<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6949</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:41:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6949</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6505</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-06-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/5758 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=1&amp;g=1997-06-24">Algemene bijstandswet 1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:17&amp;g=1997-06-24">Algemene wet bestuursrecht 6:17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:4&amp;g=1997-06-24">Algemene wet bestuursrecht 7:4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=2:1&amp;g=1997-06-24">Algemene wet bestuursrecht 2:1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1997, 142</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1997/196</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6949">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6949</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6949 Centrale Raad van Beroep , 24-06-1997 / 96/5758 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6949:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Voltijds student Technische Universiteit geen werkloze werknemer in de zin van artikel 1 RWW.</para>
        <para>Geen verplichting om stukken geproduceerd voor het primaire besluit aan gemachtigde te zenden.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6949:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/5758 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr M.M.A. van Hoof, advocaat te Amsterdam, op bij</para>
      <para>aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een</para>
      <para>door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 22 april 1996</para>
      <para>tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 13 mei 1997, waar appellant</para>
      <para>in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Van Hoof, voornoemd, terwijl</para>
      <para>gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr drs J.T. Schellekens,</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en</para>
      <para>zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene</para>
      <para>Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil</para>
      <para>wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen,</para>
      <para>zoals die luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1963, volgde sedert september 1991 als voltijds student</para>
      <para>de studie Civiele Techniek aan de Technische Universiteit Delft. Hij was</para>
      <para>laatstelijk tot 12 januari 1994 als docent wiskunde verbonden aan het</para>
      <para>X.college te B. met een aanstelling van 14,57 uur per week. Aansluitend</para>
      <para>ontving hij tot 12 juli 1994 een ontslaguitkering ingevolge het</para>
      <para>Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.</para>
      <para>Op 23 juni 1994 verzocht appellant gedaagde hem per 12 juli 1994 een</para>
      <para>bijstandsuitkering toe te kennen.</para>
      <para>Op een aanvullend inlichtingenformulier vermeldde hij zich voor "2 dagen in de</para>
      <para>week of meerdere avonden en weekeinde" als werkzoekende bij het Gewestelijk</para>
      <para>Arbeidsbureau te hebben ingeschreven.</para>
      <para>Bij besluit van 20 juli 1994 is namens gedaagde afwijzend op deze aanvraag</para>
      <para>beslist op de grond dat in het algemeen geen bijstand kan worden gegeven aan</para>
      <para>iemand die overdag - al dan niet voltijds - universitair of hoger</para>
      <para>beroepsonderwijs volgt.</para>
      <para>Bij besluit van 16 december 1994 heeft gedaagde, na gemaakt bezwaar, dit</para>
      <para>besluit gehandhaafd op grond van de volgende overwegingen:</para>
      <para> "Volgens vaste jurisprudentie worden de kosten van een studie die is</para>
      <para>  aangevangen boven de leerplichtige leeftijd, de kosten van</para>
      <para>  levensonderhoud daaronder begrepen, niet beschouwd als noodzakelijk in</para>
      <para>  de zin van de ABW, zodat daarvoor geen bijstand kan worden verleend.</para>
      <para>  Bijstandsverlening zou neerkomen op een verkapte vorm van</para>
      <para>  studiefinanciering hetgeen een doorkruising zou betekenen van het door</para>
      <para>  Ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur gevolgde beleid.</para>
      <para>  Ingevolge het bepaalde in artikel 1 sub a van de RWW wordt onder</para>
      <para>  werkloze werknemer verstaan de persoon van 18 tot 65 jaar die voor de</para>
      <para>  voorziening in het betaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking en</para>
      <para>  aan wie voorwaarden worden gesteld welke strekken tot inschakeling in de</para>
      <para>  arbeid. Gelet op het bepaalde in artikel 12 lid 4 van de RWW is</para>
      <para>  bijstandsverlening ingevolge de RWW onverenigbaar met het volgen van een</para>
      <para>  universitaire dagstudie.</para>
      <para>  U dient in hoofdzaak aangemerkt te worden als student, gelet op uw</para>
      <para>  intentie uw studie af te ronden, zodat u niet behoort tot de</para>
      <para>  personenkring van de RWW en aldus niet in aanmerking kan komen voor bij-</para>
      <para>  standsverlening op grond van de RWW. De omstandigheid dat u zich niet</para>
      <para>  beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt doet hier niet aan af.</para>
      <para>  Bijstandsverlening op grond van de ABW zelf is evenmin onmogelijk. In</para>
      <para>  het Scholingsbesluit bijstandsgerechtigden van 26 september 1991 is</para>
      <para>  bepaald dat bijstandsverlening in alle gevallen beëindigd wordt met</para>
      <para>  ingang van het tijdstip waarop een bijstandsgerechtigde scholing of een</para>
      <para>  opleiding aanvangt in het hoger beroeps- of wetenschappelijk onderwijs,</para>
      <para>  deeltijds of voltijds, tenzij deze scholing of opleiding noodzakelijk</para>
      <para>  wordt geacht voor de inschakeling in de arbeid. In het algemeen is in</para>
      <para>  een dergelijke situatie reeds een zodanig opleidingsniveau aanwezig, dat</para>
      <para>  daarmee in principe redelijke arbeidsmarktmogelijkheden bestaan. Een</para>
      <para>  uitzondering is alleen mogelijk in die gevallen waarin er sprake is van</para>
      <para>  een opleiding op tertiair niveau in de vorm van een specifiek op</para>
      <para>  werklozen gericht project, dat beroepsgericht is en aansluit bij de</para>
      <para>  arbeidsmarktbehoefte, ook wat het volume betreft. In verband daarmee</para>
      <para>  moet het gaan om scholing van beperkte duur, dat wil zeggen nooit langer</para>
      <para>  dan twee jaar. De door u gevolgde studie voldoet niet aan deze criteria</para>
      <para>  aangezien het een reguliere universitaire studie betreft in de vorm van dagonderwijs.</para>
      <para>  Binnen de thans geldende wettelijke kaders zien wij geen mogelijkheid om</para>
      <para>  tot een ander oordeel te komen; persoonlijke omstandigheden kunnen op</para>
      <para>  dit punt niet leiden tot bijstandsverlening in afwijking van de algemene</para>
      <para>  regel dat bijstand onverenigbaar is met een dagopleiding op tertiair</para>
      <para>  niveau. De door u aangevoerde argumenten kunnen derhalve geen aanleiding</para>
      <para>  vormen om alsnog tot bijstandsverlening over te gaan.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het tegen het besluit van 16 december 1994 ingestelde</para>
      <para>beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd geeft de Raad</para>
      <para>geen aanleiding de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. In aansluiting</para>
      <para>op de overwegingen van de rechtbank overweegt de Raad nog het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de ter beschikking staande gegevens kan naar het oordeel van de Raad niet</para>
      <para>worden afgeleid dat appellant ten tijde als hier van belang behoorde tot de</para>
      <para>personenkring van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW), zoals</para>
      <para>omschreven in artikel 1, aanhef en onder a, van de RWW. Gelet op de</para>
      <para>inschrijving van appellant als voltijds universitair student, diens uit de</para>
      <para>gedingstukken naar voren komende intentie de door hem aangevangen dagstudie af</para>
      <para>te maken en voorts in aanmerking nemend dat hij ook daarop gerichte</para>
      <para>studieactiviteiten ontplooide, staat voor de Raad vast dat appellant niet als</para>
      <para>een werkloze werknemer kon worden aangemerkt en dus geen recht had op een</para>
      <para>uitkering ingevolge de RWW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de hier gegeven omstandigheden bestond voor appellant evenmin recht op een</para>
      <para>ABW-uitkering. Uit het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het</para>
      <para>Scholingsbesluit bijstandsgerechtigden (Stb. 1991, 491) volgt immers dat het</para>
      <para>volgen van een scholing of een opleiding in deeltijd- of volledig hoger</para>
      <para>beroeps- of wetenschappelijk dagonderwijs niet te verenigen is met</para>
      <para>bijstandsverlening, tenzij deze scholing of opleiding noodzakelijk wordt</para>
      <para>geacht voor de inschakeling in de arbeid. In de beschikking noodzakelijke</para>
      <para>scholing ABW 1991 (Stcrt. 1991, 193, hierna: de beschikking) is uitgewerkt in</para>
      <para>welke gevallen het volgen van hoger beroeps- en wetenschappelijk onderwijs</para>
      <para>noodzakelijk kan worden geacht voor de inschakeling in de arbeid als bedoeld</para>
      <para>in evengenoemd artikellid.</para>
      <para>Als vaststaand kan worden aangenomen dat de opleiding die appellant volgt niet</para>
      <para>aan de in artikel 1 van die beschikking gestelde voorwaarden voldoet. Zoals de</para>
      <para>Raad eerder heeft beslist in zijn uitspraak van 10 september 1996,</para>
      <para>gepubliceerd in JABW 1996/227, is er dan geen plaats meer voor een toetsing</para>
      <para>van de omstandigheden en mogelijkheden van appellant met toepassing van</para>
      <para>artikel 1, tweede lid, van de ABW, zoals namens appellant is bepleit. Gedaagde</para>
      <para>en de rechtbank hebben terecht onderkend dat het Scholingsbesluit en de</para>
      <para>beschikking een sluitend karakter hebben.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De opnieuw in hoger beroep opgeworpen grief met betrekking tot de gestelde</para>
      <para>schending door gedaagde van het bepaalde in artikel 6:17 van de Awb treft</para>
      <para>evenmin doel. In de Awb is een afzonderlijke regeling neergelegd voor de</para>
      <para>toezending van stukken in de fase van bezwaar, die afwijkt van die voor de</para>
      <para>toezending van stukken in de fase van beroep bij de rechtbank. In</para>
      <para>eerstgenoemde fase is het bestuursorgaan verplicht in ieder geval de</para>
      <para>vertegenwoordiger van degene die bezwaar maakt de voor de belanghebbende</para>
      <para>bestemde berichten te doen toekomen die na de aanvang van de bezwaarprocedure</para>
      <para>worden verzonden. Daarnaast bestaat er voor belanghebbenden - behoudens</para>
      <para>voorzover geheimhouding om gewichtige redenen is geboden - de mogelijkheid van</para>
      <para>inzage van alle op de zaak betrekking hebbende stukken. Ten slotte is er de</para>
      <para>mogelijkheid tot het verkrijgen van afschriften daarvan tegen vergoeding van</para>
      <para>ten hoogste de kosten.</para>
      <para>Gelet op dit in de hoofdstukken 6 en 7 van de Awb neergelegde stelsel, kan</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad niet worden aangenomen dat in artikel 6:17 van de</para>
      <para>Awb de verplichting voor het bestuursorgaan besloten ligt om in de bezwaarfase</para>
      <para>ook die stukken aan de vertegenwoordiger van de belanghebbende toe te zenden,</para>
      <para>die zijn geproduceerd in de fase tussen de aanvraag en het primaire besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr H. Bekker en mr</para>
      <para>Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van M.M. Hoogendam als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>                               (get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
    <para />
    <para>                               (get.) M.M. Hoogendam.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>AS</para>
      <para>126</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>