<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6843</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-18T12:45:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6843</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AH6477</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AL3457</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/4674 AAW/WAO,  95/4677 AAW/WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:64&amp;g=1997-03-07">Algemene wet bestuursrecht 8:64</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:83&amp;g=1997-03-07">Algemene wet bestuursrecht 8:83</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=18&amp;g=1997-03-07">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6843">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6843</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-18T12:42:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6843 Centrale Raad van Beroep , 07-03-1997 / 95/4674 AAW/WAO,  95/4677 AAW/WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6843:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Criterium terugwijzing in geval dat Rb. in strijd met 8:64.5 Awb zonde toestemming van partijen nadere zitting achterwege heeft gelaten. Geen incidenteel appèl mogelijk op grond van Awb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6843:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>95/4674 en 4677 AAW/WAO</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in de gedingen tussen:</para>
  <para />
  <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale</para>
    <para>verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de</para>
    <para>Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997</para>
    <para>treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen</para>
    <para>(Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging.</para>
    <para>In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats</para>
    <para>getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en</para>
    <para>Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In</para>
    <para>deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het</para>
    <para>bestuur van deze bedrijfsvereniging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 7 oktober 1994 heeft appellant, onder</para>
    <para>overweging dat de door gedaagde ontvangen inkomsten uit</para>
    <para>arbeid zodanig waren gestegen dat dit gevolgen had voor</para>
    <para>haar naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot</para>
    <para>55% berekende uitkeringen ingevolge de Algemene</para>
    <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), onder toepassing</para>
    <para>van artikel 34 (oud) van de AAW en artikel 45 (oud) van</para>
    <para>de WAO, ingaande 1 januari 1992 een korting toegepast op</para>
    <para>gedaagdes uitkeringen krachtens die wetten, aldus dat die</para>
    <para>uitkeringen met ingang van genoemde datum niet langer tot</para>
    <para>uitbetaling kwamen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 10 oktober 1994 heeft appellant de</para>
    <para>uitkering van gedaagde ingevolge de AAW ingaande 1 mei</para>
    <para>1993 ingetrokken en haar uitkering ingevolge de WAO met</para>
    <para>ingang van dezelfde datum herzien en nader vastgesteld</para>
    <para>naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens zowel gedaagde als haar werkgeefster X.  B.V. (hierna: X. B.V.) is</para>
    <para>tegen die besluiten beroep ingesteld, waarbij tevens, met</para>
    <para>betrekking tot beide bestreden besluiten, is verzocht een</para>
    <para>voorlopige voorziening te treffen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 5 juni 1995 heeft de President van de</para>
    <para>Arrondissementsrechtbank te Arnhem met toepassing van</para>
    <para>artikel 8:86, eerste lid van de Algemene wet</para>
    <para>bestuursrecht (Awb) onmiddellijk uitspraak gedaan in de</para>
    <para>hoofdzaak. Daarbij is X. B.V. niet-ontvankelijk</para>
    <para>verklaard in haar beroepen, terwijl de beroepen van</para>
    <para>gedaagde gegrond werden verklaard, onder vernietiging van</para>
    <para>beide bestreden besluiten. Ten slotte werden de verzoeken</para>
    <para>tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vanwege appellant is tegen die uitspraak hoger beroep</para>
    <para>ingesteld, in zoverre daarbij de besluiten van 7 oktober</para>
    <para>1994 en 10 oktober 1994 zijn vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Appellant heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Namens gedaagde heeft mr P.H.M. Essink, advocaat te</para>
    <para>Nijmegen, een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij schrijven van 5 november 1996 - met bijlage - heeft</para>
    <para>appellant vragen van de Raad beantwoord.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op</para>
    <para>24 januari 1997, waar appellant zich heeft doen</para>
    <para>vertegenwoordigen door mr L.B.F.M. Hellwig, werkzaam bij</para>
    <para>Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde in persoon is</para>
    <para>verschenen, bijgestaan door mr Essink, voornoemd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad ziet in de eerste plaats aanleiding te</para>
    <para>onderzoeken of de aangevallen uitspraak op juiste wijze</para>
    <para>tot stand is gekomen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Onder de gedingstukken bevindt zich een beslissing van</para>
    <para>14 maart 1995 van de President van de rechtbank,</para>
    <para>inhoudende dat het onderzoek met betrekking tot het</para>
    <para>verzoek een voorlopige voorziening te treffen, ter</para>
    <para>zitting van 14 maart 1995 is geschorst, teneinde</para>
    <para>appellant in de gelegenheid te stellen vóór 1 mei 1995</para>
    <para>tot een nadere standpuntbepaling te komen met betrekking</para>
    <para>tot het geschil.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vervolgens heeft de President van de rechtbank de</para>
    <para>aangevallen uitspraak gedaan, in voege als in rubriek I aangegeven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De President van de rechtbank heeft met toepassing van</para>
    <para>artikel 8:64, eerste lid van de Awb - welk artikel</para>
    <para>ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 8:83</para>
    <para>van de Awb van overeenkomstige toepassing is in</para>
    <para>procedures inzake voorlopige voorzieningen - het onderzoek</para>
    <para>geschorst. Ingevolge artikel 8:64, derde lid van de Awb</para>
    <para>wordt na een schorsing een zaak op een nadere zitting</para>
    <para>hervat in de stand waarin zij zich bevond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ingevolge artikel 8:64, vijfde lid van de Awb kan de</para>
    <para>rechtbank bepalen dat de nadere zitting achterwege</para>
    <para>blijft. Voorwaarde voor de uitoefening van die</para>
    <para>bevoegdheid is dat partijen hiervoor toestemming hebben</para>
    <para>gegeven. Van een dergelijke toestemming is in het</para>
    <para>onderhavige geval niet gebleken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De President van de rechtbank heeft dusdoende de</para>
    <para>aangevallen uitspraak gedaan in strijd met artikel 8:64</para>
    <para>van de Awb, in verband waarmee die uitspraak, in zoverre</para>
    <para>in hoger beroep aangevochten, niet in stand kan blijven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad heeft zich vervolgens beraden op de vraag of de</para>
    <para>zaak al dan niet moet worden teruggewezen naar de</para>
    <para>rechtbank te Arnhem. De Raad beantwoordt die vraag</para>
    <para>ontkennend, nu nader onderzoek in de zaak niet</para>
    <para>noodzakelijk is en van de zijde van gedaagde om een</para>
    <para>dergelijke terugwijzing niet is verzocht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Alvorens toe te komen aan een beoordeling van de partijen</para>
    <para>verdeeld houdende geschilpunten, overweegt de Raad voorts</para>
    <para>nog het volgende.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij het namens gedaagde ingediende verweerschrift is</para>
    <para>onder meer, onder de noemer van incidenteel appel, naar</para>
    <para>voren gebracht dat de President van de rechtbank X. B.V.</para>
    <para>ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in de</para>
    <para>namens haar ingestelde beroepen. Ter zitting heeft</para>
    <para>gedaagdes gemachtigde verklaard dat hij ook als</para>
    <para>gemachtigde van X. B.V. optreedt, en dat genoemd</para>
    <para>incidenteel appel, anders dan uit het verweerschrift</para>
    <para>blijkt, geacht moet worden namens X. B.V. naar voren te</para>
    <para>zijn gebracht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad stelt vast dat namens X. B.V. geen hoger beroep</para>
    <para>is ingesteld tegen het betreffende onderdeel van de</para>
    <para>uitspraak waarbij X. B.V. in de namens haar ingestelde</para>
    <para>beroepen niet ontvankelijk is verklaard. Nu de Awb niet</para>
    <para>voorziet in de mogelijkheid van incidenteel appel als</para>
    <para>voorgestaan door voornoemde gemachtigde, komt de Raad aan</para>
    <para>een bespreking van die grief niet toe.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of</para>
    <para>appellants besluiten van 7 oktober 1994 en 10 oktober</para>
    <para>1994 in rechte stand kunnen houden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad overweegt dienaangaande als volgt.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Blijkens de ter beschikking staande gegevens is gedaagde</para>
    <para>op 15 februari 1982 bij X. B.V. in dienst getreden als</para>
    <para>administratief medewerkster. Op 18 september 1986 viel</para>
    <para>zij uit wegens pijnklachten aan nek en linker bovenarm.</para>
    <para>Met ingang van 6 oktober 1986 hervatte zij haar</para>
    <para>werkzaamheden voor halve dagen. Nadat zij over de</para>
    <para>daarvoor geldende maximum termijn een uitkering ingevolge</para>
    <para>de Ziektewet (ZW) had ontvangen, werd gedaagde met ingang</para>
    <para>van 19 september 1987 in aanmerking gebracht voor</para>
    <para>uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een</para>
    <para>mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar aanleiding van een door gedaagde op 7 juni 1990</para>
    <para>ingevuld inlichtingenformulier AAW/WAO werd door de</para>
    <para>Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) een onderzoek</para>
    <para>ingesteld. Hieruit kwam naar voren dat gedaagde bij haar</para>
    <para>werkgeefster met ingang van 1 januari 1990 werkzaamheden</para>
    <para>als directie-secretaresse had aanvaard, in verband</para>
    <para>waarmee haar salaris ingaande die datum was verhoogd van</para>
    <para>f 1.842,10 naar f 2.292,10 per maand. Aangezien gedaagde</para>
    <para>onverminderd voor maximaal halve dagen belastbaar werd</para>
    <para>geacht, werd de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse</para>
    <para>45 tot 55% ongewijzigd gehandhaafd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Nadat uit een zogeheten informatieformulier bij samenloop</para>
    <para>AAW/WAO-ZW d.d. 18 februari 1993 was gebleken dat</para>
    <para>gedaagdes verdiensten f 5.460,- per maand bedroegen, werd</para>
    <para>wederom een GMD-onderzoek ingesteld, waaruit naar voren</para>
    <para>kwam dat gedaagde inmiddels - vanaf 1 januari 1992 -</para>
    <para>gedurende 3 tot 6 uur per dag werkzaam was als hoofd</para>
    <para>staf, een coördinerende/leidinggevende functie. Haar</para>
    <para>salaris was in verband hiermee in 1992 vastgesteld op</para>
    <para>f 4.750,- per maand, en in 1993 op f 5.460,- per maand.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Conform GMD-advies heeft appellant bij besluit van 10 mei</para>
    <para>1993 ingaande 1 januari 1992 de uitbetaling van gedaagdes</para>
    <para>uitkeringen onder toepassing van artikel 34 (oud) van de</para>
    <para>AAW en artikel 45 (oud) van de WAO op nihil gesteld,</para>
    <para>alsmede, bij besluit van 11 mei 1993, gedaagdes</para>
    <para>uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 1</para>
    <para>mei 1993 ingetrokken, onder overweging dat de mate van</para>
    <para>haar arbeidsongeschiktheid per die datum minder bedroeg</para>
    <para>dan 15%.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij uitspraak van 24 maart 1994 heeft de rechtbank te</para>
    <para>Arnhem de tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond</para>
    <para>verklaard, en die besluiten vernietigd. Daarbij overwoog</para>
    <para>de rechtbank het voorshands niet aannemelijk te achten</para>
    <para>dat de bedragen die gedaagde sedert 1 januari 1992 van</para>
    <para>haar werkgeefster ontving - zij kreeg, ondanks dat zij</para>
    <para>minder uren werkte, dezelfde beloning als de overige</para>
    <para>leden van het managementteam waarvan zij deel</para>
    <para>uitmaakte - in hun geheel kunnen worden beschouwd als</para>
    <para>contra-prestatie voor de door haar verrichte arbeid, en</para>
    <para>dat de veronderstelling is gewettigd dat de</para>
    <para>werkgeefster - uit sociale overwegingen - gedaagdes</para>
    <para>uitkeringen en loon heeft willen aanvullen tot het</para>
    <para>salarisniveau van voltijds werkend lid van het managementteam.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellant, in het</para>
    <para>kader van een - eventuele - nadere beoordeling van</para>
    <para>gedaagdes aanspraken per 1 januari 1992, de vraag zal</para>
    <para>dienen te beantwoorden of zich in het geval van gedaagde</para>
    <para>de situatie voordoet dat de door haar tot 1 januari 1992</para>
    <para>vervulde functie sedertdien een zodanige ontwikkeling</para>
    <para>heeft doorgemaakt, dat uit dien hoofde dient te worden</para>
    <para>gesproken van een ontwikkeling van de maatvrouw.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft in die uitspraak berust en heeft de GMD</para>
    <para>verzocht nader van advies te dienen. De arbeidsdeskundige</para>
    <para>E.C.C. Blankesteijn is vervolgens, als aangegeven in het</para>
    <para>door hem opgestelde rapport van 7 september 1994, ervan</para>
    <para>uitgegaan dat de helft van het door gedaagde in 1992 en</para>
    <para>1993 ontvangen salaris, derhalve respectievelijk bedragen</para>
    <para>van f 2.375,- en f 2.730,-, als inkomen uit arbeid is te</para>
    <para>beschouwen. Voorts zag hij in de promoties van gedaagde</para>
    <para>geen aanleiding haar maatvrouw te wijzigen, zodat deze</para>
    <para>ongewijzigd diende te worden bepaald op de administratief</para>
    <para>medewerkster. Uitgaande van die maatvrouw en een</para>
    <para>resterende verdiencapaciteit van f 2.730,-, kwam hij tot</para>
    <para>het advies gedaagde ingaande 1 mei 1993 in te delen in de</para>
    <para>arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant heeft vervolgens, in overeenstemming met de</para>
    <para>hiervoor weergegeven benadering van de GMD, bij de</para>
    <para>bestreden besluiten van 7 oktober 1994 en 10 oktober 1994</para>
    <para>omtrent de uitbetaling van en het recht op uitkeringen</para>
    <para>van gedaagde beslist als aangegeven in rubriek I.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In de aangevallen uitspraak is overwogen dat het in casu</para>
    <para>in de rede ligt om aansluiting te zoeken bij de uitspraak</para>
    <para>van de Raad, gepubliceerd in RSV 1993/317, waarin de Raad</para>
    <para>een uitzondering aannam op de hoofdregel dat als maatman</para>
    <para>dient te worden aangemerkt degene die dezelfde arbeid</para>
    <para>verricht als de verzekerde vóór het ontstaan van de</para>
    <para>arbeidsongeschiktheid heeft verricht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aangenomen moet worden, aldus de President van de</para>
    <para>rechtbank, dat als gedaagde in verband met haar</para>
    <para>gezondheidstoestand niet 20 uur per week, maar in haar</para>
    <para>huidige functie 40 uur per week werkzaam was geweest,</para>
    <para>haar loon in de door haar thans uitgeoefende functie,</para>
    <para>evenals de aan de overige leden van het managementteam</para>
    <para>toegekende beloning, per 1 januari 1992 f 4.750,- en per</para>
    <para>1 januari 1993 f 5.460,- per maand zou hebben bedragen,</para>
    <para>waaruit volgt dat het loon van gedaagde een ontwikkeling</para>
    <para>heeft doorgemaakt als in voormelde uitspraak van de Raad bedoeld.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus uitgaande van een aanzienlijk hoger maatvrouwloon</para>
    <para>in 1992 en 1993, oordeelde de President dat ingaande</para>
    <para>1 januari 1992 geen sprake was van inkomsten die meer</para>
    <para>bedroegen dan evenredig was aan de bestaande mate van</para>
    <para>arbeidsgeschiktheid, in verband waarmee appellant ten</para>
    <para>onrechte toepassing heeft gegeven aan de</para>
    <para>kortingsartikelen, alsmede dat gedaagde vanaf 1 mei 1993</para>
    <para>ongewijzigd voor 45 tot 55% arbeidsongeschikt moet worden geacht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad ziet de door appellant tegen de in de aangevallen</para>
    <para>uitspraak gevolgde benadering aangevoerde grieven doel</para>
    <para>treffen. Ook naar het oordeel van de Raad kan de situatie</para>
    <para>van gedaagde niet op één lijn worden gesteld met de</para>
    <para>- specifieke - situatie zoals die zich voordeed in het door</para>
    <para>de Raad in evenvermelde uitspraak berechte geval.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar uit de gedingstukken naar voren komt en ook van de</para>
    <para>zijde van gedaagde ter zitting van de Raad is bevestigd,</para>
    <para>heeft het bedrijf waar gedaagde sedert 1982 werkzaam is,</para>
    <para>in de loop der jaren een aanzienlijke groei doorgemaakt,</para>
    <para>in verband waarmee in 1992 behoefte bestond aan</para>
    <para>uitbreiding van het leidinggevend kader. Aangezien</para>
    <para>gedaagde in de door haar tot dat moment beklede functie</para>
    <para>van directie-secretaresse kennelijk goed voldeed, en zij</para>
    <para>naar het oordeel van de werkgever voorts beschikte over</para>
    <para>de daarvoor benodigde kwaliteiten, werd zij per 1 januari</para>
    <para>1992 als hoofd staf opgenomen in het managementteam, met</para>
    <para>een daarbij behorende aanzienlijke salarisverhoging.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op deze gang van zaken vermag de Raad, anders dan</para>
    <para>de President van de rechtbank, niet in te zien dat in het</para>
    <para>geval van gedaagde - gelijk in RSV 1993/317 - sprake zou</para>
    <para>zijn van iemand die de van meet af aan beklede eigen</para>
    <para>functie in kwalitatief opzicht heeft uitgebreid en aldus</para>
    <para>voor de werkgever meer waard is geworden. De onderhavige</para>
    <para>salarisverhoging van gedaagde per 1 januari 1992 dient</para>
    <para>beschouwd te worden als de uitkomst van een reguliere</para>
    <para>promotie per die datum naar een andere functie, in welk</para>
    <para>geval voor het aannemen van een ontwikkeling van de</para>
    <para>maatvrouw als voorgestaan in de aangevallen uitspraak</para>
    <para>geen plaats is.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad voegt daaraan toe dat de aanvaarding door</para>
    <para>gedaagde van de functie hoofd staf evenmin in verband kan</para>
    <para>worden gebracht met het verwerven van nieuwe bekwaamheden</para>
    <para>als bedoeld in artikel 12, lid 2 van de AAW en</para>
    <para>artikel 21, lid 2 (oud) van de WAO, zodat ook die - namens</para>
    <para>gedaagde bepleite - weg niet kan leiden tot het door</para>
    <para>gedaagde voorgestane resultaat.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ten slotte kan op de hiervoor met betrekking tot de (het)</para>
    <para>in aanmerking te nemen maatman(inkomen) weergegeven</para>
    <para>hoofdregel ook geen uitzondering worden aanvaard op grond</para>
    <para>van de zienswijze dat reeds ten tijde van het intreden</para>
    <para>van gedaagdes arbeidsongeschiktheid in 1986 met een</para>
    <para>redelijke mate van zekerheid kon worden aangenomen dat</para>
    <para>haar inkomen deze ontwikkeling zou hebben doorgemaakt als</para>
    <para>zij niet arbeidsongeschikt zou zijn geworden, daar de</para>
    <para>voorliggende gegevens geen enkel aanknopingspunt voor een</para>
    <para>dergelijke aanname bieden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Hetgeen de Raad hiervoor heeft overwogen in het kader van</para>
    <para>gedaagdes promotie van directie-secretaresse tot</para>
    <para>hoofd-staf in 1992, geldt in gelijke mate voor haar</para>
    <para>promotie in 1990 van administratief medewerkster tot</para>
    <para>directie-secretaresse.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad komt aldus tot de slotsom dat de</para>
    <para>arbeidsdeskundige van de GMD en - in navolging van deze -</para>
    <para>appellant de voor gedaagde in acht te nemen maatvrouw</para>
    <para>terecht heeft bepaald op de door haar voorafgaande aan</para>
    <para>het intreden van haar arbeidsongeschiktheid uitgeoefende</para>
    <para>functie van administratief medewerkster.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In het voorgaande ligt besloten dat de Raad gedaagde niet</para>
    <para>kan volgen in haar opvatting dat het onderzoek door de</para>
    <para>GMD en appellant naar de in casu in acht te nemen</para>
    <para>maatvrouwfunctie onvoldoende (zorgvuldig) is geweest en</para>
    <para>de beschikbare arbeidskundige gegevens, in het bijzonder</para>
    <para>in verband met het ontbreken van een nader onderzoek ter</para>
    <para>plaatse bij X. B.V., geen basis konden vormen voor een</para>
    <para>verantwoorde oordeelsvorming ter zake.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het bovenstaande kan evenwel niet leiden tot een bevestigende</para>
    <para>beantwoording van de hiervoor geformuleerde rechtsvraag.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad merkt hierbij op dat de gedingstukken uitwijzen</para>
    <para>dat appellant het op de data in geding, respectievelijk</para>
    <para>1 januari 1992 en 1 mei 1993, in acht te nemen</para>
    <para>maatvrouw-loon heeft bepaald door middel van indexering</para>
    <para>van het voor gedaagde vastgestelde dagloon, hetgeen, naar</para>
    <para>van de zijde van appellant ter zitting van de Raad werd</para>
    <para>bevestigd, niet als de juiste methode kan worden</para>
    <para>aangemerkt. Appellant had bij X. B.V. dienen na te gaan</para>
    <para>wat een administratief medewerkster als gedaagde op</para>
    <para>genoemde data in geding aldaar verdiende en dat bedrag</para>
    <para>c.q. die bedragen tot uitgangspunt dienen te nemen bij de</para>
    <para>vaststelling van het maatvrouwloon.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Al het vorenoverwogene leidt de Raad tot het oordeel dat</para>
    <para>de aangevallen uitspraak, in zoverre deze in hoger beroep</para>
    <para>is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
    <para>Datzelfde lot treft de beide bestreden besluiten.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75</para>
    <para>van de Awb appellant te veroordelen in de proceskosten</para>
    <para>van gedaagde in beroep en in hoger beroep. Deze kosten</para>
    <para>worden begroot op f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand</para>
    <para>in eerste aanleg, f 1.420,- voor verleende rechtsbijstand</para>
    <para>in hoger beroep, alsmede een bedrag groot f 31,17 aan</para>
    <para>reiskosten van gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het</para>
    <para>bepaalde in artikel 24 van de Beroepswet, dient het door</para>
    <para>gedaagde in eerste aanleg betaalde griffierecht door</para>
    <para>appellant te worden vergoed.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad beslist als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;</para>
    <para>Vernietigt de bestreden besluiten;</para>
    <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde, in</para>
    <para>eerste aanleg tot een bedrag groot f 1.420,- en in hoger</para>
    <para>beroep tot een bedrag groot f 1.451,17;</para>
    <para>Verstaat dat appellant aan gedaagde het in eerste aanleg</para>
    <para>betaalde griffierecht van f 100,- vergoedt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr J. Janssen als voorzitter en</para>
    <para>mr H. Bolt en mr J.W. Schuttel als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van B.C. Rog als griffier en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 7 maart 1997.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) J. Janssen.</para>
  <para />
  <para>(get.) B.C. Rog.</para>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>