<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6764</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:40:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6764</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/2358 ABW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=5&amp;g=1997-04-01">Algemene bijstandswet 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=5&amp;g=1997-04-01">Algemene bijstandswet 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=6&amp;g=1997-04-01">Algemene bijstandswet 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0007333&amp;artikel=6&amp;g=1997-04-01">Algemene bijstandswet 6</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:69&amp;g=1997-04-01">Algemene wet bestuursrecht 8:69</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JABW 1997, 85</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1997/94</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6764">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6764</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:50:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2008-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6764 Centrale Raad van Beroep , 01-04-1997 / 96/2358 ABW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6764:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De Rb. heeft beslist dat ged., ten tijde in geding 17 jr. oud, door huwelijk meerderjarig geworden,</para>
        <para>verlaten door echtgenoot en inwonend bij haar ouders niet voor zichzelf aanspraak kan maken</para>
        <para>op bijstand in verband met de onderhoudsplicht van haar ouders ten opzichte van haar.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6764:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/2358 ABW</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het College van burgemeester en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Hoorn, appellant,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden</para>
      <para>hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de</para>
      <para>Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 21 februari 1996,</para>
      <para>nummer ABW 1995/1011, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 17 juni 1996, nummer 96/2367 ABW-VV,</para>
      <para>heeft 's Raads president de werking van de uitspraak van</para>
      <para>de rechtbank geschorst totdat op het hoger beroep in de</para>
      <para>bodemprocedure zal zijn beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens gedaagde heeft mr R.T. Bocxe, advocaat te Hoorn,</para>
      <para>bij brief van 30 september 1996 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 25 februari 1997,</para>
      <para>waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
      <para>mr ing. F.A.J. Groenendijk, werkzaam bij de gemeente</para>
      <para>Hoorn, en waar gedaagde in persoon is verschenen,</para>
      <para>bijgestaan door haar gemachtigde mr Bocxe, voornoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet</para>
      <para>(ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de</para>
      <para>Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in</para>
      <para>werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde</para>
      <para>geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de</para>
      <para>daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde</para>
      <para>als hier van belang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is,</para>
      <para>voor zover hier van belang, het volgende gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde, geboren in 1977, heeft tot</para>
      <para>21 oktober 1996 bij haar ouders gewoond. Zij is op</para>
      <para>in november 1994 gehuwd met D., die korte tijd bij</para>
      <para>haar ouders heeft ingewoond en haar vervolgens op</para>
      <para>in november 1994 weer heeft verlaten.</para>
      <para>Gedaagde heeft appellant op 9 december 1994 om toekenning</para>
      <para>van een ABW-uitkering verzocht. Die aanvraag strekte</para>
      <para>ertoe dat in verband met de verlating door haar</para>
      <para>echtgenoot en met het oog op de kosten van het kind, dat</para>
      <para>zij verwachtte, bijstand zou worden toegekend.</para>
      <para>Appellant heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van</para>
      <para>19 januari 1995 op de grond dat de ouders van gedaagde</para>
      <para>onderhoudsplichtig zijn en dat niet is gebleken dat op</para>
      <para>grond van bijzondere omstandigheden bijstand dient te</para>
      <para>worden verleend met toepassing van artikel 6 van de ABW.</para>
      <para>In het tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is</para>
      <para>onder meer gewezen op het feit dat gedaagde voor de</para>
      <para>opvoeding en verzorging staat van haar kind C., dat</para>
      <para>op 15 februari 1995 is geboren, en dat zij niet over de</para>
      <para>middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het</para>
      <para>bestaan van zichzelf en in die van haar kind te voorzien.</para>
      <para>Appellant heeft het bezwaarschrift ongegrond verklaard</para>
      <para>bij besluit van 18 april 1995.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank</para>
      <para>gegrond verklaard op grond van de volgende overwegingen:</para>
      <para>"Artikel 1, eerste lid, ABW bepaalt dat aan iedere</para>
      <para>Nederlander, die hier te lande in zodanige</para>
      <para>omstandigheden verkeert of dreigt te geraken, dat</para>
      <para>hij niet over de middelen beschikt om in de</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien,</para>
      <para>bijstand wordt verleend door burgemeester en wethouders.</para>
      <para>Ingevolge artikel 5, eerste lid, ABW wordt bijstand</para>
      <para>als gezinsbijstand verleend aan echtelieden met hun</para>
      <para>minderjarige kinderen.</para>
      <para>Ingevolge het stelsel van de ABW en het</para>
      <para>Bijstandsbesluit landelijke normering (BLN) komt aan</para>
      <para>een minderjarige in beginsel geen zelfstandig recht</para>
      <para>op bijstand toe.</para>
      <para>Eiseres was ten tijde van het bestreden besluit</para>
      <para>17 jaar oud. Eiseres was inmiddels door haar</para>
      <para>huwelijk naar burgerlijk recht meerderjarig</para>
      <para>geworden. Naar het oordeel van de rechtbank leidt</para>
      <para>deze meerderjarigheid er echter niet toe dat eiseres</para>
      <para>een zelfstandig recht op bijstand verkrijgt.</para>
      <para>De rechtbank wijst hierbij op het bepaalde in</para>
      <para>artikel 5, derde lid, van de ABW in samenhang met</para>
      <para>artikel 395a van boek 1 BW waarin is bepaald dat</para>
      <para>ouders zijn gehouden tot het verstrekken van</para>
      <para>levensonderhoud van hun minderjarige kinderen die de</para>
      <para>leeftijd van een en twintig jaren nog niet hebben bereikt.</para>
      <para>Deze onderhoudsplicht vindt zijn beperking in de</para>
      <para>onderhoudsplicht van de echtgenoot of een vroegere</para>
      <para>echtgenoot van een meerderjarige, jonger dan een en twintig jaar.</para>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de</para>
      <para>(voormalige) echtgenoot van eiseres niet voor het</para>
      <para>levensonderhoud van eiseres kan zorgdragen. Derhalve</para>
      <para>zijn in het onderhavige geval eiseresses ouders</para>
      <para>onderhoudsplichtig voor eiseres en heeft eiseres</para>
      <para>geen zelfstandig recht op bijstand ingevolge de ABW.</para>
      <para>Ten tijde van het bestreden besluit was eiseres</para>
      <para>inmiddels bevallen van een dochter.</para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank doet ook deze</para>
      <para>omstandigheid, nu eiseres immers ook ten tijde van</para>
      <para>het bestreden besluit nog 17 jaar oud was, niet af</para>
      <para>aan de onderhoudsplicht van de ouders van eiseres</para>
      <para>jegens eiseres.</para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is in het</para>
      <para>onderhavige geval voorts geen ruimte voor het</para>
      <para>verlenen van een uitkering ingevolge de ABW met</para>
      <para>toepassing van artikel 6 van voornoemde wet, welk</para>
      <para>artikel bepaalt dat afgeweken kan worden van het</para>
      <para>bepaalde in artikel 5 van de ABW, indien zulks gelet</para>
      <para>op alle omstandigheden wenselijk is.</para>
      <para>Immers, betrokkene heeft voorafgaand aan, tijdens en</para>
      <para>na het huwelijk - voor zover hier van belang: tot het</para>
      <para>moment dat verweerder het bestreden besluit heeft</para>
      <para>genomen - bij haar ouders ingewoond. Er doet zich dan</para>
      <para>ook geen situatie voor waarin eiseres zelfstandig</para>
      <para>aan het maatschappelijk bestel deelneemt dan wel</para>
      <para>heeft deelgenomen. Voorts is - wat er zij van de</para>
      <para>stelling van eiseres dat eiseresses ouders te zeer</para>
      <para>begaan zijn met de opvoeding van eiseresses kind,</para>
      <para>welke stelling de rechtbank op zichzelf begrijpelijk</para>
      <para>acht, niet aannemelijk geworden dat eiseres, vanwege</para>
      <para>de relatie met haar ouders, in een crisissituatie is</para>
      <para>komen te verkeren.</para>
      <para>Derhalve kan niet worden aangenomen dat ten aanzien</para>
      <para>van eiseres afgeweken dient te worden van het</para>
      <para>bepaalde in artikel 5 van de ABW.</para>
      <para>Met het bovenstaande is echter nog niet de vraag</para>
      <para>beantwoord in hoeverre eiseres ten behoeve van haar</para>
      <para>dochter enig recht op een uitkering ingevolge de ABW heeft.</para>
      <para>Geen wettelijke bepaling voorziet in een</para>
      <para>onderhoudsplicht van eiseresses ouders ten behoeve</para>
      <para>van eiseresses dochter. Voorts stelt de rechtbank</para>
      <para>vast, dat - wat er zij van de vraag of eiseresses</para>
      <para>(voormalige) echtgenoot onderhoudsplichtig is ten</para>
      <para>opzichte van eiseresses dochter - eiseresses</para>
      <para>(voormalige) echtgenoot niet beschikt over middelen</para>
      <para>om in het levensonderhoud van eiseresses dochter te voorzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Derhalve moet worden aangenomen dat eiseres niet</para>
      <para>over de middelen beschikt om in de noodzakelijke</para>
      <para>kosten van het bestaan van haar dochter te voorzien.</para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank komt eiseres</para>
      <para>derhalve met ingang van 15 februari 1995 - zijnde de</para>
      <para>geboortedatum van eiseresses dochter - een uitkering</para>
      <para>ingevolge de ABW toe ten behoeve van het</para>
      <para>levensonderhoud van haar dochter. De op deze</para>
      <para>uitkering van toepassing zijnde norm wordt,</para>
      <para>ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder a,</para>
      <para>van het BLN in samenhang met artikel 5, eerste lid,</para>
      <para>aanhef en onder a van het BLN, gevormd door de norm</para>
      <para>welke wordt toegepast voor een één-oudergezin</para>
      <para>waarvan het hoofd jonger is dan 21 jaar, die op het</para>
      <para>adres van zijn ouders woont, te verminderen met de</para>
      <para>norm welke wordt toegepast voor een alleenstaande</para>
      <para>van 18 jaar die op het adres van zijn ouders woont.".</para>
      <para>Op grond van deze overwegingen is het bestreden besluit</para>
      <para>vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te</para>
      <para>nemen met inachtneming van het bepaalde in de uitspraak</para>
      <para>van de rechtbank. Voorts is appellant veroordeeld in de</para>
      <para>proceskosten van gedaagde en is bepaald dat de gemeente</para>
      <para>Hoorn de proceskosten en het betaalde griffierecht moet vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van partijen is alleen appellant in hoger beroep gekomen.</para>
      <para>Appellant stelt zich primair op het standpunt dat de</para>
      <para>rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat ten</para>
      <para>behoeve van gedaagdes dochter bijstand moet worden</para>
      <para>verleend. In dat verband is verwezen naar uitspraken van</para>
      <para>de Kroon, gepubliceerd in JABW 1987/243, en van de</para>
      <para>toenmalige Afdeling voor geschillen van bestuur van de</para>
      <para>Raad van State (hierna: AGRS), gepubliceerd in JABW 1991/30 en 281.</para>
      <para>Subsidiair is appellant van mening dat de door de</para>
      <para>rechtbank aangegeven norm voor de bepaling van de hoogte</para>
      <para>van de ten behoeve van gedaagdes dochter te verlenen</para>
      <para>bijstand niet juist is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het verweerschrift heeft gedaagde primair de Raad</para>
      <para>verzocht te beslissen dat gedaagde een zelfstandig recht</para>
      <para>op bijstand toekomt en subsidiair de Raad verzocht om de</para>
      <para>uitspraak van de rechtbank te bevestigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft beslist dat gedaagde ten tijde als</para>
      <para>hier van belang niet voor zichzelf aanspraak kon maken op</para>
      <para>een bijstandsuitkering. Gedaagde heeft tegen dit</para>
      <para>onderdeel van de uitspraak geen hoger beroep ingesteld.</para>
      <para>Dit brengt mee dat bij de oordeelsvorming in hoger beroep</para>
      <para>dit oordeel van de rechtbank als een in rechte vaststaand</para>
      <para>gegeven moet worden beschouwd en dat voorbijgegaan moet</para>
      <para>worden aan hetgeen van de zijde van gedaagde daaromtrent</para>
      <para>is aangevoerd. De omvang van het onderhavige hoger beroep</para>
      <para>is immers beperkt tot de door appellant aan de Raad</para>
      <para>voorgelegde vraag of en zo ja, tot welk bedrag, met</para>
      <para>ingang van 15 februari 1995 ten behoeve van gedaagdes</para>
      <para>dochter C. bijstand moet worden verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Met betrekking tot die vraag overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In artikel 5 van de ABW ligt het uitgangspunt besloten</para>
      <para>dat de bijstand als gezinsbijstand wordt verleend aan</para>
      <para>echtgenoten, aan ouders met hun minderjarige</para>
      <para>(stief)-kinderen alsmede met hun meerderjarige kinderen,</para>
      <para>ten aanzien van wie zij een onderhoudsplicht hebben als</para>
      <para>bedoeld in artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek</para>
      <para>(BW). Dit uitgangspunt brengt mee dat aan een</para>
      <para>minderjarige als gedaagdes dochter C. in beginsel</para>
      <para>geen zelfstandig recht op bijstand toekomt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 6 van de ABW biedt de mogelijkheid tot afwijking</para>
      <para>van artikel 5, indien zulks gelet op alle omstandigheden wenselijk is.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat er in het voorliggende geval</para>
      <para>aanleiding is om ten behoeve van C. aan artikel 6</para>
      <para>toepassing te geven. De Raad neemt daartoe in aanmerking</para>
      <para>dat gedaagde op grond van het bepaalde in het eerste lid</para>
      <para>van artikel 1:392 van het Burgerlijk Wetboek (BW)</para>
      <para>gehouden was tot het verstrekken van levensonderhoud aan</para>
      <para>C. maar niet over de middelen beschikte om hierin te voorzien.</para>
      <para>Voorts acht de Raad van belang dat van gedaagde</para>
      <para>redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij voor de</para>
      <para>kosten van levensonderhoud van C. een beroep deed op</para>
      <para>haar ouders, zoals in het standpunt van appellant</para>
      <para>besloten ligt. Deze ouders waren wel onderhoudsplichtig</para>
      <para>ten opzichte van gedaagde maar niet ten opzichte van C.</para>
      <para>Het beroep van appellant op de hiervoor vermelde</para>
      <para>uitspraken van de Kroon en de AGRS heeft de Raad niet tot</para>
      <para>een ander oordeel kunnen leiden. De Raad merkt daarbij op</para>
      <para>dat de in die zaken berechte gevallen onvoldoende</para>
      <para>vergelijkbaar zijn, omdat het in die gevallen niet, zoals</para>
      <para>in casu, ging om een aanvraag om bijstand van een</para>
      <para>jongmeerderjarige voor de bestaanskosten van haar</para>
      <para>minderjarige kind.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De primaire grief van appellant treft derhalve geen doel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De subsidiaire grief van appellant is in het</para>
      <para>beroepschrift onder meer als volgt toegelicht:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>"Ten onrechte stelt de Rechtbank dat ten behoeve van</para>
      <para>verweersters dochtertje bijstand moet worden</para>
      <para>verleend naar de norm van een bij de ouders wonende</para>
      <para>éénoudergezin waarvan het hoofd jonger is dan</para>
      <para>21 jaar, verminderd met de norm van een bij de</para>
      <para>ouders inwonende alleenstaande van 18 jaar.</para>
      <para>Toelichting:</para>
      <para>De door de Rechtbank gehanteerde normstelling heeft</para>
      <para>tot gevolg dat ten behoeve van verweersters</para>
      <para>één-jarig dochtertje een bedrag van ƒ 705,41 per</para>
      <para>maand moet worden verstrekt (namelijk ƒ 1.179,22</para>
      <para>minus ƒ 473,81).</para>
      <para>Het aldus vastgestelde bedrag is ruim hoger dan het</para>
      <para>bedrag dat een alleenstaande bij ouders inwonende</para>
      <para>jongere beneden 21 jaar ontvangt. Waar de Algemene</para>
      <para>Bijstandswet derhalve voor een thuisinwonend kind</para>
      <para>van 18 jaar een bedrag van ƒ 473,81 als norm stelt</para>
      <para>en daarmee kennelijk een relatie heeft gelegd met de</para>
      <para>financiële behoefte van een dergelijk kind staat het</para>
      <para>door de Rechtbank vastgestelde bedrag daarmee tot in</para>
      <para>een uiterst scheve verhouding.</para>
      <para>Wanneer aan het BLN al een norm ontleend kan worden</para>
      <para>voor de vaststelling van een bedrag dan zou het voor</para>
      <para>de hand liggen aansluiting te zoeken bij het volgende:</para>
      <para>norm eenoudergezin waarvan het hoofd ouder is dan</para>
      <para>21 jaar</para>
      <para>zijnde geen schoolverlater              ƒ 1.622,84</para>
      <para>minus norm alleenstaande van 23 jaar</para>
      <para>en ouder geen woningdeler               ƒ 1.262,21</para>
      <para>ƒ   360,63</para>
      <para>Immers in het onderhavige geval gaat het uitsluitend</para>
      <para>(subsidiair!) om de behoefte van de baby, de verdere</para>
      <para>situatie speelt geen rol. En een alleenstaande van</para>
      <para>23 jaar en ouder (geen woningdeler) die een baby</para>
      <para>krijgt zonder dat de thuissituatie verder wijzigt,</para>
      <para>krijgt dan voor de baby als het ware een "extra"</para>
      <para>uitkering van ƒ 360,63.</para>
      <para>Voorts wijst de gemeente er met nadruk op dat in</para>
      <para>gevallen van verhaal van bijstand op grond van</para>
      <para>onderhoudsplicht de rechterlijke macht de zogenaamde</para>
      <para>TREMA-normen hanteert, die aansluiten bij de</para>
      <para>behoefte van kinderen. Bij een netto gezinsinkomen</para>
      <para>van ƒ 2.500 is de behoefte bepaald op ƒ 340,--.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad kan zich met de bezwaren van appellant ten</para>
      <para>aanzien van de door de rechtbank aangegeven hoogte van de</para>
      <para>bijstand verenigen. Naar het oordeel van de Raad kan het</para>
      <para>door appellant genoemde bedrag van ƒ 360,63 per maand</para>
      <para>niet als te laag worden bestempeld. Daarmee wordt</para>
      <para>voldoende recht gedaan aan het gegeven dat vanaf 15</para>
      <para>februari 1995 uitsluitend ten behoeve van de</para>
      <para>noodzakelijke kosten van het bestaan van C. recht op bijstand bestaat.</para>
      <para>Hetgeen van de zijde van gedaagde op dit punt naar voren</para>
      <para>is gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak, voor zover deze is aangevochten, met</para>
      <para>gedeeltelijke verbetering van gronden voor bevestiging in</para>
      <para>aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad acht termen aanwezig om appellant te veroordelen</para>
      <para>in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, welke</para>
      <para>kosten zijn begroot op ƒ 1.420,-- als kosten van</para>
      <para>verleende rechtsbijstand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze is</para>
      <para>aangevochten, met dien verstande dat appellant een nieuw</para>
      <para>besluit op het bezwaarschrift dient te nemen met</para>
      <para>inachtneming van deze, 's Raads, uitspraak;</para>
      <para>Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in</para>
      <para>hoger beroep tot een bedrag groot ƒ 1.420,--, te betalen</para>
      <para>door de gemeente Hoorn aan de griffier van de Raad.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr G.A.J. van den Hurk als voorzitter</para>
      <para>en mr J.M.A. van der Kolk-Severijns en</para>
      <para>mr Th.C. van Sloten als leden, in tegenwoordigheid van</para>
      <para>A.H. Berends als griffier, en uitgesproken in het</para>
      <para>openbaar op 1 april 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) G.A.J. van den Hurk.</para>
    <para />
    <para>(get.) A.H. Berends.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>