<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:38:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6882</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-05-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/4850 ABW, 96/4853 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=7&amp;g=1997-05-06">Algemene bijstandswet 7</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=7&amp;g=1997-05-06">Algemene bijstandswet 7</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1997, 114</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6882">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6882</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2007-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6882 Centrale Raad van Beroep , 06-05-1997 / 96/4850 ABW, 96/4853 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6882:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De bijstand aan appellanten is beëindigd omdat zij geacht werden over vermogen te beschikken</para>
        <para>in de vorm van een Mercedes Benz met een waarde van ong. fl 90.000.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6882:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>96/4850 ABW</para>
      <para>96/4853 ABW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A. en C., wonende te B.,</para>
      <para>appellanten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de Commissie Sociale Zekerheidsgeschillen van de</para>
      <para>provincie Gelderland, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten heeft mr R. Mulder, advocaat te</para>
      <para>Winterswijk, op de bij aanvullende gelijkluidende</para>
      <para>beroepschriften aangegeven gronden beroep ingesteld tegen</para>
      <para>het besluit van gedaagde van 2 april 1996. In dit besluit</para>
      <para>is het beroep ongegrond verklaard dat was ingesteld tegen</para>
      <para>de op bezwaarschrift genomen beslissing van het College</para>
      <para>van burgemeester en wethouders van de gemeente</para>
      <para>Winterswijk (hierna: het College) van 6 juli 1993.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens het College, als partij aan het geding deelnemend,</para>
      <para>is bij brief van 30 oktober 1996 een uiteenzetting van</para>
      <para>diens standpunt gegeven. Voorts is bij schrijven van</para>
      <para>5 februari 1997 nog een vraag beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten is bij brief van 13 maart 1997 een</para>
      <para>aantal stukken toegezonden en is aangekondigd dat nog een</para>
      <para>stuk zou worden toegestuurd, hetgeen bij brief van</para>
      <para>19 maart 1997 is geschied.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van</para>
      <para>25 maart 1997 waar voor appellanten is verschenen</para>
      <para>mr Mulder, voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door mr H.P.W.M. van der Linden, thans</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Heusden. Het College heeft zich</para>
      <para>niet doen vertegenwoordigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in</para>
      <para>werking getreden.</para>
      <para>Het in deze gedingen aan de orde zijnde geschil wordt</para>
      <para>beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende</para>
      <para>bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van</para>
      <para>belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting</para>
      <para>ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellanten (hierna ook te noemen: A.,</para>
      <para>respectievelijk C.), geboren in 1970</para>
      <para>onderscheidenlijk 1972, ontvingen vanaf januari 1992 een</para>
      <para>uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze</para>
      <para>werknemers (RWW) en wel, met toepassing van artikel 5a</para>
      <para>van de ABW, naar de norm voor een echtpaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aangezien was waargenomen dat appellanten een</para>
      <para>personenauto van het type Mercedes Benz met het kenteken</para>
      <para>(...) bestuurden, is omtrent de rechtmatigheid van de</para>
      <para>aan appellanten verleende uitkering door de sociale</para>
      <para>recherche van de gemeente Winterswijk gedurende de</para>
      <para>periode september 1992 tot en met januari 1993 een</para>
      <para>onderzoek ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van de bevindingen van de sociale</para>
      <para>recherche, neergelegd in een rapport van 25 januari 1993,</para>
      <para>is namens het College bij beschikking van 15 februari</para>
      <para>1993 aan appellanten meegedeeld, dat de hen eerder</para>
      <para>verleende RWW-uitkering met ingang van 1 januari 1993</para>
      <para>wordt beëindigd, zulks op de grond dat het vermogen het</para>
      <para>maximum vrij te laten vermogen ad f 17.800,-- overschrijdt.</para>
      <para>De uitkering was blijkens de gedingstukken</para>
      <para>reeds eerder geblokkeerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen deze beschikking ingediende bezwaarschrift is</para>
      <para>door het College bij beslissing van 6 juli 1993 ongegrond</para>
      <para>verklaard. Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van</para>
      <para>2 april 1996 het tegen deze beslissing ingestelde</para>
      <para>administratief beroep ongegrond verklaard. Gedaagde heeft</para>
      <para>zich blijkens dit besluit - kort samengevat - op het</para>
      <para>standpunt gesteld dat appellanten niet genoegzaam hebben</para>
      <para>aangetoond dat de eigendom van de Mercedes Benz met een</para>
      <para>waarde van ruim f 90.000,-- niet aan hen kon worden</para>
      <para>toegerekend en dat het College terecht met ingang van 1</para>
      <para>januari 1993 de RWW-uitkering van appellanten heeft</para>
      <para>ingetrokken nu zij de beschikking hadden over meer dan</para>
      <para>het vrij te laten bescheiden vermogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding is de vraag aan de orde of gedaagde in het</para>
      <para>bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat het</para>
      <para>College op goede gronden heeft besloten tot beëindiging</para>
      <para>van de uitkering van appellanten met ingang van 1 januari 1993.</para>
      <para>Het antwoord op die vraag is afhankelijk van het antwoord</para>
      <para>op de partijen in het bijzonder verdeeld houdende andere</para>
      <para>vraag of de personenauto van het merk Mercedes Benz,</para>
      <para>kenteken (...) en met een aankoopwaarde van ruim</para>
      <para>f 90.000,--, al dan niet tot het vermogen van appellanten</para>
      <para>moet worden gerekend. Appellanten zijn van mening dat</para>
      <para>deze auto toebehoort aan E., de vader van</para>
      <para>appellant C., terwijl het College als ook gedaagde de</para>
      <para>mening zijn toegedaan dat deze auto geacht wordt deel uit</para>
      <para>te maken van het vermogen van appellanten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt dienaangaande het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 7, eerste lid, onder b, van de ABW</para>
      <para>wordt bij de beoordeling van de mate waarin een persoon</para>
      <para>beschikt over middelen, als bedoeld in het eerste lid van</para>
      <para>artikel 1 van de ABW, een bescheiden vermogen buiten</para>
      <para>beschouwing gelaten. In het geval van appellanten bedroeg</para>
      <para>het destijds vrij te laten bescheiden vermogen</para>
      <para>f 17.800,--. Gezien het complementaire karakter van de</para>
      <para>ABW staat het bezit van een meer dan bescheiden vermogen</para>
      <para>- behoudens in de door de wet aangegeven doch hier niet</para>
      <para>van toepassing zijnde uitzonderingen - in beginsel</para>
      <para>(verdere) bijstandsverlening in de weg. Bepalend voor de</para>
      <para>omvang van het vermogen is de feitelijke</para>
      <para>vermogenssituatie ten tijde van de aanvraag dan wel van</para>
      <para>de beëindiging van de bijstandsuitkering.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken blijkt dat het kenteken van de</para>
      <para>eerdergenoemde Mercedes Benz ten tijde van de beëindiging</para>
      <para>van de bijstandsuitkering van appellanten stond</para>
      <para>geregistreerd op naam van B.V. X., in</para>
      <para>de gedingstukken ook aangeduid als BV Y. (hierna: X.), te</para>
      <para>Z. Zowel appellanten als E., als ook X., zijn de mening</para>
      <para>toegedaan dat deze registratie niet inhoudt dat de auto</para>
      <para>ten tijde in dit geding van belang toebehoorde aan</para>
      <para>X. De Raad heeft geen aanleiding gevonden een ander</para>
      <para>standpunt in te nemen.</para>
      <para>Een en ander houdt in dat in dit geval voor de</para>
      <para>beantwoording van de vraag tot wiens vermogen de auto</para>
      <para>moet worden gerekend niet kan worden uitgegaan van de</para>
      <para>tenaamstelling van het kenteken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot de gedingstukken behoort een opdrachtbevestiging d.d.</para>
      <para>28 november 1991 van het garagebedrijf BV X.</para>
      <para>waarin C. bevestigt te hebben gekocht een</para>
      <para>Mercedes Benz voor de prijs van f 91.181,--, op welke</para>
      <para>aankoopprijs in mindering is gebracht de waarde van een</para>
      <para>Mercedes 280 SL uit 1983 alsmede een Peugeot 205 CTI. In</para>
      <para>totaal moest nog worden bijbetaald een bedrag van f</para>
      <para>9.000,--. Het kenteken van de Mercedes 280 SL met een</para>
      <para>waarde van circa f 65.000,--, stond tot 24 januari 1992</para>
      <para>geregistreerd op naam van E. en de Peugeot, met</para>
      <para>een gestelde waarde van f 17.500,--, behoorde toe aan</para>
      <para>appellante A.</para>
      <para>De factuur betreffende de koop van de Mercedes Benz d.d.</para>
      <para>12 maart 1992 staat op naam van A. Tot de</para>
      <para>gedingstukken behoort verder een door A. op 17 maart</para>
      <para>1992 ondertekende verklaring, inhoudende dat zij</para>
      <para>verantwoordelijk is voor de consequenties welke de</para>
      <para>tenaamstelling van de auto met het kenteken (...) op</para>
      <para>X. heeft en dat A. zelf verzekering alsmede</para>
      <para>motorrijtuigenbelasting verzorgt. Uit de gedingstukken</para>
      <para>blijkt dat de verzekering van de auto op naam van A.</para>
      <para>is gesteld.</para>
      <para>In het rapport van de sociale recherche d.d. 25 januari</para>
      <para>1993 is vermeld dat is waargenomen dat appellanten beiden</para>
      <para>de auto bestuurden, hetgeen door appellanten niet is betwist.</para>
      <para>Onbetwist is verder dat de auto werd geleverd in de kleur</para>
      <para>en met de accessoires zoals appellanten deze eerder, te</para>
      <para>weten in november 1991, met het garagebedrijf hadden</para>
      <para>besproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De hierboven weergegeven omstandigheden, in onderling</para>
      <para>verband bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de</para>
      <para>Raad de conclusie dat de Mercedes Benz met het kenteken</para>
      <para>(...) ten tijde hier in geding een bestanddeel vormde</para>
      <para>van het vermogen van appellanten waarover zij</para>
      <para>daadwerkelijk de beschikking hadden dan wel</para>
      <para>redelijkerwijs konden beschikken. In een dergelijke</para>
      <para>situatie is het vervolgens aan betrokkenen om in</para>
      <para>genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellanten is aangevoerd dat de auto toebehoorde</para>
      <para>aan E., de vader van appellant C. Daartoe is</para>
      <para>onder meer gesteld dat E. analfabeet is en dat om</para>
      <para>die reden de opdrachtbevestiging van 28 november 1991 op</para>
      <para>naam van zijn zoon is gezet. Voorts is aangevoerd dat de</para>
      <para>Mercedes 280 SL aan E. toebehoorde en dat deze</para>
      <para>auto mede is gebruikt voor de betaling van de thans in</para>
      <para>geding zijnde Mercedes. Met betrekking tot de reden dat</para>
      <para>het kenteken van deze auto niet op naam van E. is</para>
      <para>geregistreerd, is blijkens het proces-verbaal van de</para>
      <para>zitting bij gedaagde d.d. 24 januari 1996 aangevoerd dat</para>
      <para>E. in de praktijk nogal eens wordt aangehouden als</para>
      <para>hij in een dergelijke auto rijdt en het zou voor de</para>
      <para>politie gemakkelijker zijn te accepteren wanneer hij kan</para>
      <para>verklaren dat die auto aan een ander toebehoort. Voorts</para>
      <para>is gesteld dat het overschrijven van de verzekering van</para>
      <para>de aan A. behorende Peugeot op de Mercedes Benz</para>
      <para>goedkoper was nu de premie voor die verzekering eerst</para>
      <para>recentelijk was betaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad zijn de hierboven</para>
      <para>weergegeven, door appellanten gestelde en overigens in</para>
      <para>hoofdzaak niet verder onderbouwde omstandigheden niet</para>
      <para>zodanig van aard dat hiermee het vermoeden is weerlegd</para>
      <para>dat de betreffende auto ten tijde hier in geding een</para>
      <para>bestanddeel van hun vermogen in de hiervoor bedoelde zin</para>
      <para>vormde. Zo is het niet kunnen lezen en schrijven door</para>
      <para>E. op zich nog geen omstandigheid die met zich brengt</para>
      <para>dat de opdrachtbevestiging op naam van appellant C.</para>
      <para>zou moeten komen te staan. Dat het kenteken van de auto</para>
      <para>op naam van X. en niet op naam van E. moest</para>
      <para>worden gesteld in verband met mogelijke problemen bij</para>
      <para>aanhouding door de politie komt de Raad onaannemelijk</para>
      <para>voor nu E. tevoren eveneens in een auto van het</para>
      <para>merk Mercedes reed waarvan het kenteken wel op zijn naam</para>
      <para>stond geregistreerd en waar het door hem gestelde</para>
      <para>probleem zich blijkbaar niet voordeed. Bovendien wordt</para>
      <para>hiermee in het geheel niet verklaard dat de aankoopnota</para>
      <para>van 12 maart 1992 op naam van A. staat en het ook</para>
      <para>A. was die de verklaring van 17 maart 1992, waarmee</para>
      <para>zij de volledige verantwoordelijkheid voor de auto op</para>
      <para>zich nam, heeft ondertekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tenslotte is nog betoogd dat de in geding zijnde auto</para>
      <para>eind januari 1993 is verkocht voor f 64.000,-- en dat de</para>
      <para>volledige opbrengst van de verkoop door E. is</para>
      <para>ontvangen en behouden. Tot de gedingstukken behoort</para>
      <para>slechts een vrijwaringsbewijs afgegeven op 27 januari</para>
      <para>1993 door Autobedrijf W. te V. en betrekking</para>
      <para>hebbend op het voertuig met het kenteken (...). Op</para>
      <para>geen enkele wijze is aangetoond dat het E. was die</para>
      <para>de auto heeft verkocht en dat deze de beweerde opbrengst</para>
      <para>van f 64.000,-- zelf heeft behouden. Een kwitantie dan</para>
      <para>wel enig ander bewijs van betaling is niet overgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen overigens van de zijde van appellanten nog is</para>
      <para>aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande brengt met zich dat de door appellanten</para>
      <para>ingestelde beroepen niet kunnen slagen en dat de beroepen</para>
      <para>ongegrond dienen te worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan</para>
      <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr Th.C. van Sloten</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van M.M. Hoogendam als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 mei 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para>(get.) M.M. Hoogendam.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>