<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6934</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T19:24:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6934</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-04-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/6357 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:75&amp;g=1997-04-08">Algemene wet bestuursrecht 8:75</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006358&amp;artikel=1&amp;g=1997-04-08">Besluit proceskosten bestuursrecht 1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 295</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6934">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6934</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2006-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6934 Centrale Raad van Beroep , 08-04-1997 / 95/6357 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6934:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Verleende rechtsbijstand door bezoldigd districtsbestuurder vakbond is aan te merken als</para>
        <para>beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van art. 1.a Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6934:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/6357 AAW/WAO</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
      <para>treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
      <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden</para>
      <para>van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In</para>
      <para>deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het</para>
      <para>bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is A.J. van Oort, werkzaam bij de Hout-</para>
      <para>en bouwbond CNV te Harderwijk, op bij beroepschrift</para>
      <para>aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door</para>
      <para>de rechtbank te Zutphen onder dagtekening 9 augustus 1995</para>
      <para>tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt</para>
      <para>verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 januari 1996 heeft mr H. Nentjes,</para>
      <para>werkzaam bij de Hout- en bouwbond CNV te Apeldoorn, zich</para>
      <para>als opvolgend gemachtigde van appellant gesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op</para>
      <para>11 maart 1997, waar appellant niet is verschenen,</para>
      <para>terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>drs N. Ridder, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie</para>
      <para>Sociale Verzekering N.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 september 1994 heeft gedaagde de</para>
      <para>uitkeringen van appellant ingevolge de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke</para>
      <para>laatstelijk werden berekend naar een mate van</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%, met ingang van 1</para>
      <para>november 1994 ingetrokken, onder overweging dat de mate</para>
      <para>van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van die</para>
      <para>datum minder dan 15% was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft appellants toenmalige gemachtigde</para>
      <para>A.J. van Oort tegen dit besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft de rechtbank bij brief van 1 mei 1995 doen</para>
      <para>weten van oordeel te zijn dat de mate van appellants</para>
      <para>arbeidsongeschiktheid op 1 november 1994 dient te worden</para>
      <para>vastgesteld op 15 tot 25%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vervolgens heeft appellants toenmalige gemachtigde het</para>
      <para>beroep tegen het besluit van 12 september 1994 ingetrokken.</para>
      <para>De gemachtigde heeft daarbij verzocht gedaagde</para>
      <para>op grond van artikel 8:75a, eerste lid van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten</para>
      <para>tot een bedrag van f 716,- voor verleende rechtsbijstand</para>
      <para>en f 15,34 voor reiskosten, alsook tot vergoeding van het</para>
      <para>griffierecht ten bedrage van f 50,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft dit verzoek bij de aangevallen uit-</para>
      <para>spraak afgewezen. Wat de proceskosten aangaat heeft zij</para>
      <para>overwogen dat de gemachtigde van appellant niet is aan te</para>
      <para>merken als professionele rechtshulpverlener, zodat de</para>
      <para>kosten van de door hem verleende rechtsbijstand niet voor</para>
      <para>vergoeding in aanmerking komen. Zij heeft de gevorderde</para>
      <para>reiskostenvergoeding afgewezen omdat van voor vergoeding</para>
      <para>in aanmerking komende reiskosten niet is gebleken nu een</para>
      <para>zitting niet heeft plaats gevonden. Wat de vergoeding van</para>
      <para>het griffierecht aangaat heeft de rechtbank gewezen op</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:41, vierde lid Awb, uit welke</para>
      <para>bepaling voortvloeit dat gedaagde in een geval als het</para>
      <para>onderhavige gehouden is eigener beweging tot vergoeding</para>
      <para>van het griffierecht over te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In geding is of de aangevallen uitspraak waarbij het</para>
      <para>verzoek om vergoeding van proceskosten is afgewezen in</para>
      <para>rechte stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft daartoe overwogen dat de gemachtigde van</para>
      <para>appellant bezoldigd districtsbestuurder van een vakbond</para>
      <para>is en dat het verlenen van bijstand aan de leden, daaronder</para>
      <para>begrepen het verlenen van rechtsbijstand, tot zijn</para>
      <para>taken behoort. Verder heeft de Raad in aanmerking genomen</para>
      <para>dat voor die dienstverlening door appellant een financiële</para>
      <para>vergoeding verschuldigd is in de vorm van contributie.</para>
      <para>Dat appellant naast deze contributie geen vergoeding in het</para>
      <para>bijzonder voor de verleende rechtsbijstand</para>
      <para>verschuldigd is, doet er naar het oordeel van de Raad</para>
      <para>niet aan af dat in de contributie een vergoeding voor het</para>
      <para>verlenen van rechtsbijstand verdisconteerd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de</para>
      <para>door de gemachtigde van appellant verleende rechtsbijstand</para>
      <para>is aan te merken als beroepsmatig verleende</para>
      <para>rechtsbijstand in de zin van artikel 1, aanhef en onder</para>
      <para>a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en</para>
      <para>dat sprake is van kosten die appellant in verband met de</para>
      <para>behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft kunnen</para>
      <para>maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Overeenkomstig het bepaalde in het Bpb worden de voor</para>
      <para>vergoeding in aanmerking komende proceskosten van</para>
      <para>appellant door de Raad begroot op f 710,- voor verleende</para>
      <para>rechtsbijstand in beroep en f 710,- voor verleende</para>
      <para>rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal f 1.420,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gevorderde vergoeding voor reiskosten van de gemachtigde</para>
      <para>komt niet voor toewijzing in aanmerking omdat deze</para>
      <para>kosten in het forfait van f 710,- zijn begrepen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad verwerpt het verweer van gedaagde dat sprake is</para>
      <para>van een kennelijk misslag van de rechtbank Zutphen en dat</para>
      <para>hij om die reden niet veroordeeld zou mogen worden in de</para>
      <para>proceskosten die appellant in verband met het hoger</para>
      <para>beroep heeft moeten maken. Deze proceskosten liggen in</para>
      <para>het verlengde van de procedure in eerste aanleg, die</para>
      <para>noodzakelijk is geworden doordat gedaagde bij het nemen</para>
      <para>van zijn besluit van 12 september 1994 een standpunt</para>
      <para>heeft ingenomen met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid</para>
      <para>van appellant waarvan hij nadien afstand</para>
      <para>heeft genomen. De kosten van rechtsbijstand in hoger</para>
      <para>beroep behoren dan ook niet te worden gedragen door</para>
      <para>appellant, maar te worden gerekend tot het procesrisico</para>
      <para>van gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wat het in eerste aanleg betaalde griffierecht aangaat</para>
      <para>verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank</para>
      <para>dat gedaagde dit dient te vergoeden zonder tussenkomst</para>
      <para>van een rechterlijke uitspraak. Indien gedaagde dit recht</para>
      <para>nog niet heeft vergoed, staat het appellant vrij zich ter</para>
      <para>zake van die vergoeding tot gedaagde te wenden. Zou</para>
      <para>gedaagde weigeren dit recht te vergoeden dan staat tegen</para>
      <para>zodanige weigering op grond van het bepaalde in artikel</para>
      <para>1:3 juncto 6:2 van de Awb beroep open bij de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het</para>
      <para>bepaalde in artikel 25, eerste lid van de Beroepswet,</para>
      <para>stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant in</para>
      <para>hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te</para>
      <para>worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in</para>
      <para>eerste aanleg tot een bedrag groot ƒ 710,- en in hoger</para>
      <para>beroep tot een bedrag groot ƒ 710,-;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht</para>
      <para>van ƒ 150,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr K.J.S. Spaas als voorzitter en</para>
      <para>mr M.M. van der Kade en mr R.M. van Male als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van mr B. Serno als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 8 april 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) K.J.S. Spaas.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) B. Serno.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>