<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6873</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:40:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6873</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-03-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/4954 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 182</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1997, 83</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6873">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6873</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2004-02-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6873 Centrale Raad van Beroep , 25-03-1997 / 96/4954 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6873:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Betrokkene is bestuurslid en als enige werkzaam in een stichting; de winst van de stichting wordt</para>
        <para> als loon aan hem uitbetaald.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6873:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/4954 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>P.H.M. van de Kletersteeg, wonende te Groningen,</para>
      <para>appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Groningen, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op in het beroepschrift aangevoerde</para>
      <para>gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Groningen onder dagtekening 3</para>
      <para>mei 1996 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde is bij wijze van verweer volstaan met een</para>
      <para>verwijzing naar het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben desgevraagd aan de Raad nog enige stukken</para>
      <para>toegezonden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 11 februari 1997,</para>
      <para>waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich</para>
      <para>heeft laten vertegenwoordigen door mr K.D. van Loo,</para>
      <para>werkzaam bij de gemeente Groningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in</para>
      <para>werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde</para>
      <para>geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de</para>
      <para>daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde</para>
      <para>als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren op 3 augustus 1946, ontving met ingang</para>
      <para>van 15 september 1985 -met een korte onderbreking wegens</para>
      <para>werkaanvaarding- een uitkering ingevolge de</para>
      <para>Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 25 april 1986 heeft appellant de stichting Yogi</para>
      <para>(hierna: de stichting) in het leven geroepen, die ten</para>
      <para>doel heeft het (doen) verrichten van werkzaamheden en</para>
      <para>reparaties in de sector van de metaalnijverheid en</para>
      <para>installatietechniek, het (doen) ontwikkelen van kleine</para>
      <para>werktuigen, het (doen) kopen en/of verkopen, het (doen)</para>
      <para>importeren en/of exporteren van gereedschappen,</para>
      <para>werktuigen en/of machines, alles in de ruimste zin van</para>
      <para>het woord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op 6 januari 1992 een aanvraag ingediend</para>
      <para>om een uitkering ingevolge het Bijstandsbesluit</para>
      <para>zelfstandigen (BZ). Gedaagde heeft per 1 mei 1992</para>
      <para>appellants uitkering ingevolge de RWW beëindigd en per</para>
      <para>die datum aan appellant een lening ingevolge het BZ</para>
      <para>verleend tot een bedrag van f 40.000,-- alsmede een</para>
      <para>uitkering ter voorziening in de algemeen noodzakelijke</para>
      <para>kosten van het bestaan. Laatstgenoemde uitkering is</para>
      <para>beëindigd per 14 maart 1993 onder meer op de grond dat</para>
      <para>appellant niet aan de aan de uitkering verbonden</para>
      <para>voorwaarde heeft voldaan om de stichting om te zetten in</para>
      <para>een eenmanszaak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 juli 1993 heeft appellant de onderhavige aanvraag</para>
      <para>ingediend om een uitkering ingevolge de RWW. Als reden</para>
      <para>voor die aanvraag heeft appellant vermeld dat de</para>
      <para>stichting in de periode van 1 augustus 1993 tot medio</para>
      <para>september 1993 geen omzet heeft waardoor hij als</para>
      <para>werknemer van de stichting geen loon ontvangt. Aangezien</para>
      <para>hij geen aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de</para>
      <para>Werkloosheidswet -wegens het ontbreken van een</para>
      <para>gezagsverhouding tussen appellant en de stichting- was</para>
      <para>appellant van mening dat hij gedurende genoemde periode</para>
      <para>recht heeft op een uitkering ingevolge de RWW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij besluit van 11 augustus 1993 de</para>
      <para>aanvraag van appellant afgewezen. Daarbij is onder meer</para>
      <para>overwogen dat appellant niet kan worden aangemerkt als</para>
      <para>een werkloze werknemer in de zin van de RWW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Beslissende op het tegen dat besluit gemaakte bezwaar</para>
      <para>heeft gedaagde bij het bestreden besluit van 22 maart</para>
      <para>1994 de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Groningen heeft het beroep</para>
      <para>tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak</para>
      <para>van 3 mei 1996 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant betwist dat hij niet kan</para>
      <para>worden aangemerkt als werkloze werknemer in de zin van de</para>
      <para>RWW. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat hij ten tijde</para>
      <para>als hier van belang werknemer was van de toenmalige</para>
      <para>stichting, dat hij werkloos was en dat hij volledig</para>
      <para>beschikbaar was voor de arbeidsmarkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geschil betreft de vraag of appellant in de periode</para>
      <para>als hier van belang kon worden beschouwd als een werkloze</para>
      <para>werknemer in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van</para>
      <para>de RWW.</para>
      <para>Ingevolge genoemd artikel wordt onder werkloze werknemer</para>
      <para>verstaan de persoon van 18 tot 65 jaar, die voor de</para>
      <para>voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking en aan wie voorwaarden worden gesteld</para>
      <para>welke strekken tot inschakeling in de arbeid in een</para>
      <para>dienstbetrekking van ten minste de helft van de geldende</para>
      <para>volledige arbeidstijd per week.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Blijkens de toelichting op de RWW dient voor een</para>
      <para>duidelijke afbakening van het begrip werkloze werknemer</para>
      <para>als criterium te gelden dat men in overwegende mate voor</para>
      <para>arbeid in dienstbetrekking beschikbaar is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beoordeling of sprake is van een werkloze werknemer</para>
      <para>dient plaats te vinden aan de hand van de zich in het</para>
      <para>concrete geval voordoende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>Hierbij dient onder meer te worden gelet op het</para>
      <para>tijdsbeslag van de werkzaamheden die de betrokkene al of</para>
      <para>niet in loondienst verricht, de al of niet gebondenheid</para>
      <para>van de betrokkene aan die werkzaamheden voor de toekomst,</para>
      <para>de intentie van de betrokkene en zijn houding tegenover</para>
      <para>de inschakeling in arbeid in loondienst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt in dit verband allereerst vast dat</para>
      <para>appellant ten tijde van de aanvraag voorzitter,</para>
      <para>secretaris en penningmeester van de stichting was. Verder</para>
      <para>stelt de Raad vast dat appellant als enige werkzaam was</para>
      <para>ten behoeve van de stichting en dat de winst van de</para>
      <para>stichting als loon aan hem werd uitbetaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad diende appellant op grond</para>
      <para>van die feiten en omstandigheden in ieder geval ten tijde</para>
      <para>van de aanvraag voor de toepassing van de ABW c.a. te</para>
      <para>worden aangemerkt als een zelfstandige werkzaam in een</para>
      <para>één-persoonsbedrijf. Weliswaar heeft appellant aangevoerd</para>
      <para>dat hij niet als zelfstandige kan worden aangemerkt omdat</para>
      <para>hij als werknemer in dienst was van de stichting, maar</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad is niet zozeer de juridische</para>
      <para>constructie bepalend, als wel de mate waarin de situatie</para>
      <para>in economisch opzicht overeenkomt met die behorend bij</para>
      <para>een één-persoonsbedrijf. Van belang hierbij is de mate</para>
      <para>waarin is voldaan aan de kenmerken van de zelfstandige</para>
      <para>zoals het werkzaam zijn in een eigen bedrijf of beroep,</para>
      <para>de inbreng van vermogen in dat bedrijf of beroep en de</para>
      <para>beheers- en bestuursbevoegdheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder stelt de Raad vast dat appellant ten tijde als</para>
      <para>hier van belang niet stond ingeschreven als werkzoekende</para>
      <para>bij het arbeidsbureau en evenmin stond ingeschreven bij</para>
      <para>uitzendbureaus. Ook heeft appellant geen bewijzen</para>
      <para>overgelegd van sollicitaties naar arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking. Ten slotte stelt de Raad vast dat</para>
      <para>appellant niet de intentie had om door arbeid in</para>
      <para>dienstbetrekking in de noodzakelijke kosten van het</para>
      <para>bestaan te voorzien. Daarbij heeft de Raad in aanmerking</para>
      <para>genomen dat appellant de uitkering slechts heeft gevraagd</para>
      <para>ter overbrugging van de periode gedurende welke hij met</para>
      <para>zijn zelfstandige activiteiten geen inkomsten zou</para>
      <para>verwerven en dat hij in bezwaar nadrukkelijk te kennen</para>
      <para>heeft gegeven genoemde activiteiten niet te willen</para>
      <para>beëindigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de Raad is appellant op grond van</para>
      <para>genoemde feiten en omstandigheden terecht niet aangemerkt</para>
      <para>als werkloze werknemer in de zin van artikel 1 van de</para>
      <para>RWW.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing</para>
      <para>te geven aan artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien wordt beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr C.G. Kasdorp als voorzitter en</para>
      <para>mr G.A.J. van den Hurk en mr J.M.A. van der Kolk-</para>
      <para>Severijns, in tegenwoordigheid van A.H. Berends als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 maart</para>
      <para>1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) C.G. Kasdorp.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>