<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-28T13:53:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:CRVB:1997:AG8318</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6959</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-06-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/1819 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=29&amp;g=1997-06-18">Ziektewet 29</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=29&amp;g=1997-06-18">Ziektewet 29</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6959">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6959</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-11-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6959 Centrale Raad van Beroep , 18-06-1997 / 96/1819 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6959:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Juridisch vervolg op ZW 92/388 [RSV 94/ 224]. Als hervat is in ander werk en de ongeschiktheid</para>
        <para>voortvloeit uit kennelijk andere oorzaak, kan dit artikellid niet aan betrokkene worden tegengeworpen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6959:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/1819 ZW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
      <para>treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
      <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats</para>
      <para>getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 21 januari 1994 is gedaagde vanwege</para>
      <para>appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem</para>
      <para>genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (ZW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij</para>
      <para>uitspraak van 28 december 1995, onder gegrondverklaring</para>
      <para>van het beroep, voormeld besluit vernietigd en (thans)</para>
      <para>appellant opgedragen om binnen vier weken na de datum van</para>
      <para>verzending van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen</para>
      <para>met inachtneming daarvan; voorts zijn beslissingen</para>
      <para>gegeven omtrent betaling van het griffierecht en de</para>
      <para>proceskosten; en tenslotte werd het onderzoek heropend</para>
      <para>ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het</para>
      <para>namens (thans) gedaagde gedane verzoek om</para>
      <para>schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep</para>
      <para>ingesteld en de Raad op de in een aanvullend</para>
      <para>beroepschrift d.d. 3 juni 1996 aangevoerde gronden</para>
      <para>verzocht de aangevallen uitspraak, voorzover</para>
      <para>aangevochten, te vernietigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr M. de Miranda, advocaat te</para>
      <para>Amsterdam, bij verweerschrift d.d. 11 juli 1996 de Raad</para>
      <para>verzocht appellant niet-ontvankelijk te verklaren in het</para>
      <para>beroep, dan wel dit beroep ongegrond te verklaren, dan</para>
      <para>wel de behandeling terug te wijzen naar de rechtbank te</para>
      <para>Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden</para>
      <para>op 14 mei 1997, waar appellant zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr W.A. Prins, werkzaam bij Gak</para>
      <para>Nederland B.V. en waar gedaagde is verschenen bij zijn</para>
      <para>gemachtigde, mr De Miranda, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een uitvoerige weergave van de feiten en hetgeen is</para>
      <para>voorafgegaan aan het onderhavige besluit verwijst de Raad</para>
      <para>naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met te</para>
      <para>vermelden dat gedaagde op 1 januari 1979 werkzaamheden is</para>
      <para>gaan verrichten als magazijnbediende in dienst van [naam werkgever 1], dat hij wegens rugklachten met ingang van</para>
      <para>7 januari 1980 voor dat werk ongeschikt is geworden en</para>
      <para>gedurende de maximale termijn van 52 weken als bedoeld in</para>
      <para>artikel 29 lid 2 ZW (zoals dit artikellid luidde tot</para>
      <para>1 januari 1994) ziekengeld heeft ontvangen. Van 28 maart</para>
      <para>1988 tot 9 mei 1988 heeft gedaagde als straatveger op</para>
      <para>arbeidscontract in dienst van de gemeente Amsterdam</para>
      <para>gewerkt. Met ingang van 13 juni 1988 is hij via het</para>
      <para>uitzendbureau Intergast hetzelfde werk als straatveger</para>
      <para>gaan doen bij de stadsreiniging. Op 14 juni 1988 is hij</para>
      <para>in dat werk uitgevallen wegens darmklachten. Appellant</para>
      <para>heeft bij besluit van 13 juni 1989 terzake van die</para>
      <para>ziekmelding ziekengeld geweigerd met gebruikmaking van de</para>
      <para>aan artikel 44 lid 1, aanhef en sub a, ten eerste, ZW</para>
      <para>ontleende bevoegdheid. Dat besluit is in hoger beroep</para>
      <para>door de Raad bij uitspraak van 20 oktober 1993</para>
      <para>vernietigd, onder overweging dat de ongeschiktheid ter</para>
      <para>zake waarvan gedaagde met ingang van 14 juni 1988</para>
      <para>aanspraak maakte op ziekengeld, werd veroorzaakt door</para>
      <para>darmklachten en dat de oorzaak van die ongeschiktheid</para>
      <para>niet bestond bij aanvang van de verzekering. Aan</para>
      <para>appellant werd tevens opgedragen ter zake van gedaagdes</para>
      <para>ziekmelding per 14 juni 1988 een nieuw besluit te nemen.</para>
      <para>Vervolgens heeft appellant bij het thans bestreden</para>
      <para>besluit met ingang van 14 juni 1988 ziekengeld geweigerd</para>
      <para>met toepassing van artikel 29 lid 2 ZW (oud). Daaraan</para>
      <para>ligt -kort samengevat- ten grondslag dat appellant wegens</para>
      <para>ongeschiktheid voor het werk als magazijnbediende 52</para>
      <para>weken ziekengeld heeft genoten en dat het werk als</para>
      <para>straatveger, dat gedaagde op 13 juni 1988 is gaan</para>
      <para>verrichten, qua (rug)belastende factoren gelijk is te</para>
      <para>stellen aan het werk als magazijnbediende. Nu hij voor</para>
      <para>dergelijk werk onafgebroken ongeschikt is gebleven kan</para>
      <para>van het 'ingetreden zijn' van ongeschiktheid per 14 juni</para>
      <para>1988 geen sprake zijn en gedaagde heeft derhalve niet met</para>
      <para>ingang van die datum opnieuw aanspraak op ziekengeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank als volgt</para>
      <para>overwogen:</para>
      <para>"Tussen partijen staat dus in rechte vast dat,</para>
      <para>ongeacht het al of niet bestaan bij eiser van</para>
      <para>rugklachten op 14 juni 1988, zijn ziekmelding per</para>
      <para>die datum niet voortvloeit uit meergenoemde</para>
      <para>rugklachten.</para>
      <para>Nu door geen van de partijen is gesteld, en zulks</para>
      <para>aan de rechtbank ook anderszins niet is gebleken,</para>
      <para>dat eisers arbeidsongeschiktheid voor zijn werk als</para>
      <para>magazijnbediende, welke een aanvang nam op 7 januari</para>
      <para>1980, is veroorzaakt of mede is veroorzaakt door</para>
      <para>darmklachten, moet met inachtneming van artikel 29,</para>
      <para>tweede lid (oud), ZW en de daaromtrent gevormde</para>
      <para>jurisprudentie worden gezegd dat aan eiser, nadat</para>
      <para>hij op 13 juni 1988 is gaan werken als straatveger</para>
      <para>en gelet op het feit dat zijn arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>per 14 juni 1988 een andere oorzaak had dan zijn</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid per 7 januari 1980, de</para>
      <para>maximering van de uitkeringsduur ingevolge</para>
      <para>meergenoemd artikel niet kon worden tegengeworpen."</para>
      <para>en</para>
      <para>"Aangezien het bestreden besluit niet kan standhouden</para>
      <para>dient alsnog een beslissing te worden genomen op</para>
      <para>eisers aanspraak op ziekengeld met ingang van</para>
      <para>14 juni 1988. Daarbij zijn aspecten in het geding</para>
      <para>die in deze en de voorgaande procedure niet aan de</para>
      <para>orde zijn geweest, zodat de rechtbank niet de</para>
      <para>mogelijkheid heeft zelf in de zaak te voorzien.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het aanvullend beroepschrift heeft appellant het</para>
      <para>volgende aangevoerd:</para>
      <para>"Bij het nemen van de nu bestreden beschikking heeft</para>
      <para>ondergetekende op grond van de jurisprudentie van uw</para>
      <para>Raad gepubliceerd in RSV 1989, 161 aangenomen dat de</para>
      <para>omstandigheid dat het staken van de werkzaamheden op</para>
      <para>14 juni 1988 geschiedde in hoofdzaak op grond van</para>
      <para>andere klachten dan die welke tot de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid vanaf 7 januari 1980 leidden,</para>
      <para>aan het van toepassing zijn van artikel 29 lid 2 van</para>
      <para>de Ziektewet niet in de weg stond.</para>
      <para>Bij de hiervoor genoemde uitspraak gepubliceerd in</para>
      <para>RSV 1994, 224 heeft uw Raad in afwijking van de</para>
      <para>eerdere jurisprudentie overwogen dat in het geval de</para>
      <para>verzekerde in andere arbeid heeft hervat en de</para>
      <para>ongeschiktheid ter zake waarvan hij zich heeft</para>
      <para>ziekgemeld, voortvloeit uit een kennelijk andere</para>
      <para>oorzaak dan die welke de grond vormde voor de</para>
      <para>eerdere arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan hij</para>
      <para>reeds 52 weken ziekengeld heeft ontvangen, een</para>
      <para>redelijke wetstoepassing met zich brengt dat het</para>
      <para>bepaalde in artikel 29 lid 2 ZW hem niet kan worden</para>
      <para>tegengeworpen.</para>
      <para>Ondergetekende verbindt hieraan de conclusie dat</para>
      <para>terecht door de rechtbank is overwogen dat op</para>
      <para>meergenoemde grond aan [gedaagde]</para>
      <para>ziekengeld niet kon worden ontzegd.</para>
      <para>Ondergetekende deelt evenwel niet de opvatting van</para>
      <para>de rechtbank dat de maximering van de uitkeringsduur</para>
      <para>aan [gedaagde] niet meer kan worden</para>
      <para>tegengeworpen.</para>
      <para>Ondergetekende is van oordeel dat een redelijke</para>
      <para>wetstoepassing evenzeer met zich brengt dat in de</para>
      <para>situatie waarin de arbeidsongeschiktheid niet meer</para>
      <para>haar oorzaak vindt in de initiële klachten die tot</para>
      <para>de uitval leidden, doch in de klachten die tevens</para>
      <para>ten grondslag lagen aan de arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>terzake waarvan de verzekerde reeds gedurende 52</para>
      <para>weken ziekengeld heeft ontvangen, het bepaalde in</para>
      <para>artikel 29 lid 2 ZW (oud) aan (verdere) toekenning</para>
      <para>van ziekengeld in de weg staat.</para>
      <para>In het onderhavige geval moet worden aangenomen,</para>
      <para>gelet op het rapport d.d. 28 juni 1990 van de</para>
      <para>internist prof.dr. L. Abraham-Inpijn, dat de</para>
      <para>darmklachten circa een week hebben geduurd, hetgeen</para>
      <para>wil zeggen tot 21 juni 1988. Onder andere uit dit</para>
      <para>rapport moet voorts worden afgeleid dat de heer Van</para>
      <para>Ballegooyen vanwege zijn rugafwijkingen ongeschikt</para>
      <para>is gebleven voor de rugbelastende arbeid van</para>
      <para>straatveger.</para>
      <para>Weliswaar heeft de ongeschiktheid van [gedaagde] tot het verrichten van de</para>
      <para>werkzaamheden van straatveger derhalve ook na 20</para>
      <para>juni 1988 voortgeduurd, op grond van genoemd artikel</para>
      <para>29 lid 2 ZW kan [gedaagde] naar de</para>
      <para>mening van ondergetekende na die datum geen</para>
      <para>aanspraak op ziekengeld meer maken.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting van de Raad heeft appellants gemachtigde</para>
      <para>nader toegelicht op grond waarvan appellant meent belang</para>
      <para>te hebben bij het hoger beroep en daarin ontvankelijk te</para>
      <para>zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad kan aan appellant, ook al is</para>
      <para>bij het bestreden besluit alleen met ingang van 14 juni</para>
      <para>1988 ziekengeld geweigerd, in verband met de ruime</para>
      <para>bewoordingen waarin het oordeel van de rechtbank omtrent</para>
      <para>het niet kunnen tegenwerpen van de maximering van de</para>
      <para>uitkeringsduur is uitgedrukt, mede gezien in relatie tot</para>
      <para>de overweging dat de rechtbank het niet mogelijk acht om</para>
      <para>zelf in de zaak te voorzien, belang bij het instellen van</para>
      <para>hoger beroep niet worden ontzegd. Appellant is derhalve</para>
      <para>ontvankelijk in zijn hoger beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft voorts appellants standpunt dat het</para>
      <para>bepaalde in artikel 29 lid 2 ZW (oud) niet meer aan</para>
      <para>toekenning van ziekengeld in de weg staat, indien de</para>
      <para>ongeschiktheid die het gevolg was van die andere oorzaak,</para>
      <para>niet langer aanwezig is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt voorts als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar zijn oordeel laten de voorhanden zijnde</para>
      <para>gedingstukken geen ander oordeel toe dan dat gedaagde met</para>
      <para>ingang van 14 juni 1988 ongeschikt was tot het verrichten</para>
      <para>van zijn werk als straatveger. Anders dan de rechtbank en</para>
      <para>mede lettende op het verhandelde te zijner zitting, acht</para>
      <para>de Raad termen aanwezig om met toepassing van het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:72 lid 4 van de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht te bepalen dat gedaagde met ingang van die</para>
      <para>datum recht heeft op ziekengeld. Daarmee kan tevens</para>
      <para>worden beslist op het verzoek namens gedaagde om</para>
      <para>appellant te veroordelen tot vergoeding van renteschade.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht het, nu hier sprake is van een voortzetting</para>
      <para>van de tekortkoming die is voortgevloeid uit vóór</para>
      <para>1 januari 1992 plaatsgevonden besluitvorming (te weten</para>
      <para>het eerdere onrechtmatige en vernietigde besluit d.d.</para>
      <para>13 juni 1989), aangewezen, gelet op de Overgangswet Nieuw</para>
      <para>Burgerlijk Wetboek, aan te knopen bij hetgeen in artikel</para>
      <para>1286 Burgerlijk Wetboek (oud) is neergelegd. Namens</para>
      <para>gedaagde is eerst ter zitting van de rechtbank d.d.</para>
      <para>1 september 1995 wettelijke rente gevorderd. Van</para>
      <para>gehoudenheid tot vergoeding van rente kan derhalve eerst</para>
      <para>vanaf die datum gesproken worden. Toepassing van de</para>
      <para>inmiddels in de rechtspraak van de Raad ontwikkelde</para>
      <para>criteria leidt in het onderhavige geval tot het oordeel</para>
      <para>dat de vordering van gedaagde in zoverre kan worden</para>
      <para>toegewezen, dat appellant gehouden is over het verschil</para>
      <para>tussen de gedaagde ten onrechte met ingang van 14 juni</para>
      <para>1988 onthouden bruto-uitkering ingevolge de ZW en het</para>
      <para>bedrag dat gedaagde vanaf die datum eventueel uit anderen</para>
      <para>hoofde krachtens een sociale verzekeringswet heeft</para>
      <para>ontvangen, wettelijke rente te betalen, gerekend vanaf 1</para>
      <para>september 1995 tot aan de dag der voldoening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verder overweegt de Raad nog als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Volgens zijn vaste rechtspraak dient omtrent de vraag of</para>
      <para>artikel 29 lid 2 ZW (oud) toepassing kan vinden in de</para>
      <para>situatie dat sprake is van hervatting in ander werk dan</para>
      <para>het werk waarvoor reeds 52 weken ziekengeld is genoten,</para>
      <para>een behoorlijk feitenonderzoek naar en vergelijking van</para>
      <para>het 'oude' en het 'nieuwe' werk plaats te vinden. Indien</para>
      <para>blijkt dat het 'nieuwe' werk qua belastende factoren</para>
      <para>gelijk moet worden gesteld met het 'oude' werk, dient te</para>
      <para>worden nagegaan of er sedert het ontvangen van dat</para>
      <para>ziekengeld sprake is van onafgebroken ongeschiktheid voor</para>
      <para>het 'nieuwe' werk. Daarbij geldt dat naarmate er meer</para>
      <para>tijd is verstreken tussen het ontvangen van het</para>
      <para>ziekengeld en het weigeren van uitkering met toepassing</para>
      <para>van artikel 29 lid 2 ZW (oud), op het uitvoeringsorgaan</para>
      <para>een grotere last rust om de aan die weigeringsbeslissing</para>
      <para>ten grondslag gelegde medische en arbeidskundige feiten</para>
      <para>aannemelijk te maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval schiet de besluitvorming op</para>
      <para>beide onderdelen tekort. Zoals van de zijde van gedaagde</para>
      <para>terecht is aangegeven, moet de beschrijving van het werk</para>
      <para>als magazijnbediende, zoals voorkomend in de rapporten</para>
      <para>d.d. 13 februari 1980 van de verzekeringsgeneeskundige</para>
      <para>J. Roele en d.d. 12 juni 1980 van de arbeidsdeskundige</para>
      <para>B.P. Gimpel, als uiterst summier worden aangemerkt.</para>
      <para>Hetzelfde moet worden gezegd van de beschrijving van het</para>
      <para>werk als straatveger, zoals blijkend uit de rapporten</para>
      <para>d.d. 2 maart 1989 van de verzekeringsgeneeskundige</para>
      <para>S. van de Broek en d.d. 18 december 1989 van de</para>
      <para>buitendienstfunctionaris A.C. Vernooy. Deze rapporten</para>
      <para>verschaffen onvoldoende inzicht in de, in die</para>
      <para>werkzaamheden voorkomende, (rug)belastende factoren. Op</para>
      <para>basis van die stukken kan slechts geconcludeerd worden</para>
      <para>dat in het oude werk als belastende aspecten tillen en</para>
      <para>(ver)sjouwen (van computeronderdelen) voorkomen, welke</para>
      <para>bij het werk als straatveger niet worden vermeld. De</para>
      <para>medische beoordeling van de onafgebroken ongeschiktheid</para>
      <para>berust blijkens de voorlegger d.d. 2 december 1993 op het</para>
      <para>rapport van de interniste prof.dr L. Abrams-Inpijn, die</para>
      <para>zich daarover in het geheel niet heeft uitgelaten, en -</para>
      <para>kennelijk- op de redenering dat gedaagde destijds reeds</para>
      <para>ongeschikt werd geacht voor rugbelastend werk. Een</para>
      <para>dergelijke redenering acht de Raad te ongenuanceerd. De</para>
      <para>Raad is er, gelet op deze gegevens, dan ook niet van</para>
      <para>overtuigd dat het vroegere werk als magazijnbediende qua</para>
      <para>belastende factoren gelijk valt te stellen met het werk</para>
      <para>als straatveger.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het vorenoverwogene en met het oog op de</para>
      <para>duidelijkheid van het dictum acht de Raad het aangewezen</para>
      <para>de aangevallen uitspraak te vernietigen, behoudens ten</para>
      <para>aanzien van de beslissing omtrent de proceskosten en het</para>
      <para>griffierecht, en zelf te bepalen hetgeen de rechtbank</para>
      <para>overigens had behoren te doen. Met betrekking tot de</para>
      <para>kosten van het geding in hoger beroep acht de Raad</para>
      <para>tenslotte termen aanwezig om appellant te veroordelen in</para>
      <para>de aan de zijde van gedaagde gevallen kosten, begroot op</para>
      <para>f 1.420,--. Die kosten moeten in verband met het bepaalde</para>
      <para>in artikel 8:75 lid 2 Awb worden voldaan aan de griffier</para>
      <para>van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als hierna is aangegeven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover</para>
      <para>betreffende de beslissingen omtrent de proceskosten en</para>
      <para>het griffierecht;</para>
      <para>Vernietigt het bestreden besluit;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde met ingang van 14 juni 1988 recht</para>
      <para>heeft op ziekengeld;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de renteschade</para>
      <para>als hiervoor is aangegeven;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de kosten in hoger beroep begroot</para>
      <para>op f 1.420,--, te voldoen aan de griffier van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en</para>
      <para>mr M.A. Hoogeveen en mr Chr. van Voorst als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 18 juni 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B.J. van der Net.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) R.E. Lysen.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>