<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T17:18:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6868</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL3527</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-03-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/2946 ZFW;96/2947 AWBZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005283&amp;artikel=19&amp;g=1997-03-14">Besluit zorgaanspraken bijzondere ziektekostenverzekering 19</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002520&amp;artikel=3&amp;g=1997-03-14">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002520&amp;artikel=3&amp;g=1997-03-14">Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 190</rdf:li>
          <rdf:li>RZA 1997, 98</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1997/98 met annotatie van J.P.M. van Zijl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-07-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868 Centrale Raad van Beroep , 14-03-1997 / 96/2946 ZFW;96/2947 AWBZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6868:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>96/2946 ZFW</para>
      <para>96/2947 AWBZ</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>A., wonende te B., appellant,</para>
      <para>wettelijk vertegenwoordigd door C., eveneens wonende te B.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onderlinge Waarborgmaatschappij OZ Zorgverzekeringen</para>
      <para>U.A., als rechtsopvolger van Zorgverzekeraar AZWZ/ZHE, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 10 augustus 1993 heeft Zorgverzekeraar</para>
      <para>AZWZ/ZHE, de rechtsvoorganger van gedaagde, geweigerd de</para>
      <para>kosten c.q. een gedeelte van de kosten van de BIBIC-therapie</para>
      <para>(Britisch Institute for Brain Injured Children)</para>
      <para>in Engeland, ten behoeve van appellant, ten laste van de</para>
      <para>Ziekenfondswet (ZFW) dan wel van de Algemene Wet</para>
      <para>Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) te brengen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Commissie voor beroepszaken van de Ziekenfondsraad</para>
      <para>heeft bij advies van 29 maart 1994 aan de gemachtigde van</para>
      <para>appellant te kennen gegeven dat zij het resultaat van</para>
      <para>evenvermeld besluit volledig juist acht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft het tegen dat</para>
      <para>besluit van 10 augustus 1993 ingestelde beroep bij</para>
      <para>uitspraak van 30 januari 1996 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant is mr J.M.M. Verstrepen, advocaat te</para>
      <para>Oosterhout, van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In</para>
      <para>een aanvullend beroepschrift, met bijlagen, zijn de</para>
      <para>gronden uiteengezet waarop het hoger beroep berust.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 5 augustus 1996 heeft gedaagde een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter</para>
      <para>zitting van de Raad op 31 januari 1997, waar partijen</para>
      <para>- zoals tevoren aangekondigd - niet zijn verschenen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet</para>
      <para>bestuursrecht (Awb) in werking getreden en is de</para>
      <para>Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke</para>
      <para>regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het</para>
      <para>onderhavige beroep moet worden beslist met toepassing van</para>
      <para>het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994,</para>
      <para>behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van</para>
      <para>proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak weergegeven</para>
      <para>feiten vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij de</para>
      <para>beoordeling van dit geding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank, die het bestreden besluit in stand heeft</para>
      <para>gelaten, is tot de conclusie gekomen dat de BIBIC-therapie</para>
      <para>geen verstrekking is in de zin van de ZFW en</para>
      <para>evenmin een zorgaanspraak als bedoeld in de AWBZ. Daartoe</para>
      <para>heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"Ingevolge het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van</para>
      <para>de ZFW hebben verzekerden aanspraak op</para>
      <para>verstrekkingen ter voorziening in hun geneeskundige</para>
      <para>verzorging, voor zover met betrekking tot die zorg</para>
      <para>geen aanspraak bestaat ingevolge de AWBZ.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van</para>
      <para>de AWBZ hebben verzekerden aanspraak op zorg ter</para>
      <para>voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun</para>
      <para>geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging.</para>
      <para>De ZFW en de AWBZ regelen zelf niet de inhoud en de</para>
      <para>omvang van de prestaties. De wetten bepalen slechts</para>
      <para>dat al deze onderwerpen bij of krachtens algemene</para>
      <para>maatregel van bestuur worden geregeld. De voor de</para>
      <para>verstrekkingen belangrijkste regelingen zijn het</para>
      <para>Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering</para>
      <para>(Koninklijk Besluit van 4 januari 1966, Staatsblad</para>
      <para>1966, nummer 3) en het Besluit zorgaanspraken</para>
      <para>bijzondere ziektekostenverzekering (Koninklijk</para>
      <para>Besluit van 20 november 1991, Staatsblad 1991, nummer 590).</para>
      <para>Tussen partijen is niet in geding dat de BIBIC-therapie</para>
      <para>niet behoort tot het verstrekkingenpakket</para>
      <para>van de ZFW zoals verwoord in artikel 2 van het</para>
      <para>Verstrekkingenbesluit ziekenfondsverzekering.</para>
      <para>Evenmin is in geschil dat de BIBIC-therapie niet</para>
      <para>wordt genoemd in het Besluit zorgaanspraken</para>
      <para>bijzondere ziektekostenverzekering.</para>
      <para>In zijn brief van 7 mei 1993 aan verweerder heeft de</para>
      <para>gemachtigde van eiser gewezen op artikel 3 van het</para>
      <para>Verstrekkingenbesluit Ziekenfondsverzekering.</para>
      <para>Ingevolge het bepaalde in artikel 3, onder a en b,</para>
      <para>van het Verstrekkingenbesluit kan een verzekerde</para>
      <para>aanspraak maken op genees- en heelkundige hulp door</para>
      <para>een huisarts of specialist, die wat de omvang</para>
      <para>betreft bepaald wordt door "hetgeen in de kring van</para>
      <para>beroepsgenoten gebruikelijk is."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor het antwoord op de vraag of een bepaalde behandeling</para>
      <para>aan het "gebruikelijkheidscriterium" voldoet, is, naar de</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep meerdere malen heeft overwogen,</para>
      <para>niet van belang dat de verzekerde stelt dat hij en vele</para>
      <para>anderen menen daarbij baat te hebben ondervonden. Een</para>
      <para>behandeling is gebruikelijk indien deze een naar de stand</para>
      <para>van de medische wetenschap en praktijk in Nederland</para>
      <para>adequate behandeling is.</para>
      <para>Voor wat betreft de BIBIC-therapie kan naar het oordeel</para>
      <para>van de rechtbank niet worden gesproken van een</para>
      <para>behandeling die gebruikelijk is. Evenmin kan worden</para>
      <para>gezegd dat er sprake is van revalidatiezorg volgens de</para>
      <para>algemeen aanvaarde standaard, zoals verwoord in artikel</para>
      <para>19 van het Besluit zorgaanspraken bijzondere</para>
      <para>ziektekostenverzekering. De rechtbank neemt hierbij in</para>
      <para>acht de brief van drs C. van Lintel, adviserend</para>
      <para>geneeskundige van verweerder, gedateeerd 23 februari 1995</para>
      <para>(gedingstuk A29) waarin hij de rechtbank schrijft:</para>
      <para>"Aangezien de BIBIC-therapie binnen de beroepsgroep</para>
      <para>in Nederland niet gezien wordt als een therapievorm</para>
      <para>waarvan de waarde wetenschappelijk is aangetoond, is</para>
      <para>het om die reden ook niet in het</para>
      <para>verstrekkingenpakket opgenomen. Van belang is nog</para>
      <para>te vermelden dat het British Institute for Brain</para>
      <para>Injured Children (BIBIC) geen door de Engelse</para>
      <para>overheid erkend instituut is en haar behandelwijze</para>
      <para>ook niet door de National Health Service vergoed wordt."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan zich geheel verenigen met het hierboven</para>
      <para>(gedeeltelijk) weergegeven oordeel van de rechtbank. Voor</para>
      <para>de juistheid van dat oordeel, en derhalve van het</para>
      <para>bestreden besluit, heeft de Raad voorts steun gevonden in</para>
      <para>een tweetal publicaties over de BIBIC-therapie (in 1993</para>
      <para>en 1995), in een brief d.d. 21 maart 1995 van prof</para>
      <para>dr A. Vermeer, in een door studenten van de Hogeschool</para>
      <para>Nijmegen in 1994 gemaakte scriptie over de BIBIC-therapie</para>
      <para>(Onbekend maakt onbemind; Doman of NDT, een</para>
      <para>controversiële keuze), alsmede in hetgeen de medisch</para>
      <para>adviseur van gedaagde ter zitting van de rechtbank heeft verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd en met (medische)</para>
      <para>verklaringen toegelicht, heeft de Raad niet tot een ander</para>
      <para>oordeel kunnen leiden.</para>
      <para>Weliswaar blijkt uit een aantal van die overgelegde</para>
      <para>verklaringen dat appellant baat heeft bij de BIBIC-therapie,</para>
      <para>doch daarmee is, gelet op het vorenstaande, nog</para>
      <para>niet voldaan aan het criterium  dat die therapie "in de</para>
      <para>kring van de beroepsgenoten (in Nederland) gebruikelijk is".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak</para>
      <para>bevestigd dient te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskosten</para>
      <para>veroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene</para>
      <para>wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter en</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr Ch.J.G. Olde Kalter als leden,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning</para>
      <para>als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 maart 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) S.A.M. Schoenmaker-Zehenpfenning.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>