<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6732</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:46:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6732</dcterms:replaces>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">AK6287</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/7354 AW, 96/8999 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:2&amp;g=1997-03-13">Algemene wet bestuursrecht 1:2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=1:3&amp;g=1997-03-13">Algemene wet bestuursrecht 1:3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1997/85 met annotatie van C.P.J. Goorden</rdf:li>
          <rdf:li>JB 1997/119</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6732">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6732</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:49:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6732 Centrale Raad van Beroep , 13-03-1997 / 95/7354 AW, 96/8999 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6732:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Algemeen reorganisatiebesluit/opheffing functie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6732:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>95/7354 AW</para>
      <para>96/8999 AW</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in de gedingen geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van Bestuur van de Rijksuniversiteit te Leiden, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante heeft op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen</para>
      <para>tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 5 september 1995 onder nr. AWB 94/4233</para>
      <para>AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorts heeft appellante op de daartoe bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen</para>
      <para>instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 14 augustus 1996 onder</para>
      <para>nummer AWB 96/338 AW gegeven uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend en zijn, desgevraagd, nog enkele stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 februari 1997, waar appellante in persoon is</para>
      <para>verschenen, bijgestaan door mr W.E. Pors, advocaat en procureur te Den Haag, en waar gedaagde zich</para>
      <para>heeft laten vertegenwoordigen door mr C.B.M. Bruens en S.J. Beurze, beiden werkzaam bij de</para>
      <para>Rijksuniversiteit te Leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende</para>
      <para>voor deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante is namens gedaagde door de directeur-beheerder van de divisie Inwendige Geneeskunde</para>
      <para>van de Rijksuniversiteit te Leiden bij die universiteit aangesteld in de functie van</para>
      <para>manager bij de Faculteit der Geneeskunde. Ten tijde hier van belang vervulde zij de functie van</para>
      <para>manager-beheer X. Op 25 februari 1994 vond tussen appellante en de directeur-beheerder, S.J. Beurze,</para>
      <para>in aanwezigheid van prof. dr C.J.M. Melief een gesprek plaats waarin opheffing van appellantes</para>
      <para>functie aan de orde is geweest. Genoemde directeur-beheerder heeft bij brief van 15 maart 1994</para>
      <para>verslag gedaan van dit gesprek waarin onder meer is gezegd dat de functie van appellante wordt</para>
      <para>opgeheven. Bij brieven van 17 maart 1994 en 20 maart 1994 heeft appellante hierop een reactie</para>
      <para>gegeven. Na nadere contacten en briefwisseling tussen betrokkenen heeft appellante bij brief</para>
      <para>van 10 mei 1994 aan de directeur-beheerder laten weten dat haar brieven van 17 en 20 maart - voor</para>
      <para>zover dat onverhoopt nog niet het geval was - moeten worden aangemerkt als bezwaarschriften tegen</para>
      <para>de brief van 15 maart 1994. In een brief van 31 mei 1994 heeft de directeur-beheerder appellante</para>
      <para>laten weten dat hij haar functie had opgeheven. Vervolgens is namens appellante op 10 juni 1994</para>
      <para>beroep ingesteld tegen het beweerdelijk niet tijdig nemen van een besluit door de directeur-beheerder</para>
      <para>op een bezwaarschrift van 17 maart 1994, gericht tegen de beslissing van de directeur-beheerder</para>
      <para>tot opheffing van de functie van appellante.</para>
      <para>Bij brief van 30 juni 1994 heeft de directeur-beheerder appellante medegedeeld dat aan de aan</para>
      <para>appellante gezonden brieven inzake de opheffing van haar functie (en de ontzegging toegang en het</para>
      <para>buiten dienst stellen) "geen rechtsgevolgen zullen worden gegeven"; voorts is gesteld dat aan de</para>
      <para>hand van een geactualiseerde formatiebeschrijving zal worden nagegaan "welke taakelementen zijn</para>
      <para>verdampt dan wel versnipperd"; tot slot is gesteld: "Indien een en ander leidt tot de beslissing</para>
      <para>van de direkteur-beheerder dat de management-functie X. wordt opgeheven en dat schriftelijk aan</para>
      <para>mw. A. wordt medegedeeld, kan mw. A. bezwaar maken c.q. zonodig beroep aantekenen. Een beslissing</para>
      <para>tot opheffing van de funktie houdt in dat mw. A. dan wordt aangemerkt als een herplaatsingskandidaat".</para>
      <para>Op basis van een notitie van 10 oktober 1994 is bij besluit van 8 november 1994 de functie van</para>
      <para>appellante per 1 januari 1995 opgeheven. Bij besluit van 30 november 1995 heeft gedaagde het namens</para>
      <para>appellante tegen dat opheffingsbesluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met welke beslissing</para>
      <para>appellante zich niet kan verenigen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak van 5 september 1995 heeft de rechtbank het beroep van appellante van</para>
      <para>10 juni 1994 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep van appellante tegen het besluit tot</para>
      <para>opheffing van haar betrekking per 1 januari 1995 is bij de aangevallen uitspraak van 14 augustus</para>
      <para>1996 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt op zijn beurt als volgt.</para>
      <para>Hij stelt voorop dat hij gedaagdes standpunt deelt dat de directeur-beheerder bevoegd was namens</para>
      <para>gedaagde (een groot aantal) beslissingen op het gebied van personeel en beheer te nemen. Mede gelet</para>
      <para>op haar functie kon dit appellante bekend zijn, terwijl haar dat ook reeds bekend was uit haar met</para>
      <para>zoveel woorden krachtens mandaat door de directeur-beheerder genomen aanstellingsbesluit. De Raad</para>
      <para>wil overigens niet nalaten op te merken dat van gedaagde grote(r) inspanningen mogen worden gevergd</para>
      <para>om in krachtens mandaat namens hem genomen beslissingen duidelijk tot uitdrukking te laten komen</para>
      <para>dat zulks het geval is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het op 10 juni 1994 ingestelde beroep tegen het beweerdelijk niet tijdig</para>
      <para>beslissen op een bezwaar overweegt de Raad dat hij gedaagdes standpunt deelt dat de brief van</para>
      <para>15 maart 1994 niet als een besluit kan worden aangemerkt - er is sprake van een verslag van een</para>
      <para>gesprek - en dat hij de reactie van appellante van 17 maart 1994 (en van 20 maart 1994) op die</para>
      <para>brief niet als bezwaarschrift kan kwalificeren. Mede gelet op de brief van de directeur-beheerder</para>
      <para>van 30 juni 1994 ziet de Raad in dezen ook geen beslissende betekenis toekomen aan de brief van</para>
      <para>evengenoemde van 31 mei 1994. Van een (voor bezwaar of beroep vatbaar) besluit of een daarmee</para>
      <para>ingevolge artikel 6:2, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelijk te stellen besluit</para>
      <para>is dan ook geen sprake: het namens appellante op 10 juni 1994 ingestelde beroep is niet-ontvankelijk.</para>
      <para>De aangevallen uitspraak van 5 september 1995 komt op evenvermelde gronden voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot het beroep tegen het besluit van gedaagde om de functie van appellante per</para>
      <para>1 januari 1995 op te heffen overweegt de Raad het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hij stelt, ambshalve toetsend, voorop dat hij het (impliciete) standpunt van de rechtbank dat dit</para>
      <para>besluit een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit in de zin van de Awb is, onderschrijft.</para>
      <para>Hij is van oordeel dat bedoeld besluit voldoet aan de in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb</para>
      <para>neergelegde definitie van het besluitbegrip. Hij constateert voorts dat voornoemd besluit niet kan</para>
      <para>worden aangemerkt als een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift, en derhalve in</para>
      <para>zoverre niet behoort tot een van de in artikel 8:2 van de Awb van beroep uitgezonderde besluiten.</para>
      <para>Ook overigens is niet gebleken dat sprake is van een niet-appellabel besluit in de zin van de Awb.</para>
      <para>Met betrekking tot de vraag of appellante bevoegd was om tegen het opheffingsbesluit van 8 november</para>
      <para>1994 bezwaar te maken, moet worden bezien of zij kan worden aangemerkt als belanghebbende in de</para>
      <para>zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Evenbedoeld artikellid bepaalt dat onder belanghebbende</para>
      <para>wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van een besluit tot opheffing van een functie als hier aan de orde is de Raad van</para>
      <para>oordeel dat in ieder geval ten aanzien van degene die de desbetreffende functie laatstelijk</para>
      <para>vervult niet kan worden gezegd dat zijn belangen niet rechtstreeks bij dat besluit zijn betrokken.</para>
      <para>Als gevolg van het opheffen van de functie verliest betrokkene immers de hem krachtens aanstelling</para>
      <para>geboden mogelijkheid tot het verrichten van het desbetreffende samenstel van werkzaamheden. Dat</para>
      <para>een besluit betreffende de opheffing van een functie zal worden gevolgd door een besluit tot het</para>
      <para>opdragen van andere werkzaamheden dan wel, bij voorbeeld, tot ontslagverlening acht de Raad van</para>
      <para>onvoldoende gewicht voor een andersluidend oordeel.</para>
      <para>De Raad stelt op grond van het bovenstaande vast dat appellante ten aanzien van het besluit van</para>
      <para>8 november 1995 als belanghebbende in de zin van de Awb moet worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vraag of het opheffingsbesluit in rechte stand kan houden, beantwoordt de Raad, evenals de</para>
      <para>rechtbank, bevestigend.</para>
      <para>In dit verband merkt hij in de eerste plaats op dat de rechterlijke toetsing terughoudend dient</para>
      <para>te zijn, in die zin dat de rechter zich, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het</para>
      <para>bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht, moet beperken tot de vraag, of</para>
      <para>de in geding zijnde opheffing op onvoldoende gronden berust.</para>
      <para>In hetgeen namens appellante tegen dat besluit is aangevoerd heeft de Raad onvoldoende grond</para>
      <para>kunnen vinden voor het oordeel dat het bestreden besluit - en het daaraan ten grondslag liggende</para>
      <para>besluit - niet in stand zou kunnen worden gelaten. De motivering is in hoofdlijnen terug te vinden</para>
      <para>in de notitie van 10 oktober 1994. Daarin worden zakelijke argumenten aangevoerd voor het wegvallen</para>
      <para>van de noodzaak van aanwezigheid van de onderhavige manager-functie. Dat, zoals van de zijde van</para>
      <para>appellante gesteld, andere motieven tot de omstreden opheffing zouden hebben geleid, acht de Raad</para>
      <para>onvoldoende aannemelijk.</para>
      <para>Aan de Raad is, tot slot, niet gebleken dat het besluit niet in stand zou kunnen blijven wegens</para>
      <para>strijd met de vereiste zorgvuldigheid of wegens het ontbreken van een voldoende afweging van</para>
      <para>belangen. De Raad verenigt zich in grote lijnen met hetgeen de rechtbank hieromt heeft overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van het bovenstaande komt ook de aangevallen uitspraak van 14 augustus 1996 voor</para>
      <para>bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu de Raad in de gegeven omstandigheden geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het</para>
      <para>bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, leidt het voorgaande tot de conclusie dat moet worden</para>
      <para>beslist als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr Ch. de Vrey en</para>
      <para>mr W.D.M. van Diepenbeek als leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 13 maart 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) H.A.A.G. Vermeulen.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>