<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6726</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:49:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6726</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/1313 Algem</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=3&amp;g=1997-03-13">Werkloosheidswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=5&amp;g=1997-03-13">Werkloosheidswet 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=3&amp;g=1997-03-13">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002524&amp;artikel=5&amp;g=1997-03-13">Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002460&amp;artikel=3&amp;g=1997-03-13">Ziekenfondswet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002460&amp;artikel=5&amp;g=1997-03-13">Ziekenfondswet 5</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=3&amp;g=1997-03-13">Ziektewet 3</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;artikel=5&amp;g=1997-03-13">Ziektewet 5</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6726">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6726</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:49:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2010-11-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6726 Centrale Raad van Beroep , 13-03-1997 / 95/1313 Algem</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6726:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Hoewel verzekeringsplicht op zich wel aanwezig toch in strijd met gelijkheidsbeginsel op plicht op te legen; geen strijd met artikel 6 EVRM, want niet aangedrongen op spoed.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6726:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/1313 ALGEM</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>B.V. X., gevestigd te Y., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het Landelijk instituut sociale verzekeringen als</para>
      <para>rechtsopvolger van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor</para>
      <para>Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen,</para>
      <para>gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder dagtekening 20 april 1990 heeft gedaagde aan appellante</para>
      <para>kennis gegeven van zijn beslissing dat de voor appellante</para>
      <para>werkzame telefonische enquêteurs verplicht verzekerd zijn</para>
      <para>ingevolge artikel 3 van de Werkloosheidswet (hierna: WW), de</para>
      <para>Ziektewet (hierna: ZW), de Wet op de</para>
      <para>arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO) en de</para>
      <para>Ziekenfondswet (hierna: Zfw).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak</para>
      <para>van 16 maart 1995 het tegen dit besluit ingestelde beroep</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante heeft mr J. van der Plas, werkzaam bij</para>
      <para>Paardekooper &amp; Hoffman belastingadviseurs te Rotterdam, tegen</para>
      <para>deze uitspraak hoger beroep ingesteld op de bij aanvullend</para>
      <para>beroepschrift d.d. 8 september 1995 (met bijlagen) aangevoerde</para>
      <para>gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij brief van 28 november 1995 een</para>
      <para>verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 28 november 1996 ( met bijlagen) heeft gedaagde</para>
      <para>nog enkele vragen van de Raad beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellante is bij brief van 17 januari 1997 op de brief</para>
      <para>van gedaagde van 28 november 1996 gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op</para>
      <para>30 januari 1997, waar appellante zich heeft doen</para>
      <para>vertegenwoordigen door C., directeur, en</para>
      <para>D., administrateur, bijgestaan door mr J. van der</para>
      <para>Plas, voornoemd, als hun raadsman. Gedaagde heeft zich ter</para>
      <para>zitting van de Raad doen vertegenwoordigen door mr A.C.J.M.</para>
      <para>Schröder, werkzaam bij Gak Nederland B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan rubriek 3 van de aangevallen uitspraak, waarin appellante</para>
      <para>als eiser is aangemerkt en gedaagde als verweerder, ontleent</para>
      <para>de Raad de volgende feiten en omstandigheden.</para>
      <para>"Op verzoek van eiser heeft het GAK in april 1988</para>
      <para>onderzoek gedaan naar de verzekeringsplicht van</para>
      <para>eiser voor de enquêteurs die in opdracht van eiser</para>
      <para>telefonisch marktonderzoek verrichtten. Aanleiding</para>
      <para>voor dit onderzoek was de omstandigheid dat</para>
      <para>concurrenten van eiser, die tot dan toe zelf</para>
      <para>premieplicht geaccepteerd had, ten behoeve van hun</para>
      <para>enquêteurs geen sociale premies bleken af te dragen,</para>
      <para>terwijl er op vrijwel identieke wijze werd gewerkt.</para>
      <para>Uit het onderzoek van het GAK naar de aard van de</para>
      <para>arbeidsverhouding tussen eiser en de enquêteurs is</para>
      <para>het volgende gebleken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser maakt gebruik van een groep afroepkrachten die</para>
      <para>op het bedrijfsadres telefonische enquêtes afneemt.</para>
      <para>Het gaat hierbij om een bestand van circa</para>
      <para>tweehonderd mensen - vrijwel uitsluitend huisvrouwen</para>
      <para>en studenten -, dat wisselend werkzaam is en</para>
      <para>wekelijks contact opneemt met de vraag of er werk</para>
      <para>beschikbaar is. Er wordt gewerkt in blokken van vier</para>
      <para>uur. De verkregen gegevens worden direkt in de</para>
      <para>computer ingevoerd of op een enquêteformulier</para>
      <para>ingevuld. Het staat een enquêteur vrij om op een</para>
      <para>werkaanbod voor een bepaalde dag niet in te gaan.</para>
      <para>Het komt voor dat een kandidaat op een dag de</para>
      <para>werkzaamheden niet kan verrichten en een ander,</para>
      <para>bijvoorbeeld een familielid, zijn plaats laat</para>
      <para>innemen. Ten aanzien van de vrijheid van komen en</para>
      <para>gaan, dat wil zeggen de vrijheid om zonder</para>
      <para>verstoring van de arbeidsverhouding de werkplek te</para>
      <para>mogen verlaten wordt in het onderzoeksrapport gezegd</para>
      <para>dat deze theoretisch is. Met uitzondering van korte</para>
      <para>pauzes om koffie te drinken of sigaretten te kopen</para>
      <para>werken betrokkenen onafgebroken gedurende een</para>
      <para>tijdblok.</para>
      <para>Indien om een of andere reden niet voldaan kan</para>
      <para>worden aan het vol maken van een blok zal de</para>
      <para>betrokkene dat vooraf kenbaar maken en niet komen</para>
      <para>werken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van deze omstandigheden is door verweerders</para>
      <para>kleine commissie geadviseerd om premieplicht voor</para>
      <para>eiser aan te nemen. Conform dit advies heeft</para>
      <para>verweerder het bestreden besluit genomen.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding worden partijen allereerst verdeeld gehouden</para>
      <para>door het antwoord op de vraag of gedaagde bij de bestreden</para>
      <para>beslissing de arbeidsverhouding tussen appellante en de voor</para>
      <para>haar werkzame enquêteurs terecht heeft aangemerkt als</para>
      <para>arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht en of gedaagdes</para>
      <para>besluit tot het aannemen van verplichte verzekering (en de</para>
      <para>daaruit voortvloeiende premieplicht) in overeenstemming is met</para>
      <para>de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder in</para>
      <para>het bijzonder het gelijkheidsbeginsel. Daarnaast is in geschil</para>
      <para>of in dit geding de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6</para>
      <para>van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de</para>
      <para>fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond</para>
      <para>verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat</para>
      <para>werkgeversgezag alleen al kan worden aangenomen op grond van</para>
      <para>de omstandigheid dat de aard en de structuur van de</para>
      <para>werkzaamheden van de enquêteurs structureel zijn ingebed in</para>
      <para>het totale organisatiepatroon van de bedrijfsvoering. De</para>
      <para>rechtbank heeft voorts onaannemelijk geacht dat de enquêteurs</para>
      <para>een meer dan theoretische vrijheid hebben van komen en gaan,</para>
      <para>mede gezien de structuur van het werk. Tenslotte acht de</para>
      <para>rechtbank het werk niet zodanig eenvoudig dat het zonder</para>
      <para>nadere werkinstructies van en toezicht door appellante</para>
      <para>verricht zou kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, waarbij de</para>
      <para>Raad in grote lijnen de gronden die de rechtbank ter zake van</para>
      <para>betekenis heeft geacht, overneemt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het beroep van appellante kan derhalve in zoverre niet slagen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Van de kant van appellante is verder aangevoerd dat de</para>
      <para>bestreden beslissing in strijd is met het gelijkheidsbeginsel</para>
      <para>omdat geen verzekeringsplicht (en premieplicht) is aangenomen</para>
      <para>ten aanzien van enquêteurs die bij collega-bedrijven op</para>
      <para>dezelfde wijze werkzaam zijn als bij appellante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft gesteld dat er geen sprake is van gelijke</para>
      <para>gevallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft de verzekeringsplicht van enquêteurs van</para>
      <para>bedoelde collega-bedrijven, te weten NV v/h Stichting Z. (hierna: Z.)</para>
      <para>en B.V. W., in het verleden uitsluitend getoetst aan artikel 5 van de diverse</para>
      <para>sociale-werknemersverzekeringswetten. Blijkens de</para>
      <para>gedingstukken, afkomstig van gedaagde, bestond omtrent de</para>
      <para>juistheid van dit standpunt ten aanzien van de enquêteurs</para>
      <para>werkzaam bij de Z. reeds in 1984 twijfel, en stelde inspecteur</para>
      <para>Van Wijngaarden, werkzaam bij gedaagdes bedrijfsvereniging, in</para>
      <para>verband met gerezen twijfel omtrent de juistheid van het</para>
      <para>ingenomen standpunt ten aanzien van enquêteurs werkzaam bij</para>
      <para>B.V. W., in zijn rapport van 29 maart 1994 voor een</para>
      <para>nieuw onderzoek te laten verrichten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad stelt vast dat gedaagde blijkens mededeling ter</para>
      <para>zitting dit onderzoek tot op heden niet heeft verricht, doch</para>
      <para>dat gedaagde, op basis van een tamelijk beperkt onderzoek bij</para>
      <para>appellante, wel verzekeringsplicht ten aanzien van de bij haar</para>
      <para>werkzame enquêteurs heeft aangenomen, en wel op basis van</para>
      <para>artikel 3 van de diverse sociale-werknemersverzekeringswetten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien de thans ter beschikking staande gegevens is de Raad</para>
      <para>van oordeel dat de aard en de wijze van de bedrijfsvoering van</para>
      <para>de Z. en B.V. W. enerzijds en appellante anderzijds</para>
      <para>nauwelijks van elkaar verschillen. Evenmin ziet de Raad</para>
      <para>wezenlijke verschillen in de wijze waarop de enquêteurs bij</para>
      <para>genoemde bedrijven feitelijk werkzaam zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan gedaagde en de rechtbank is de Raad derhalve van</para>
      <para>oordeel dat er sprake is van gelijke gevallen. Nu geen</para>
      <para>rechtvaardiging is aangevoerd voor de ongelijke behandeling,</para>
      <para>verdraagt gedaagdes besluit om ten aanzien van de bij</para>
      <para>appellante werkzame enquêteurs verzekeringsplicht vast te</para>
      <para>stellen - hoewel op zichzelf juist - zich niet met het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel, voorzover dat besluit de grondslag vormt</para>
      <para>voor het vaststellen van premies.</para>
      <para>De Raad stelt vast dat de eis van naleving van het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel in dit geval des te zwaarder weegt, omdat</para>
      <para>het gaat om bedrijven die op vergelijkbare wijze zijn</para>
      <para>georganiseerd en die op de relevante markt in een</para>
      <para>concurrerende verhouding tot elkaar staan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met betrekking tot de grief van appellante ter zake van strijd</para>
      <para>met artikel 6 EVRM merkt de Raad het volgende op.</para>
      <para>De Raad stelt vast dat de vertraging in de behandeling van het</para>
      <para>geding in hoofdzaak is veroorzaakt door de rechtbank, die in</para>
      <para>deze zaak ruim twee jaar geen voor partijen waarneembare actie</para>
      <para>heeft ondernomen, zonder dat daarvoor een verklaring is</para>
      <para>gegeven. De Raad stelt evenwel voorts vast dat appellante</para>
      <para>heeft nagelaten, zoals van die kant ter zitting is erkend,</para>
      <para>enige aandrang bij de rechtbank uit te oefenen op spoedige</para>
      <para>verdere behandeling van het beroep.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat onder die omstandigheden het beroep</para>
      <para>op artikel 6 van het EVRM faalt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak niet</para>
      <para>in stand kan blijven omdat de bestreden beslissing dient te</para>
      <para>worden vernietigd wegens schending van het</para>
      <para>gelijkheidsbeginsel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat oordeel leidt er tevens toe dat gedaagde aan appellante</para>
      <para>het door haar gestorte griffierecht dient te vergoeden,</para>
      <para>alsmede dat er aanleiding is om gedaagde op de voet van</para>
      <para>artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het Besluit</para>
      <para>proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten</para>
      <para>van appellante.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Mitsdien moet worden beslist als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en de bestreden</para>
      <para>beslissing;</para>
      <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in</para>
      <para>eerste aanleg en in hoger beroep ten bedrage van</para>
      <para>f 1.420,-- voor het geding in eerste aanleg en f 1.775,-- voor</para>
      <para>het geding in hoger beroep;</para>
      <para>Bepaalt dat gedaagde aan appellante het door haar in eerste</para>
      <para>aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage</para>
      <para>van f 1.000,-- in totaal vergoedt;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als</para>
      <para>voorzitter en mr L.J.A. Damen en prof. dr E.M.H. Hirsch Ballin</para>
      <para>als leden, in tegenwoordigheid van mr H.D. Wolthuis als</para>
      <para>griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 maart 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.</para>
    <para />
    <para>(get.) H.D. Wolthuis.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>HL</para>
      <para>403</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>