<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6889</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T07:00:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:CRVB:1997:AH6478</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:CRVB:1997:AN5567</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6889</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/2502 AAW/WAO, 96/2180 AAW/WAO,;96/2183 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:18&amp;g=1997-04-02">Algemene wet bestuursrecht 6:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:18&amp;g=1997-04-02">Algemene wet bestuursrecht 6:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:19&amp;g=1997-04-02">Algemene wet bestuursrecht 6:19</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1998, 116 met annotatie van B.J. Schueler</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 215</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6889">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6889</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2003-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6889 Centrale Raad van Beroep , 02-04-1997 / 95/2502 AAW/WAO, 96/2180 AAW/WAO,;96/2183 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6889:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>een uitkering</para>
        <para> krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</para>
        <para> (WAO) toegekend berekend naar een mate van</para>
        <para> arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6889:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>95/2502 AAW/WAO</para>
      <para>96/2180 AAW/WAO</para>
      <para>96/2183 AAW/WAO                                 O.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
      <para> verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
      <para> Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
      <para> treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
      <para> (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
      <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats</para>
      <para> getreden van de Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging. In</para>
      <para> deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 februari 1994 heeft gedaagde aan</para>
      <para> appellant met ingang van 2 september 1993 een uitkering</para>
      <para> krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering</para>
      <para> (WAO) toegekend berekend naar een mate van</para>
      <para> arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% (hierna: besluit I).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft bij uitspraak van 17 maart 1995 het namens appellant tegen</para>
      <para> dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant is bij gemachtigde mr F.J.V.P. Timmermans, advocaat en procureur te Heerlen, van die uitspraak in</para>
      <para> hoger beroep gekomen. Op de gronden, uiteengezet in een</para>
      <para> aanvullend beroepschrift (met bijlagen) van 27 oktober</para>
      <para> 1995 is de Raad verzocht besluit I te vernietigen en</para>
      <para> alsnog een nader onderzoek te gelasten bij een neuro-psycholoog.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 30 oktober 1995 heeft appellants</para>
      <para> gemachtigde tevens verzocht om een</para>
      <para> proceskostenveroordeling</para>
      <para> ex artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft op 9 januari 1996 een verweerschrift</para>
      <para> ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 13 februari 1996 heeft gedaagde overgelegd twee door hem genomen besluiten van die datum. Daarbij</para>
      <para> heeft gedaagde de Raad verzocht om toepassing van de</para>
      <para> artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb. Het betreft hier:</para>
      <para>- gedaagdes besluit tot toekenning aan appellant met</para>
      <para> ingang van 2 september 1993 van uitkeringen krachtens de</para>
      <para> Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de WAO,</para>
      <para> berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van</para>
      <para> 80 tot 100% (hierna: besluit II), en</para>
      <para>- gedaagdes besluit tot intrekking van de toegekende</para>
      <para> uitkering krachtens de AAW en tot herziening van de</para>
      <para> toegekende uitkering krachtens de WAO naar een mate van</para>
      <para> arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, zulks met ingang</para>
      <para> van 18 januari 1994 (hierna: besluit III).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 27 februari 1996 is namens appellant gereageerd op het verweerschrift en beide besluiten van</para>
      <para> 13 februari 1996. Daarbij is de Raad verzocht al hetgeen zijdens appellant in geding naar voren is gebracht,</para>
      <para> alsmede alle zijnerzijds overgelegde produkties mede te</para>
      <para> beschouwen als zijnde gericht tegen beide nieuwe besluiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter</para>
      <para> zitting van de Raad op 29 mei 1996, waar partijen niet</para>
      <para> zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brieven van 3 juli 1996 is partijen medegedeeld dat de Raad van oordeel is dat het onderzoek niet volledig is</para>
      <para> geweest in verband waarmede het onderzoek wordt heropend.</para>
      <para>Daarbij is vermeld dat de Raad nader intern beraad</para>
      <para> noodzakelijk acht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Bij brief van 6 februari 1997 zijn namens appellant nadere stukken overgelegd.</para>
    <para />
    <para>Bij brief (met bijlage) van 14 februari 1997 heeft gedaagde hierop gereageerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is opnieuw ter behandeling aan de orde gesteld</para>
      <para> ter zitting van de Raad op 26 februari 1996, waar</para>
      <para> partijen wederom niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 2 september 1992 is appellant aangereden door een motorvoertuig. Bij dit ongeval liep appellant onder meer</para>
      <para> een schedelbasisfractuur en fracturen in zijn gezicht op.</para>
      <para>Van 2 september 1992 tot 5 oktober 1992 verbleef hij in</para>
      <para> een ziekenhuis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot 2 september 1993 heeft appellant een uitkering</para>
      <para> krachtens de Ziektewet ontvangen. Bij besluit I heeft</para>
      <para> gedaagde appellant met ingang van 2 september 1993 een uitkering krachtens de WAO toegekend berekend naar een</para>
      <para> mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij dat</para>
      <para> besluit is aangenomen dat, gelet op zijn medische beperkingen, appellant weliswaar niet meer geschikt was</para>
      <para> voor zijn oude beroep van procesoperator, maar nog wel op die datum in staat moest worden geacht een aantal door</para>
      <para> een arbeidsdeskundige met hem besproken functies te</para>
      <para> vervullen, in welk geval hij wordt geconfronteerd met een verlies aan verdiencapaciteit van 16,2%.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank</para>
      <para> geoordeeld dat gedaagde de mate van de bij appellant op</para>
      <para> en na 2 september 1993 bestaande arbeidsongeschiktheid met een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van</para>
      <para> 15 tot 25% juist heeft gewaardeerd. Aan dit oordeel ligt</para>
      <para>met name ten grondslag het op verzoek van de rechtbank uitgebrachte rapport, gedateerd 31 oktober 1994, van de</para>
      <para> zenuwarts dr J.F. Mirandolle. Deze deskundige kon zich verenigen met de vastgestelde medische beperkingen en de</para>
      <para> passendheid van de in aanmerking genomen functies, met</para>
      <para>dien verstande dat, nu appellant door het ongeval zijn reukvermogen heeft verloren, ten onrechte geen beperking</para>
      <para> is aangenomen voor wat betreft het gebruik van de zintuigen. Aan dit voorbehoud heeft de rechtbank geen</para>
      <para> gevolgen verbonden omdat niet is kunnen blijken dat de</para>
      <para> met appellant besproken functies bijzondere eisen stellen</para>
      <para> aan het reuk- en smaakvermogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat</para>
      <para> besluit I in rechte niet in stand kan worden gelaten. Dit</para>
      <para> oordeel stoelt uitsluitend op het gegeven dat gedaagde uit overwegingen van zorgvuldigheid -op 2 september 1993</para>
      <para> was het onderzoek naar appellants arbeidsmogelijkheden</para>
      <para>nog niet afgerond- bij besluit II van 13 februari 1996 appellant alsnog met ingang van 2 september 1993</para>
      <para> uitkeringen krachtens de AAW en de WAO heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%,</para>
      <para> waarmee is gegeven dat gedaagde besluit I niet langer</para>
      <para> handhaaft. Hieruit volgt dat ook de aangevallen uitspraak niet in stand kan worden gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt voorts het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft verzocht om toepassing van de artikelen</para>
      <para> 6:18 en 6:19 van de Awb ten aanzien van zijn besluiten</para>
      <para> van 13 februari 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat met besluit II tot indeling van appellant in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse</para>
      <para> ingaande de dag waarop besluit I zag, weliswaar besluit I is gewijzigd doch met die wijziging tevens aan het</para>
      <para> ingestelde hoger beroep geheel is tegemoet gekomen. Gelet</para>
      <para> hierop verzet artikel 6:19, eerste lid van de Awb zich naar de letter tegen het in dit geding betrekken van</para>
      <para> besluit II. Dit brengt met zich dat, strikt genomen, het</para>
      <para>hoger beroep evenmin geacht kan worden tevens gericht te</para>
      <para> zijn tegen besluit III, waarbij besluit II weer is</para>
      <para> gewijzigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hier staat tegenover dat appellant geen bezwaar heeft</para>
      <para> tegen het in dit geding betrekken van de besluiten van</para>
      <para> 13 februari 1996. Voorts is er sprake van een samenhangend stelsel van besluiten. De besluiten van 13</para>
      <para> februari 1996 zijn niet genomen naar aanleiding van een</para>
      <para> nieuwe aanvraag of een nieuwe, ambtshalve (her)beoordeling van appellants arbeidsmogelijkheden. De</para>
      <para> besluiten van 13 februari 1996 kunnen dan ook geacht</para>
      <para>worden te vallen binnen de grondslag en de reikwijdte van besluit I. Mede gelet op doel en strekking van de</para>
      <para> artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb acht de Raad derhalve in dit geval termen aanwezig om overeenkomstig artikel</para>
      <para> 6:24, eerste lid in samenhang met artikel 6:19, eerste</para>
      <para> lid van de Awb het hoger beroep mede gericht te achten tegen de besluiten van 13 februari 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vervolgens direct vast dat appellant in het</para>
      <para> door hem ingestelde hoger beroep, voor zover dit geacht</para>
      <para> kan worden mede te zijn gericht tegen besluit II, niet kan worden ontvangen, aangezien hij geen belang heeft bij</para>
      <para> een oordeel omtrent de rechtmatigheid van dit besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot besluit III stelt de Raad vast dat partijen uitsluitend verdeeld worden gehouden door het</para>
      <para> antwoord op de vraag of vanwege gedaagde de juiste medische beperkingen in acht zijn genomen bij de</para>
      <para> schatting van appellants arbeidsmogelijkheden per 18</para>
      <para>januari 1994.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zich hiertoe beperkend overweegt de Raad allereerst dat</para>
      <para> gesteld noch gebleken is dat de gezondheidssituatie van</para>
      <para> appellant is verslechterd in de periode van 2 september 1993 tot 18 januari 1994. Met inachtneming hiervan kent</para>
      <para> de Raad met betrekking tot appellants</para>
      <para> arbeidsmogelijkheden per laatstgenoemde datum doorslaggevende betekenis toe aan het rapport van de</para>
      <para> zenuwarts dr J.F. Mirandolle, die appellant op 13 oktober</para>
      <para> 1994 heeft onderzocht. Hierbij gaat ook de Raad er vanuit dat de in aanmerking genomen functies geen bijzondere</para>
      <para> eisen stellen aan het gebruik van de zintuigen. In het van de zijde van appellant bij het aanvullend</para>
      <para> beroepschrift ingebrachte rapport van de neuroloog dr</para>
      <para> J.P.C. Peperkamp heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor een andersluidend oordeel. Uit de door dr</para>
      <para> Peperkamp gemaakte gevolgtrekking dat de totale</para>
      <para> functionele invaliditeit van appellant 16% bedraagt, valt niet af te leiden dat een indeling van appellant in de</para>
      <para> arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% voor onjuist moet worden gehouden. Nog daargelaten dat dr Peperkamp</para>
      <para> geen uitspraak heeft gedaan omtrent appellants mate van</para>
      <para> arbeidsongeschiktheid, ziet de Raad geen significante</para>
      <para> verschillen tussen de bevindingen van dr Mirandolle en dr</para>
      <para> Peperkamp. Dit laatste geldt evenzeer voor de bevindingen, neergelegd in de bij brief van</para>
      <para> 6 februari 1997 van de zijde van appellant ingebrachte</para>
      <para> rapporten van de medisch adviseur mr drs H.H. Stad, arts, die een invaliditeitspercentage noemt van 18, en van de</para>
      <para> klinisch psychologe drs M.A.O. de Bijl, die op haar</para>
      <para>vakgebied komt tot een blijvende functionele invaliditeit van 10% en de aan haar gestelde vraag over appellants</para>
      <para> beroepsactiviteiten uitdrukkelijk onbeantwoord heeft gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het hiervoor overwogene houdt de Raad</para>
      <para> besluit III niet voor onjuist. Het beroep tegen dat</para>
      <para> besluit dient derhalve ongegrond te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van</para>
      <para> appellant in beroep en in hoger beroep. </para>
      <para>Deze kosten worden begroot op ƒ 2.485,- voor verleende</para>
      <para> rechtsbijstand. Het Besluit proceskosten bestuursrecht</para>
      <para> voorziet niet in de mogelijkheid van vergoeding van de door appellant in eerste aanleg betaalde eigen bijdrage</para>
      <para> van     f 110,- voor verleende rechtsbijstand. Andere op</para>
      <para> grond van artikel 8:75 van de Awb in samenhang met evengenoemd Besluit te vergoeden kosten zijn niet</para>
      <para> gevorderd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt tot slot vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte</para>
      <para> griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, alsmede besluit I;</para>
      <para>Verklaart appellant in zijn beroep voor zover dit geacht</para>
      <para> moet worden te zijn gericht tegen besluit II, niet-</para>
      <para>ontvankelijk;</para>
      <para>Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen besluit III, ongegrond;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in</para>
      <para> beroep tot een bedrag groot f 1.775,- en in hoger beroep</para>
      <para> tot een bedrag groot ƒ 710,-, te betalen door gedaagde aan de griffier van de Raad;</para>
      <para>Verstaat dat gedaagde aan appellant het gestorte recht</para>
      <para> van ƒ 200,- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G.L. Plomp als voorzitter en mr A. Beuker-Tilstra en mr G. van der Wiel als leden, in</para>
      <para> tegenwoordigheid van mr P.W.A. van Geloven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 april 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) C.G.L. Plomp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.W.A. van Geloven.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>