<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6925</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:41:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6925</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-04-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/3753 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1997-04-22">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:73&amp;g=1997-04-22">Algemene wet bestuursrecht 8:73</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1997, 108</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1997/137</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6925">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6925</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6925 Centrale Raad van Beroep , 22-04-1997 / 96/3753 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6925:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ingangsdatum wettelijke rente ABW-uitkering; berekening rente op rente.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6925:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/3753 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Amsterdam, gedaagde,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I.  ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant heeft mr M.M.A. van Hoof, advocaat te</para>
      <para>Amsterdam, op in het beroepschrift en aanvullend beroepschrift</para>
      <para>- met bijlagen - aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld</para>
      <para>tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de president</para>
      <para>van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam d.d. 26 maart</para>
      <para>1996, waarbij het beroep tegen een besluit van gedaagde d.d.</para>
      <para>26 januari 1996 ongegrond is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De President van de Raad heeft bij uitspraak van 17 juni 1996</para>
      <para>op verzoek van appellant op grond van artikel 8:81 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat gedaagde aan</para>
      <para>appellant met ingang van de datum van die uitspraak</para>
      <para>voorschotten ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze</para>
      <para>werknemers (RWW) verstrekt naar de voor appellant geldende</para>
      <para>norm.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft meegedeeld dat hij bij besluit van 6 september</para>
      <para>1996 het besluit van 26 januari 1996 heeft ingetrokken, de</para>
      <para>bezwaren tegen het primaire besluit van 27 oktober 1995 -</para>
      <para>waarbij de RWW-uitkering van appellant met ingang van 1</para>
      <para>oktober 1995 was beëindigd - alsnog gegrond heeft verklaard, en</para>
      <para>dat primaire besluit heeft ingetrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft vervolgens nog een nadere uiteenzetting van</para>
      <para>zijn standpunt aan de Raad toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op  18 maart</para>
      <para>1997, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door</para>
      <para>mr Van Hoof, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr M.H.M. Diderich, werkzaam bij de</para>
      <para>gemeente Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking</para>
      <para>getreden.</para>
      <para>Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld</para>
      <para>aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen,</para>
      <para>zoals die luidden ten tijde als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De RWW-uitkering die gedaagde aan appellant met ingang van 1</para>
      <para>mei 1995, na afronding van zijn studie Juridisch</para>
      <para>Bestuurswetenschappelijke opleiding aan de Universiteit van</para>
      <para>Amsterdam, had toegekend, is, nadat appellant zich per 1</para>
      <para>september 1995 als extraneus had ingeschreven voor de studie</para>
      <para>Nederlands recht, bij primair besluit van 27 oktober 1995</para>
      <para>beëindigd met ingang van 1 oktober 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het bestreden besluit van 26 januari 1996 heeft gedaagde</para>
      <para>de beëindiging van de RWW-uitkering van appellant gehandhaafd,</para>
      <para>omdat appellant wegens de inschrijving als extraneus voor de</para>
      <para>studie Nederlands recht niet langer als werkloos werknemer in</para>
      <para>de zin van artikel 1, onder a, van de RWW werd beschouwd. Wel</para>
      <para>is bij dat besluit de beëindigingsdatum van de uitkering</para>
      <para>gewijzigd in 28 oktober 1995.</para>
      <para>Het beroep ter zake is bij de aangevallen uitspraak ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft, zoals vermeld, hangende het hoger beroep tegen</para>
      <para>de aangevallen uitspraak, bij het nadere besluit van 6</para>
      <para>september 1996 het besluit van 26 januari 1996 en het primaire</para>
      <para>besluit van 27 oktober 1995 ingetrokken, waardoor appellant</para>
      <para>recht heeft op voortzetting van zijn RWW-uitkering met ingang</para>
      <para>van 28 oktober 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft in verband met de ingetrokken besluiten het</para>
      <para>verzoek gedaan tot veroordeling van gedaagde tot</para>
      <para>schadevergoeding in de vorm van betaling van de wettelijke</para>
      <para>rente met toepassing van artikel 8:73 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt in de eerste plaats vast dat met het nadere</para>
      <para>besluit van 6 september 1996 geheel tegemoet gekomen is aan</para>
      <para>hetgeen appellant in de hoofdzaak beoogde te bereiken. Dit</para>
      <para>nadere besluit is derhalve niet in geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat neemt niet weg dat appellant belang heeft bij vernietiging</para>
      <para>van het bij het nadere besluit van 6 september 1996</para>
      <para>ingetrokken besluit van 27 oktober 1995 gelet op zijn verzoek</para>
      <para>om veroordeling tot schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In verband hiermee dient de Raad de vraag te beantwoorden of</para>
      <para>laatstgenoemd besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De</para>
      <para>Raad beantwoordt deze vraag bevestigend.</para>
      <para>De onrechtmatigheid van het besluit van 27 oktober 1995 is</para>
      <para>immers, gelet op het verhandelde ter zitting van de Raad, niet</para>
      <para>betwist. Partijen zijn het er thans over eens dat appellant</para>
      <para>ten tijde in geding ten onrechte niet als een werkloze</para>
      <para>werknemer in de zin van artikel 1, onder a, van de RWW werd</para>
      <para>beschouwd. De Raad is niet gebleken van redenen waarom</para>
      <para>partijen in deze niet zouden kunnen worden gevolgd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de onrechtmatigheid van het besluit van 27 oktober 1995 op</para>
      <para>grond van bovenvermelde overwegingen is vastgesteld, behoeft</para>
      <para>niet meer te worden ingegaan op hetgeen appellant overigens</para>
      <para>nog ter zake van de onrechtmatigheid van dat besluit heeft</para>
      <para>aangevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts staat vast dat appellant door dat besluit schade heeft</para>
      <para>geleden, welke schade bestaat in de vertraagde uitbetaling van</para>
      <para>zijn uitkering.</para>
      <para>Aangezien niet is gebleken van bijzondere omstandigheden rust</para>
      <para>op de gemeente Amsterdam de verplichting die schade te</para>
      <para>vergoeden op de voet van de artikelen 6:119 en 6:120 van het</para>
      <para>Burgerlijk Wetboek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor wat betreft de berekening van de wettelijke rente merkt</para>
      <para>de Raad het volgende op.</para>
      <para>Onder de werking van de ABW, zoals deze tot 1 januari 1996</para>
      <para>luidde, golden er geen algemeen verbindende voorschriften met</para>
      <para>betrekking tot de termijnen waarin en de dag waarop de</para>
      <para>uitkering van appellant had moeten zijn betaald. Gelet hierop</para>
      <para>neemt de Raad omwille van een praktische en eenvormige</para>
      <para>rechtstoepasssing tot uitgangspunt dat ingeval van beëindiging</para>
      <para>van een uitkering op grond van de ABW welke per maand wordt</para>
      <para>betaald, zoals in casu het geval is, het juiste bedrag aan</para>
      <para>uitkering had moeten zijn uitgekeerd uiterlijk op de laatste</para>
      <para>dag van de maand waarin de datum is gelegen met ingang waarvan</para>
      <para>de uitkering ten onrechte is beëindigd.</para>
      <para>In het onderhavige geval is de uitkering bij het primaire</para>
      <para>besluit van 27 oktober beëindigd per 1 oktober 1995.</para>
      <para>Vervolgens is bij het bestreden besluit van 26 januari 1996</para>
      <para>beslist dat de uitkering over het tijdvak van 1 oktober tot en</para>
      <para>met 27 oktober 1995 alsnog zou worden uitbetaald en dat de</para>
      <para>uitkering werd beëindigd met ingang van 28 oktober 1995.</para>
      <para>Beide besluiten hebben dus een afzonderlijk te berekenen</para>
      <para>vertraging in de uitbetaling van de uitkering tot gevolg.</para>
      <para>De uitkering over het tijdvak van 1 tot 28 oktober 1995 had</para>
      <para>uiterlijk op 31 oktober 1995 moeten zijn uitbetaald. De eerste</para>
      <para>dag waarop over de desbetreffende geldsom wettelijke rente is</para>
      <para>verschuldigd, moet derhalve worden gesteld op 1 november 1995</para>
      <para>en de laatste dag waarop over deze geldsom rente is</para>
      <para>verschuldigd, de dag voorafgaande aan de dag, waarop op grond</para>
      <para>van het besluit van 26 januari 1996 alsnog tot uitbetaling van</para>
      <para>deze geldsom is overgegaan.</para>
      <para>Tevens dient bij de berekening daarvan telkens na afloop van</para>
      <para>een jaar het bedrag waarover wettelijke rente wordt berekend,</para>
      <para>te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde</para>
      <para>rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De aldus te berekenen rente zal alsnog door gedaagde aan</para>
      <para>appellant moeten worden voldaan, vermeerderd met de op</para>
      <para>dezelfde voet te berekenen rente over hetgeen gedaagde alsdan</para>
      <para>zal blijken te weinig te hebben betaald over het resterende</para>
      <para>deel van die maand (28 tot en met 31 oktober 1995), en wel tot</para>
      <para>en met de dag waarop alsnog op grond van het nadere besluit</para>
      <para>van 6 september 1996 de uitkering over dat gedeelte is</para>
      <para>uitbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ingangsdatum van de rentevergoeding over de volgende</para>
      <para>termijnen dient telkens te worden gesteld op de eerste dag na</para>
      <para>afloop van de desbetreffende termijn, en ook voor die</para>
      <para>termijnen geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag</para>
      <para>waarover wettelijke rente wordt berekend, moet worden</para>
      <para>vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij het voorgaande geldt dat in het voetspoor van de</para>
      <para>rechtspraak van de Hoge Raad - onder meer zijn arrest van 24</para>
      <para>januari 1994 (NJ 1994, 596) - voor de berekening van de</para>
      <para>wettelijke rente wordt uitgegaan van het bruto-bedrag dat aan</para>
      <para>RWW-uitkering aan appellant had moeten zijn uitbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht ten slotte termen aanwezig toepassing te geven</para>
      <para>aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb en gedaagde te</para>
      <para>veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant,</para>
      <para>welke zijn begroot op f 1.420,-- voor verleende rechtsbijstand</para>
      <para>in eerste aanleg, op f 1.420,-- aan verleende rechtsbijstand</para>
      <para>in hoger beroep en op f 19,67 aan reiskosten, derhalve in</para>
      <para>totaal op f 2.859,67.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;</para>
      <para>Verklaart het inleidend beroep tegen het bestreden besluit van</para>
      <para>26 januari 1996 gegrond en vernietigt dat besluit;</para>
      <para>Veroordeelt de gemeente Amsterdam tot vergoeding van de rente</para>
      <para>als hierboven is aangegeven;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een</para>
      <para>bedrag van f 2.859,67, te betalen door de gemeente Amsterdam</para>
      <para>aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Gelast de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem</para>
      <para>betaalde griffierecht ad f 200,-- te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr</para>
      <para>Ch.J.G. Olde Kalter en mr P. Lourens als leden in</para>
      <para>tegenwoordigheid van A.H. Berends als griffier en uitgesproken</para>
      <para>in het openbaar op 22 april 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BvW</para>
      <para>22/4</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>