluster wordt in de</para>
      <para>individuele rapportage aangegeven dat verklaringen van</para>
      <para>betalingsgedrag volledig ontbreken, bij andere ondernemers dat</para>
      <para>zij niet over alle relevante periodes zijn aangetroffen. Een</para>
      <para>verklaring voor dit verschil in de rapportages kon door de</para>
      <para>gemachtigde van het uitvoeringsorgaan ter zitting van de Raad</para>
      <para>niet worden gegeven. Daardoor valt niet met zekerheid vast te</para>
      <para>stellen of het onderzoek, namens het uitvoeringsorgaan</para>
      <para>ingesteld, voldoende zorgvuldig is geweest. Wel staat vast dat</para>
      <para>de litigieuze verklaringen eerst tijdens de procedure in</para>
      <para>eerste aanleg door de ondernemers in het geding zijn</para>
      <para>ingebracht, in sommige van de - parallel lopende - procedures</para>
      <para>van het Van Wamelen-cluster alle vier, soms een of twee.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad zal bezien hoe het door de ondernemers op het</para>
      <para>vertrouwensbeginsel gedane beroep beoordeeld moet worden</para>
      <para>indien alle ondernemers zelf bij Van Wamelen tijdig kopieën</para>
      <para>van de betreffende verklaringen hadden opgevraagd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad houdt op zich zelf de stelling van het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan, dat de functie van verklaringen inzake het</para>
      <para>betalingsgedrag beperkt is tot het verschaffen van informatie</para>
      <para>aan ondernemers om hen behulpzaam te zijn bij de selectie van,</para>
      <para>en de continuering van de relatie met, uitleners en</para>
      <para>onderaannemers, niet voor onjuist. Deze functie brengt met</para>
      <para>zich mee dat het uitvoeringsorgaan in verklaringen inzake het</para>
      <para>betalingsgedrag zo nauwkeurig mogelijk die informatie moet</para>
      <para>verschaffen, die in overeenstemming is met de informatie over</para>
      <para>het betalingsgedrag waarover het uitvoeringsorgaan beschikt.</para>
      <para>Het uitvoeringsorgaan is echter ook gehouden niet licht een</para>
      <para>verklaring inzake het betalingsgedrag te weigeren dan wel te</para>
      <para>verlenen onder toevoeging van voorbehouden, gezien de</para>
      <para>ingrijpende consequenties die daaraan voor de uitlener of</para>
      <para>onderaannemer verbonden kunnen zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad voldoen de verklaringen van 2 mei</para>
      <para>1988, 30 mei 1988 en 29 juli 1988 wel aan de hiervoor</para>
      <para>geformuleerde uitgangspunten. Het uitvoeringsorgaan beschikte</para>
      <para>op het moment van verlening van deze verklaringen niet over</para>
      <para>andere informatie dan vermeld in deze verklaringen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ook heeft het uitvoeringsorgaan naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>op basis van de medio 1988 beschikbare informatie mogen</para>
      <para>verklaren dat Van Wamelen aan zijn verplichtingen over 1986 en</para>
      <para>1987 - vanzelfsprekend ter zake van het toen al wel</para>
      <para>verantwoorde en daarom bekende - loon had voldaan. De</para>
      <para>ondernemers kunnen zich derhalve niet met succes op de</para>
      <para>verklaringen uit 1988 beroepen ter afwering van een</para>
      <para>hoofdelijke aansprakelijkstelling over 1986 en 1987. Dit is</para>
      <para>temeer het geval omdat zij het aangaan danwel continueren van</para>
      <para>hun contractuele relatie met Van Wamelen in 1986 en 1987</para>
      <para>vanzelfsprekend niet hebben kunnen laten beïnvloeden door de</para>
      <para>verklaringen uit 1988.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten tijde van het verlenen van de verklaring van 9 juni 1989</para>
      <para>was de situatie echter anders. Inmiddels was het aan het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan bekend dat Van Wamelen ernstig was</para>
      <para>tekortgeschoten in het volledig verantwoorden van alle door</para>
      <para>hem vanaf 1986 betaalde lonen en was intern binnen het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan voorgesteld om over de jaren vanaf 1986 tot</para>
      <para>ingrijpende correcties jegens Van Wamelen over te gaan. In het</para>
      <para>licht hiervan zijn de in de verklaring van 9 juni 1989</para>
      <para>gemaakte voorbehouden, te weten dat een voorschot over 1988 ad</para>
      <para>f 59.798,40 nog niet was betaald, en dat 2/12 van de</para>
      <para>voorschotpremie van 1989 was voldaan, ontoereikend gezien de</para>
      <para>informatie waarover het uitvoeringsorgaan ten aanzien van Van</para>
      <para>Wamelen beschikte. In het licht van de geschetste feiten en</para>
      <para>omstandigheden had het uitvoeringsorgaan de verklaring van 9</para>
      <para>juni 1989 naar het oordeel van de Raad niet mogen verlenen. De</para>
      <para>verklaring van 9 juni 1989 kan verder in zoverre</para>
      <para>gedragsbepalend zijn geweest omdat zij het mogelijk heeft</para>
      <para>gemaakt dat de ondernemers de vraag of zij hun relatie met Van</para>
      <para>Wamelen moesten continueren, na 9 juni 1989 verkeerd hebben</para>
      <para>beoordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad had het uitvoeringsorgaan bij de</para>
      <para>voorbereiding van de bestreden beslissingen behoren te</para>
      <para>onderzoeken of, en zo ja, vanaf welk moment, de ondernemers,</para>
      <para>die alle ook inzake 1989 hoofdelijk aansprakelijk zijn</para>
      <para>gesteld, kennis hebben genomen van de verklaring van 9 juni</para>
      <para>1989, en of zij ook nog nadat zij kennis hadden genomen van de</para>
      <para>verklaring van 9 juni 1989, hun contractuele relatie met Van</para>
      <para>Wamelen hebben gecontinueerd. Bij gebreke van dit onderzoek</para>
      <para>kunnen de bestreden beslissingen voor zover zij betrekking</para>
      <para>hebben op het premiejaar 1989 en voor zover zij mede een</para>
      <para>aansprakelijkstelling over de hiervoor bedoelde periode vanaf</para>
      <para>10 juni 1989 bevatten, niet in stand blijven. Indien voor de</para>
      <para>ondernemers die na 10 juni 1989 met Van Wamelen zaken hebben</para>
      <para>gedaan, voldoende aannemelijk wordt dat zij beschikten over de</para>
      <para>verklaring van 9 juni 1989, kan de aansprakelijkstelling in</para>
      <para>zoverre niet in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Andere grieven van de ondernemers</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van de</para>
      <para>ondernemers verklaard de bezwaren tegen de aanname van</para>
      <para>inlening niet langer te handhaven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>"Criminal charge"</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens de ondernemers is er nog een beroep op gedaan dat bij</para>
      <para>de toepassing van het anoniementarief sprake zou zijn van een</para>
      <para>"criminal charge" in de zin van artikel 6 van het Europees</para>
      <para>Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de</para>
      <para>fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), terwijl de daar</para>
      <para>voorgeschreven redelijke termijn zou zijn overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is bij de toepassing van het</para>
      <para>anoniementarief, en derhalve ook bij de brutering met het</para>
      <para>anoniementarief en bij de aansprakelijkstelling voor</para>
      <para>premiebedragen die zijn vastgesteld met toepassing van het</para>
      <para>anoniementarief, geen sprake van een "criminal charge" zoals</para>
      <para>bedoeld in artikel 6 van het EVRM, en zoals uitgelegd in de</para>
      <para>arresten van het Europese Hof voor de rechten van de mens van</para>
      <para>21 februari 1984, onder andere gepubliceerd in NJ 1988, 937</para>
      <para>(in de zaak Öztürk) en in het bijzonder in dat van 24 februari</para>
      <para>1994, onder andere gepubliceerd in NJ 1994, 496 en BNB</para>
      <para>1994/175 (in de zaak Bendenoun).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de toepassing van het anoniementarief is op zich zelf</para>
      <para>sprake van een sanctie op onrechtmatig handelen van burgers,</para>
      <para>namelijk dat van de betrokken werknemer en van de betrokken</para>
      <para>werkgever. Het anoniementarief betreft echter naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad een typisch reparatoire sanctie, via welke de</para>
      <para>rechtens juiste en in ieder geval voldoende belastingheffing</para>
      <para>en premieheffing voor de volksverzekeringen over het loon</para>
      <para>wordt gerealiseerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Weliswaar richt artikel 26a (oud) van de Wet op de</para>
      <para>loonbelasting 1964 zich tot alle burgers in hun hoedanigheid</para>
      <para>van belastingbetaler, en niet een bepaalde groep met een</para>
      <para>bijzondere status ("all citizens in their capacity as</para>
      <para>taxpayers, and not a given group with a particular</para>
      <para>status"). Het anoniementarief is echter bedoeld als een</para>
      <para>geldelijke compensatie voor schade ("pecuniary compensation</para>
      <para>for damage"), ontstaan door onvoldoende belastingheffing en</para>
      <para>premieheffing voor de volksverzekeringen, en niet in wezen als</para>
      <para>een bestraffing om de overtreder van recidive af te houden</para>
      <para>("essentially as a punishment to deter reoffending").</para>
      <para>Voor zover de inhouding volgens het anoniementarief meer</para>
      <para>bedraagt dan ingevolge de Wet op de inkomstenbelasting 1964</para>
      <para>door de betrokken werknemer is verschuldigd, kan de betrokken</para>
      <para>werknemer door alsnog aangifte voor de inkomstenbelasting te</para>
      <para>doen, de te hoge heffing laten corrigeren. Hij lijdt dan</para>
      <para>alleen enig liquiditeits- en rentenadeel. Derhalve bestaat er</para>
      <para>bij de toepassing van het anoniementarief een essentieel</para>
      <para>verschil met punitieve sancties zoals bestuurlijke boetes</para>
      <para>("punishment"), die, nadat zij zijn opgelegd, door de</para>
      <para>overtreder in beginsel niet ongedaan kunnen worden gemaakt</para>
      <para>door corrigerende handelingen zijnerzijds om de rechtens</para>
      <para>juiste belastingheffing en premieheffing volksverzekeringen</para>
      <para>alsnog te realiseren. Daarom kan naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>niet worden staande gehouden dat bij het anoniementarief</para>
      <para>sprake is van een algemene regeling waarvan het doel zowel</para>
      <para>afschrikwekkend als punitief is ("a general rule, whose</para>
      <para>purpose is both deterrent and punitive").</para>
      <para>Verder acht de Raad van belang dat het weliswaar bij de</para>
      <para>toepassing van het anoniementarief om zeer aanzienlijke ("very</para>
      <para>substantial") bedragen kan gaan, maar deze bedragen zijn</para>
      <para>direct gerelateerd aan de omvang van het loon van de anonieme</para>
      <para>werknemer en de lengte van de periode waarin deze als anonieme</para>
      <para>werknemer heeft gewerkt.</para>
      <para>Ten slotte acht de Raad van belang dat bij niet-toepassing van</para>
      <para>het anoniementarief geen strafbedreiging in de vorm van een</para>
      <para>vrijheidsbeneming door een vonnis van een strafrechter</para>
      <para>("liable to be committed to prison by the criminal courts")</para>
      <para>bestaat.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad overheersen bij de toepassing van</para>
      <para>het anoniementarief ten aanzien van een anonieme werknemer</para>
      <para>derhalve die factoren die geen strafrechtelijke connotatie</para>
      <para>("criminal connotation") hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toepassing van het anoniementarief betreft naar het oordeel</para>
      <para>van de Raad voorts ook geen boete of daarmee vergelijkbare</para>
      <para>punitieve sanctie die aan de betrokken werkgever wordt</para>
      <para>opgelegd, en die volgens vaste jurisprudentie van de Raad in</para>
      <para>beginsel geen onderdeel mag uitmaken van de</para>
      <para>aansprakelijkstelling van een inlener dan wel een andere</para>
      <para>hoofdelijk aansprakelijk gestelde. Immers, de werkgever kan de</para>
      <para>via toepassing van het anoniementarief vastgestelde belasting</para>
      <para>op het loon van de betrokken werknemer inhouden, en lijdt bij</para>
      <para>juiste toepassing van het anoniementarief derhalve geen</para>
      <para>financieel nadeel.</para>
      <para>Voor zover de werkgever niet conform het anoniementarief heeft</para>
      <para>ingehouden, en niet alsnog de (hogere) loonbelasting op de</para>
      <para>werknemer kan verhalen, lijdt hij wel een niet corrigeerbaar</para>
      <para>financieel nadeel. Dat is bij andere reparatoire sancties -</para>
      <para>zoals bestuursdwang - ook veelal het geval, zonder dat daarmee</para>
      <para>sprake is van een punitieve sanctie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De toepassing van het anoniementarief betreft tenslotte ook</para>
      <para>geen boete of daarmee vergelijkbare punitieve sanctie die aan</para>
      <para>inleners - zoals de ondernemers - wordt opgelegd. In gevallen</para>
      <para>waarin - conform het voormelde arrest van de Hoge Raad van 5</para>
      <para>februari 1997 - met het anoniementarief moet worden gebruteerd,</para>
      <para>is sprake van een tekort aan premiebetaling door de uitlener</para>
      <para>aan appellant ter hoogte van het totaal aan premie die bij</para>
      <para>brutering met toepassing van het anoniementarief door de</para>
      <para>uitlener betaald had moeten worden, onder vermindering met</para>
      <para>hetgeen door de uitlener is betaald. Bij de hoofdelijke</para>
      <para>aansprakelijkstelling van inleners - zoals de ondernemers - gaat</para>
      <para>het derhalve om een typisch reparatoire sanctie, via welke de</para>
      <para>rechtens juiste en in ieder geval voldoende premieheffing over</para>
      <para>het loon wordt gerealiseerd, doordat de ontstane schade wordt</para>
      <para>gecompenseerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Redelijke termijn bij "civil obligation"</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad moet bij de aansprakelijkstelling</para>
      <para>van een inlener niettemin worden voldaan aan het vereiste van</para>
      <para>de redelijke termijn, aangezien sprake is van een "civil</para>
      <para>obligation" in de zin van artikel 6 van het EVRM. Naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad is de redelijke termijn in casu niet</para>
      <para>geschonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nadat bij een looninspecteur van het uitvoeringsorgaan in</para>
      <para>november 1988 het vermoeden van onjuist handelen door</para>
      <para>Van Wamelen was ontstaan, is nader onderzoek verricht. Dit</para>
      <para>onderzoek is in februari 1989 voortgezet en heeft - na het</para>
      <para>horen van de betrokken inleners - tot een rapport van de</para>
      <para>looninspecteur van maart 1990 geleid.</para>
      <para>Gelet op de complexiteit van de zaak en het feit dat het om 97</para>
      <para>hoofdelijk aansprakelijk te stellen inleners ging, heeft het</para>
      <para>uitvoeringsorgaan naar het oordeel van de Raad met voldoende</para>
      <para>voortvarendheid gewerkt aan de totstandkoming van de op 10</para>
      <para>december 1990 medegedeelde beslissingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hoewel de periode van bijna vier jaar die de behandeling van</para>
      <para>de zaken bij de voormalige raad van beroep en de rechtbank in</para>
      <para>beslag heeft genomen, aan de lange kant lijkt, is naar het</para>
      <para>oordeel van de Raad geen sprake van een schending van de</para>
      <para>redelijke termijn. Voor de Raad weegt daarbij bijzonder zwaar</para>
      <para>dat zijdens de ondernemers in die periode geen enkel verzoek</para>
      <para>tot een spoedigere behandeling is gedaan. Bovendien is de Raad</para>
      <para>gebleken dat de rechtbank - in overleg met Rietveld, voornoemd,</para>
      <para>die niet alleen gemachtigde is van de onderhavige ondernemers,</para>
      <para>maar van het overgrote deel van de inleners in de zaken in het</para>
      <para>Van Wamelen-cluster - ervoor heeft gekozen om een van de zaken</para>
      <para>eerst volledig uit te procederen, en daarna de andere zaken er</para>
      <para>snel achteraan te behandelen. In die ene zaak heeft de</para>
      <para>rechtbank uitspraak gedaan op 14 januari 1994. De behandeling</para>
      <para>van de onderhavige zaak is verder gecompliceerd doordat eerst</para>
      <para>na het doen van laatstbedoelde uitspraak de rechtbank op de</para>
      <para>hoogte is gekomen van het anders luidende oordeel van de Raad</para>
      <para>zoals dat blijkt uit de eerder vermelde uitspraak van de Raad</para>
      <para>van 21 december 1993.</para>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is in hoger beroep de redelijke</para>
      <para>termijn door de behandelingsduur van ruim 2 jaar evenmin</para>
      <para>geschonden. Voor de Raad weegt daarbij bijzonder zwaar dat</para>
      <para>zijdens de ondernemers hangende het hoger beroep geen enkel</para>
      <para>verzoek tot een spoedigere behandeling is gedaan, geen bezwaar</para>
      <para>is gemaakt tegen het zijdens de Raad aangekondigde wachten op</para>
      <para>een arrest van de Hoge Raad en evenmin gebruik is gemaakt van</para>
      <para>de mogelijkheid om bij de President van de Raad een voorlopige</para>
      <para>voorziening te vragen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het voorgaande kunnen de bestreden beslissingen en de</para>
      <para>aangevallen uitspraken niet in stand blijven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande dient het uitvoeringsorgaan aan de</para>
      <para>ondernemers het griffierecht in hoger beroep te vergoeden.</para>
      <para>Tevens ziet de Raad aanleiding om het uitvoeringsorgaan te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van de ondernemers in hoger</para>
      <para>beroep.</para>
      <para>Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit</para>
      <para>proceskosten bestuursrecht vastgesteld op</para>
      <para>f 2.130,-- (beroepschrift: 1 punt, zitting: 1 punt, wegingsfactoren: 2 x</para>
      <para>1,5 terzake van 22 zaken (waarin de aangevallen uitspraken</para>
      <para>zijn vernietigd), van gemiddeld gewicht).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien in deze 22 samenhangende zaken afzonderlijk dan wel</para>
      <para>per cluster uitspraak wordt gedaan dient het uitvoeringsorgaan</para>
      <para>aan elk der ondernemers f 96,80 te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Daarom moet als volgt worden beslist.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraken;</para>
      <para>Vernietigt de bestreden beslissingen voor zover zij mede een</para>
      <para>aansprakelijkstelling over de periode vanaf 10 juni 1989</para>
      <para>bevatten;</para>
      <para>Verklaart de inleidende beroepen voor het overige alsnog</para>
      <para>ongegegrond;</para>
      <para>Veroordeelt het uitvoeringsorgaan in de proceskosten van de</para>
      <para>ondernemers ten bedrage van f 96,80 voor elk van hen;</para>
      <para>Bepaalt dat het uitvoeringsorgaan aan G. van de Wel het</para>
      <para>griffierecht van f 300,-- vergoedt en aan de Fa. van de Lee en</para>
      <para>Zn., de Fa. W. van de Kruk en Zn. en Hofland Nolweg B.V. het</para>
      <para>griffierecht van f 600,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als voorzitter en</para>
      <para>mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A. Damen als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr L.H. Vogt als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 26 juni 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) L.H. Vogt.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ingevolge</para>
      <para>de Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder der partijen</para>
      <para>beroep in cassatie instellen, maar alleen ter zake van</para>
      <para>schending of verkeerde toepassing van het bepaalde bij of</para>
      <para>krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en 8 van die wet.</para>
      <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen 6 weken nadat dit</para>
      <para>afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een beroepschrift</para>
      <para>in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>1806</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>