<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6891</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:47:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:CRVB:1997:AL0763</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6891</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-04-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">94/645 ALGEM, 97/1704 ALGEM, 97/1705 ALGEM</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=4&amp;g=1997-04-10">Coördinatiewet Sociale Verzekering 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002126&amp;artikel=6&amp;g=1997-04-10">Coördinatiewet Sociale Verzekering 6</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 257</rdf:li>
          <rdf:li>FED 1997/863</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1997/117 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6891">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6891</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6891 Centrale Raad van Beroep , 10-04-1997 / 94/645 ALGEM, 97/1704 ALGEM, 97/1705 ALGEM</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6891:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6891:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>94/ 645 CSV</para>
      <para>97/1704 CSV</para>
      <para>97/1705 CSV</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>Welman Beheer B.V., gevestigd te Buchten, appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
      <para>treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para>(hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken</para>
      <para>bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv</para>
      <para>in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene</para>
      <para>Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder</para>
      <para>gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze</para>
      <para>bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 30 maart 1992 heeft gedaagde aan</para>
      <para>appellante kennis gegeven van zijn beslissing om over</para>
      <para>door appellante aan haar werknemers gedane betalingen in</para>
      <para>de jaren 1988 tot en met 1990 aanvullende premies vast te</para>
      <para>stellen ingevolge de sociale werknemersverzekeringswetten</para>
      <para>tot een totaal bedrag van f 23.898,-- en voorts een</para>
      <para>administratieve boete op te leggen van f 4.926,--</para>
      <para>(hierna: de bestreden beslissing).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Roermond heeft bij uit-</para>
      <para>spraak van 17 oktober 1994 de bestreden beslissing</para>
      <para>vernietigd en bepaald dat gedaagde een nieuw besluit</para>
      <para>neemt ter uitvoering van deze uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft tegen deze uitspraak hoger beroep</para>
      <para>ingesteld. In een aanvullend beroepschrift van 22 mei</para>
      <para>1995 heeft mr A.J.T.J. Meuwissen, advocaat te Roermond,</para>
      <para>de gronden voor het hoger beroep uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij schrijven van 8 september 1995 een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij (nadere) besluiten van 5 oktober 1995 en 6 oktober</para>
      <para>1995 heeft gedaagde uitvoering gegeven aan de uitspraak</para>
      <para>van de rechtbank.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Desgevraagd heeft gedaagde bij schrijven van 11 februari</para>
      <para>1997 zijn standpunt nader onderbouwd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden</para>
      <para>op 27 februari 1997, waar voor appellante zijn verschenen</para>
      <para>haar directeur C.M. van Velzen en mr A.J.T.J. Meuwissen,</para>
      <para>voornoemd. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr A.C.J.M. Schröder, werkzaam bij</para>
      <para>Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de bestreden beslissing heeft gedaagde aanvullende</para>
      <para>premies opgelegd in verband met bovenmatige</para>
      <para>reiskostenvergoedingen (1), onkostenvergoedingen voor</para>
      <para>kleding, telefoon en koffie (2), bovenmatige</para>
      <para>feestdagentoeslagen (3), en niet verantwoorde</para>
      <para>loonbetalingen (4). Ten slotte heeft gedaagde een</para>
      <para>administratieve boete opgelegd (5).</para>
      <para>De Raad zal deze (aangevallen) onderdelen van de</para>
      <para>bestreden beslissing afzonderlijk bespreken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1) Bovenmatige reiskostenvergoedingen</para>
      <para>Appellante heeft in 1988 en 1989 aan haar werknemers</para>
      <para>autokostenvergoedingen verstrekt, die gedaagde in de</para>
      <para>bestreden beslissing als bovenmatig heeft gekwalificeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft geoordeeld dat dit onderdeel van de</para>
      <para>bestreden beslissing een voldoende feitelijke grondslag</para>
      <para>mist, zodat om die reden de bestreden beslissing voor</para>
      <para>vernietiging in aanmerking komt. Gedaagde heeft in dit</para>
      <para>oordeel berust en bij de nadere besluiten van 5 oktober</para>
      <para>1995 (betreffende het premiejaar 1989) en 6 oktober 1995</para>
      <para>(betreffende het premiejaar 1988) aanvullende</para>
      <para>premieoplegging terzake van de reiskostenvergoedingen en</para>
      <para>de daarop betrekking hebbende administratieve boete</para>
      <para>achterwege gelaten.</para>
      <para>De Raad stelt vast dat thans op dit onderdeel geen</para>
      <para>geschil meer bestaat tussen partijen, zodat het verder</para>
      <para>geen bespreking meer behoeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2) Onkostenvergoedingen voor kleding, telefoon en koffie</para>
      <para>In de jaren 1988 tot en met 1990 heeft appellante aan</para>
      <para>haar werknemers een vast bedrag aan onkostenvergoeding</para>
      <para>voor kleding, telefoon en koffie van f 3,35 per dag</para>
      <para>uitbetaald.</para>
      <para>Gedaagde heeft zich op het standpunt gesteld dat deze</para>
      <para>vergoedingen niet vallen onder het bepaalde in artikel 6,</para>
      <para>eerste lid, aanhef en onder f, van de Coördinatiewet</para>
      <para>Sociale Verzekering (hierna: CwSV), zoals deze wet tot</para>
      <para>1 januari 1990 luidde, en artikel 6, eerste lid aanhef en</para>
      <para>onder j, van de CwSV, zoals deze wet in 1990 luidde.</para>
      <para>Gedaagde heeft dit standpunt onderbouwd door aan te geven</para>
      <para>dat de uitzondering op het loonbegrip ingevolge de</para>
      <para>hiervoor genoemde bepalingen alleen geldt voor</para>
      <para>afzonderlijk overeengekomen en vastgestelde</para>
      <para>onkostenvergoedingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan zich met deze onderbouwing niet verenigen.</para>
      <para>Volgens vaste jurisprudentie van deze Raad en van de Hoge</para>
      <para>Raad -zie bijvoorbeeld de uitspraken gepubliceerd in RSV</para>
      <para>1959/2, RSV 1980/109 en BNB 1994/318- dient een</para>
      <para>onkostenvergoeding als hier in geding afzonderlijk te</para>
      <para>zijn vastgesteld.</para>
      <para>Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellante met</para>
      <para>haar werknemers netto-all-in loonafspraken maakte, waarin</para>
      <para>onkostenvergoedingen waren begrepen. In de</para>
      <para>salarisspecificaties werden de onkostenvergoedingen</para>
      <para>vervolgens gespecificeerd en ze werden in de</para>
      <para>loonadministratie vastgelegd. Het ging om reële,</para>
      <para>gebruikelijke onkostenvergoedingen. Naar het oordeel van</para>
      <para>de Raad is daarmee voldaan aan de criteria voor het</para>
      <para>vrijstellen van een onkostenvergoeding. De eis die</para>
      <para>gedaagde stelt komt er op neer dat de werknemers</para>
      <para>expliciet in de vergoeding van de onderscheidene</para>
      <para>kostenposten en in de vastgestelde hoogte van de</para>
      <para>verstrekte vergoeding moeten hebben bewilligd. Deze eis</para>
      <para>vindt geen steun in de wet. Gedaagde heeft derhalve ten</para>
      <para>onrechte de betreffende onkostenvergoedingen als loon</para>
      <para>aangemerkt, zodat (ook) terzake van dit onderdeel ten</para>
      <para>onrechte aanvullende premies zijn vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3) Bovenmatige geschenken ter gelegenheid van feestdagen</para>
      <para>In de bestreden beslissing heeft gedaagde vastgesteld dat</para>
      <para>appellante in 1990 een netto bedrag van f 100,-- per</para>
      <para>werknemer als bovenmatige geschenken ter gelegenheid van</para>
      <para>feestdagen heeft uitbetaald. Gedaagde heeft deze</para>
      <para>uitbetaling vervolgens omgerekend naar een bruto loon</para>
      <para>('brutering').</para>
      <para>Appellante heeft erkend dat zij een te hoge</para>
      <para>feestdagentoeslag van f 100,-- per werknemer heeft</para>
      <para>uitbetaald, doch appellante kan zich niet verenigen met</para>
      <para>de brutering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In zijn arrest van 4 mei 1994, gepubliceerd in</para>
      <para>RSV 1995/11 waarin de brutering van bovenmatige</para>
      <para>onkostenvergoedingen in geding was, heeft de Hoge Raad</para>
      <para>overwogen dat, indien de werkgever en de werknemer zich</para>
      <para>bij de betaling van de onkostenvergoeding van de</para>
      <para>bovenmatigheid bewust waren, plaats is voor bruteren,</para>
      <para>indien de werkgever, toen hij de betaling deed, al had</para>
      <para>besloten de wettelijke voorgeschreven inhoudingen in</para>
      <para>geval van ontdekking voor zijn rekening te nemen.</para>
      <para>Gedaagde heeft de brutering van de bovenmatige geschenken</para>
      <para>ter gelegenheid van feestdagen in zijn schrijven van</para>
      <para>11 februari 1997 als volgt onderbouwd:</para>
      <para>"De toepassing van de geschenkenregeling bij</para>
      <para>feestdagen is vastgelegd in de Handleiding voor de</para>
      <para>werkgever van de belastingdienst en de Wegwijzer</para>
      <para>voor de werkgever van de bedrijfsvereniging (vide</para>
      <para>bijlage verweerschrift d.d. 8 september 1995). Er</para>
      <para>mag derhalve verondersteld worden dat appellante op</para>
      <para>de hoogte was van de wijze waarop deze regeling</para>
      <para>dient te worden uitgevoerd. Door meer te betalen van</para>
      <para>destijds krachtens de van toepassing zijnde</para>
      <para>geschenkenregeling was toegestaan heeft appellante</para>
      <para>haar werknemers bewust een netto loonvoordeel doen</para>
      <para>toekomen. Tevens heeft zij daarmee de inhoudingen</para>
      <para>voor haar rekening genomen. Overigens is niet</para>
      <para>gebleken dat appellante de inhoudingen op haar</para>
      <para>werknemers heeft verhaald.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad is van oordeel dat dit betoog geen doel treft.</para>
      <para>De Raad stelt daarbij ten eerste vast dat blijkens het</para>
      <para>hierboven aangehaalde arrest van de Hoge Raad van belang</para>
      <para>is dat zowel werkgever als werknemer zich bewust zijn van</para>
      <para>de bovenmatigheid van een bepaalde vergoeding c.q. het</para>
      <para>feit dat er -te belasten- loon werd betaald. Het betoog</para>
      <para>van gedaagde betreft echter uitsluitend de bewustheid van</para>
      <para>de werkgever en niet die van de werknemers.</para>
      <para>Ten tweede acht de Raad in het betoog van appellante</para>
      <para>onvoldoende aanknopingspunten aanwezig voor de juistheid</para>
      <para>van de stelling dat appellante bij de betaling van de</para>
      <para>(bovenmatige) geschenken al had besloten de wettelijk</para>
      <para>voorgeschreven inhoudingen in geval van ontdekking voor</para>
      <para>haar rekening te nemen.</para>
      <para>De bestreden beslissing berust derhalve ten aanzien van</para>
      <para>de brutering van de bovenmatige geschenken niet op een</para>
      <para>voldoende draagkrachtige motivering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4) Niet verantwoorde loonbetalingen in 1990</para>
      <para>Uit processen-verbaal van verhoren van werknemers van</para>
      <para>appellante is gebleken dat deze werknemers een netto</para>
      <para>(all-in) loon ontvingen van (in eerste instantie)</para>
      <para>f 600,-- tot (in een later stadium) f 675,-- per week,</para>
      <para>terwijl in de loonadministratie een bruto loon van</para>
      <para>f 750,-- per week werd vermeld. Gedaagde gaat er van uit</para>
      <para>dat appellant een deel van de feitelijke loonbetalingen</para>
      <para>niet als loon heeft verantwoord.</para>
      <para>Ter zitting van de Raad heeft appellantes directeur C.M.</para>
      <para>van Velzen aangegeven dat de werknemers per week contant</para>
      <para>een netto bedrag kregen uitbetaald, waarin naast het</para>
      <para>weekloon mede waren begrepen onkostenvergoedingen,</para>
      <para>vakantietoeslag en loon over vakantiedagen.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat die verklaring geen</para>
      <para>rechtvaardiging kan vormen. Als appellante bij de</para>
      <para>wekelijkse loonbetalingen tevens de vakantietoeslag en</para>
      <para>loon voor vakantiedagen betaalt, dient zij die betalingen</para>
      <para>in die week bruto in haar loonadministratie op te nemen.</para>
      <para>De gevolgde handelwijze van appellante strookt niet met</para>
      <para>hetgeen bij en krachtens de CwSV en de Wet op de</para>
      <para>Loonbelasting is bepaald. De Raad wijst er op dat loon</para>
      <para>niet genoten wordt op het moment dat het schriftelijk</para>
      <para>verantwoord wordt, maar op het moment dat het betaald</para>
      <para>wordt.</para>
      <para>Appellantes handelwijze leidt derhalve tot een onjuiste</para>
      <para>loonadministratie die voorts niet voldoet aan eisen van</para>
      <para>controleerbaarheid en verifieerbaarheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft alleen voor het premiejaar 1990</para>
      <para>aanvullende premies vastgesteld in verband met niet</para>
      <para>verantwoorde loonbetalingen. De aanleiding voor het</para>
      <para>vaststellen van aanvullende premies was gelegen in de</para>
      <para>omstandigheid dat in dat jaar de verhouding van het loon</para>
      <para>tot de (van materiaalkosten geschoonde) omzet minder dan</para>
      <para>50% bedroeg. Gelet op de aard van het bedrijf van</para>
      <para>appellante (het uitlenen van arbeidskrachten) is ook de</para>
      <para>Raad van oordeel dat in dit (lage) percentage een</para>
      <para>vermoeden ligt besloten dat niet alle loonbetalingen in</para>
      <para>de loonadministratie zijn verantwoord. Daarnaast blijkt</para>
      <para>uit het relatief geringe verschil tussen het netto</para>
      <para>uitbetaalde en het bruto verantwoorde weekloon, ook</para>
      <para>wanneer de verstrekte onkostenvergoedingen in aanmerking</para>
      <para>worden genomen, dat de uitbetaalde netto lonen niet</para>
      <para>stroken met de verantwoorde bruto lonen. Onder deze</para>
      <para>omstandigheden acht de Raad voldoende aanleiding aanwezig</para>
      <para>om tot aanvullende premievaststelling over te gaan. In</para>
      <para>dit verband kan worden voorbijgegaan aan de  hierboven</para>
      <para>gegeven verklaring -wat daar ook van zij- van appellante</para>
      <para>bij het uitbetalen van lonen, omdat deze wijze van</para>
      <para>handelen onjuist is.</para>
      <para>Gedaagde heeft bij de aanvullende premieheffing voor het</para>
      <para>jaar 1990 als uitgangspunt genomen netto uitbetaalde</para>
      <para>lonen van f 650,-- per week. Gelet op de door de</para>
      <para>werknemers van appellante in het opsporingsonderzoek</para>
      <para>afgelegde verklaringen, acht de Raad dit uitgangspunt</para>
      <para>niet onjuist, zij het dat op dit bedrag in mindering</para>
      <para>moeten worden gebracht de aanvankelijk door gedaagde als</para>
      <para>loonbetaling aangemerkte onkostenvergoedingen.</para>
      <para>Gedaagde heeft vervolgens het bedrag van f 650,--</para>
      <para>omgerekend naar een uurloon, dit uurloon omgerekend naar</para>
      <para>een bruto loon, en vervolgens per werknemer aan de hand</para>
      <para>van het aantal gewerkte uren het verloonde bedrag</para>
      <para>vastgesteld.</para>
      <para>Naast de zojuist vermelde kanttekening met betrekking tot</para>
      <para>het in mindering brengen van onkostenvergoedingen, acht</para>
      <para>de Raad in deze berekening ook de toegepaste brutering</para>
      <para>niet juist.</para>
      <para>In zijn arrest van 4 mei 1994, gepubliceerd in</para>
      <para>RSV 1995/10, heeft de Hoge Raad ten aanzien van verzwegen</para>
      <para>loonbetalingen overwogen dat voor bruteren in het jaar</para>
      <para>van uitbetalen slechts plaats is indien de werkgever,</para>
      <para>toen hij de loonbetaling deed, de wettelijke</para>
      <para>voorgeschreven inhoudingen op het loon voor zijn rekening</para>
      <para>wilde nemen. Dat hiervan sprake was, dient een</para>
      <para>bedrijfsvereniging van geval tot geval aannemelijk te</para>
      <para>maken. De Hoge Raad heeft voorts aangegeven dat een</para>
      <para>bedrijfsvereniging aan haar bewijslast kan voldoen door</para>
      <para>aannemelijk te maken dat een netto loonafspraak is</para>
      <para>gemaakt, dat het bedingen van netto lonen in de</para>
      <para>betreffende bedrijfstak gebruikelijk is, of dat de</para>
      <para>loonbetalingen zijn gedaan onder omstandigheden die</para>
      <para>verhaal op de werknemers van de ten onrechte achterwege</para>
      <para>gebleven inhoudingen bij voorbaat uitsluiten.</para>
      <para>In het schrijven van 11 februari 1997 heeft gedaagde de</para>
      <para>brutering met betrekking tot de niet verantwoorde</para>
      <para>loonbetalingen als volgt onderbouwd:</para>
      <para>"Ten aanzien van het niet verantwoord loon merken wij</para>
      <para>op dat uit de door de werknemers van appellante</para>
      <para>afgelegde verklaringen (gedingstukken 18.46 en</para>
      <para>volgende) valt op te maken dat appellante met haar</para>
      <para>werknemers netto loonbedragen heeft afgesproken.</para>
      <para>Gelet op deze expliciete afspraak tussen appellante</para>
      <para>en haar werknemers kan genoegzaam worden aangenomen</para>
      <para>dat appellante daadwerkelijk de wil had of op zijn</para>
      <para>minst geacht moet worden de wil te hebben gehad om</para>
      <para>de verschuldigde premie voor haar rekening te</para>
      <para>nemen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan gedaagde in dit betoog niet volgen. Uit de</para>
      <para>verklaringen waar gedaagde zich op beroept, blijkt</para>
      <para>namelijk dat de werknemers van appellante feitelijk</para>
      <para>tussen f 600,-- en f 675,-- netto per week ontvingen van</para>
      <para>appellante, doch ook dat een bruto weekloon van f 750,--</para>
      <para>was overeengekomen.</para>
      <para>Gelet hierop kan bezwaarlijk worden volgehouden dat</para>
      <para>appellante met haar werknemers netto loonafspraken had</para>
      <para>gemaakt.</para>
      <para>De Raad wijst er voorts op dat er in het onderhavige</para>
      <para>geval evenmin sprake is van omstandigheden die verhaal</para>
      <para>achteraf bij voorbaat onmogelijk maken.</para>
      <para>Gedaagde is er derhalve niet in geslaagd aannemelijk te</para>
      <para>maken dat appellante, toen zij de loonbetalingen deed, de</para>
      <para>wettelijk voorgeschreven inhoudingen (ten volle) voor</para>
      <para>haar rekening wilde nemen.</para>
      <para>Niettemin was er sprake van door de werknemers in 1990</para>
      <para>genoten voordelen, waarover gedaagde premies kan</para>
      <para>vaststellen. Gedaagde kan ter berekening daarvan uitgaan</para>
      <para>van de in de loonadministratie van appellante</para>
      <para>verantwoorde bruto lonen en deze om rekenen naar netto</para>
      <para>lonen. Deze netto lonen kunnen vervolgens in mindering</para>
      <para>worden gebracht op de per week uitbetaalde bedragen van</para>
      <para>f 650,-- (verminderd met de onkostenkostenvergoedingen).</para>
      <para>De uitkomst van deze rekensom kan vervolgens</para>
      <para>-ongebruteerd- als grondslag voor de aanvullende</para>
      <para>premieheffing dienen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5) Administratieve boete</para>
      <para>Gedaagde heeft bij de bestreden beslissing de</para>
      <para>feitencomplexen die hebben geleid tot aanvullende</para>
      <para>premieheffing gekwalificeerd als 'eerste verzuim' en</para>
      <para>geoordeeld dat steeds sprake is geweest van 'opzet' of</para>
      <para>'grove schuld'.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt voorop dat uit het vorenoverwogene volgt</para>
      <para>dat aanvullende premieheffing in 1988 en 1989 geheel</para>
      <para>achterwege had dienen te blijven, zodat de over deze</para>
      <para>jaren opgelegde administratieve boete evenmin stand kan</para>
      <para>houden.</para>
      <para>Uit het vorenoverwogene volgt voorts dat de aanvullende</para>
      <para>premieheffing in 1990 voor bovenmatige geschenken ter</para>
      <para>gelegenheid van feestdagen niet ten volle stand kan</para>
      <para>houden en dat de administratieve boete in zoverre evenmin</para>
      <para>stand kan houden.</para>
      <para>De Raad is voorts van oordeel dat gedaagde niet in</para>
      <para>voldoende mate heeft aangetoond dat appellante voor het</para>
      <para>betalen van de bovenmatige geschenken ter gelegenheid van</para>
      <para>feestdagen opzet dan wel grove schuld verweten kan</para>
      <para>worden. Hoewel appellante enig verwijt kan worden gemaakt</para>
      <para>terzake van het teveel uitbetalen van geschenken ter</para>
      <para>gelegenheid van feestdagen heeft de Raad noch in de</para>
      <para>gedingstukken, noch naar aanleiding van het verhandelde</para>
      <para>ter zitting, aanknopingspunten gevonden om te kunnen</para>
      <para>spreken van grove schuld of opzet.</para>
      <para>Wel acht de Raad, onder verwijzing naar zijn hierboven</para>
      <para>onder punt 4 vermelde overwegingen ten aanzien van</para>
      <para>appellantes wijze van administreren en uitbetalen van</para>
      <para>loon, voldoende aangetoond dat de niet verantwoorde</para>
      <para>loonbetalingen aan opzet dan wel grove schuld van</para>
      <para>appellante te wijten zijn. Gedaagde is derhalve bevoegd</para>
      <para>over de eventueel nog, met inachtneming van hetgeen</para>
      <para>hiervoor onder punt 4 is overwogen, na te heffen premies</para>
      <para>een administratieve boete op te leggen op basis van de</para>
      <para>kwalificaties 'eerste verzuim' en 'opzet of grove</para>
      <para>schuld'.</para>
      <para>Bij een eventueel nader te nemen besluit dient gedaagde</para>
      <para>zich nog wel te beraden over de vraag of de op te leggen</para>
      <para>administratieve boete zowel in absolute als in relatieve</para>
      <para>zin als evenredig valt aan te merken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft tenslotte de grief van appellante</para>
      <para>dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten een</para>
      <para>proceskostenveroordeling uit te spreken ondanks het feit</para>
      <para>dat appellante in eerste aanleg gedeeltelijk in het</para>
      <para>gelijk is gesteld. De Raad zal daartoe alsnog overgaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, zij het deels op andere gronden, voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking komt.</para>
      <para>Voorts vloeit uit het hiervoor overwogene voort dat de</para>
      <para>nadere besluiten van 5 oktober 1995 en 6 oktober 1995,</para>
      <para>die de Raad op de voet van de artikelen 6:18, 6:19 en</para>
      <para>6:24 van de Algemene wet bestuursrecht in zijn</para>
      <para>beoordeling betrekt, voor vernietiging in aanmerking</para>
      <para>komen.</para>
      <para>Verder acht de Raad termen aanwezig om gedaagde op grond</para>
      <para>van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te</para>
      <para>veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste</para>
      <para>aanleg ten bedrage van f 1.775,-- en in hoger beroep ten</para>
      <para>bedrage van f 1.420,--.</para>
      <para>Ten slotte dient gedaagde het door appellante in hoger</para>
      <para>beroep gestorte recht te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt, zij het gedeeltelijk op andere gronden,  de</para>
      <para>aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Verklaart het beroep tegen de besluiten van 5 oktober</para>
      <para>1995 en 6 oktober 1995 gegrond;</para>
      <para>Vernietigt de besluiten van 5 oktober 1995 en 6 oktober</para>
      <para>1995;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde een nader besluit kan nemen met</para>
      <para>inachtneming van hetgeen deze uitspraak is overwogen;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten in eerste aanleg</para>
      <para>en hoger beroep, begroot op f 3.195,--;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellante het in hoger beroep</para>
      <para>gestorte recht van ƒ 600,-- vergoedt;</para>
      <para>Wijst het Lisv aan als de rechtspersoon die deze kosten</para>
      <para>dient te betalen.</para>
      <para>Aldus gegeven door mr A.F.M. Brenninkmeijer als</para>
      <para>voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr L.J.A.</para>
      <para>Damen als leden in tegenwoordigheid van</para>
      <para>P.S. van Gelein Vitringa als griffier en uitgesproken in</para>
      <para>het openbaar op 10 april 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.F.M. Brenninkmeijer.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.S. van Gelein Vitringa.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>ingevolge de Coördinatiewet Sociale Verzekering kan ieder</para>
      <para>der partijen beroep in cassatie instellen, maar alleen</para>
      <para>ter zake van schending of verkeerde toepassing van het</para>
      <para>bepaalde bij of krachtens een der artikelen 4, 5, 6, 7 en</para>
      <para>8 van die wet.</para>
      <para>Dit beroep wordt ingesteld door binnen 6 weken nadat dit</para>
      <para>afschrift der uitspraak ter post is bezorgd, een</para>
      <para>beroepschrift in cassatie aan de Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>in te zenden.</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>