<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6720</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T03:32:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6720</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-03-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/4832 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=61&amp;g=1997-03-04">Werkloosheidswet 61</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0004045&amp;artikel=36 (oud)&amp;g=1997-03-04">Werkloosheidswet 36 (oud)</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0002638&amp;artikel=16&amp;g=1997-03-04">Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag 16</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 143</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 1997/70</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6720">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6720</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-06-01T16:05:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6720 Centrale Raad van Beroep , 04-03-1997 / 96/4832 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6720:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. Maatman. Overwerk. Excessief.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6720:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>96/4832 WW                                    O.</para>
  <para />
  <para />
  <para>U I T S P R A A K</para>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>
    [A. te B.], appellant,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en</para>
    <para>Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen, gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger</para>
    <para>beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te</para>
    <para>Amsterdam onder dagtekening 18 april 1996 tussen partijen</para>
    <para>gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 21 januari</para>
    <para>1997, waar appellant - daartoe ambtshalve opgeroepen - in</para>
    <para>persoon is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen</para>
    <para>vertegenwoordigen door mr P.A.M. van Aarle, werkzaam bij Gak</para>
    <para>Nedeland bv.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellant is vanaf 1 juli 1973 als commerciëel directeur in</para>
    <para>dienst geweest van X. B.V. te Y. (verder te noemen: de B.V.). De B.V.</para>
    <para>was 100% eigendom van Z. Beheer B.V., waarvan appellant, evenals zijn</para>
    <para>mededirecteur C., ten tijde hier in geding 40% van de</para>
    <para>aandelen bezat. De resterende 20% was in bezit van W. B.V.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De B.V. is op 7 december 1993 in staat van faillissement</para>
    <para>verklaard. Met ingang van 1 januari 1994 is appellant elders</para>
    <para>in (loon)dienst getreden.</para>
    <para>Op 15 december 1993 heeft appellant gedaagde verzocht hem</para>
    <para>uitkering te verlenen op grond van de in hoofdstuk IV van de</para>
    <para>Werkloosheidswet (hierna: WW) neergelegde overnemingsregeling.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij besluit van 11 mei 1994 heeft gedaagde aan appellant</para>
    <para>medegedeeld dat uitkering is betaald terzake van loon over de</para>
    <para>maand december 1993 en vakantietoeslag over de periode 1 juni</para>
    <para>1993 tot en met 31 december 1993 ten bedrage van f 13.500,-</para>
    <para>bruto respectievelijk f 7.647,64 bruto. Op deze uitkering</para>
    <para>heeft gedaagde in mindering gebracht een bedrag ad f 1.241,37</para>
    <para>bruto wegens twee teveel opgenomen vakantiedagen en een bedrag</para>
    <para>ad f 750,- netto ter zake van de aflossing van een door de</para>
    <para>B.V. aan appellant verstrekte lening.</para>
    <para>Bij besluit van 17 juni 1994 heeft gedaagde appellant</para>
    <para>medegedeeld dat hem ten onrechte vakantietoeslag is uitgekeerd</para>
    <para>en dat hij een bedrag ad f 3.413,91 netto aan vakantietoeslag</para>
    <para>dient terug te betalen. Het tegen dit besluit ingediende</para>
    <para>bezwaar is bij het bestreden besluit van 7 december 1994 op de</para>
    <para>daarin vermelde gronden ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De rechtbank heeft dit besluit in de aangevallen uitspraak in</para>
    <para>stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank het volgende overwogen:</para>
    <para>"Naar eiser heeft verklaard heeft hij over een zeer</para>
    <para>lange periode - in een brief van 26 augustus 1994</para>
    <para>spreekt eiser over minstens 10 jaar - geen aanspraak</para>
    <para>gemaakt op vakantiegeld. Op grond hiervan moet het</para>
    <para>er naar het oordeel van de rechtbank voor worden</para>
    <para>gehouden dat eiser in feite afstand van het</para>
    <para>desbetreffende recht heeft gedaan. Dat van dit recht</para>
    <para>nooit is afgezien, zoals eiser heeft verklaard, komt</para>
    <para>de rechtbank niet overtuigend voor, gezien de lange</para>
    <para>periode waarin dit recht niet te gelde is gemaakt.</para>
    <para>Het vorenstaande brengt mee dat van overneming door</para>
    <para>verweerder van een verplichting tot betaling van</para>
    <para>vakantiegeld geen sprake kon zijn. Dit kon eiser</para>
    <para>naar het oordeel van de rechtbank ook duidelijk</para>
    <para>zijn. Verweerder kon dan ook met recht overgaan tot</para>
    <para>terugvordering op grond van het bepaalde in artikel</para>
    <para>36, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In hoger beroep blijft appellant betwisten dat hij</para>
    <para>(vrijwillig) afstand heeft gedaan van zijn recht op</para>
    <para>vakantiegeld. Volgens hem liet de liquiditeitspositie van de</para>
    <para>B.V. niet toe dat vakantietoeslag werd betaald.</para>
    <para>Ter zitting van de Raad heeft appellant onder meer verklaard</para>
    <para>dat de resultaten van de B.V. na 1979 terugliepen en dat onder</para>
    <para>druk van de bank omstreeks 1984 is gezocht naar manieren om de</para>
    <para>financiële positie van de B.V. te verbeteren. In overleg met</para>
    <para>onder andere de accountant hebben appellant en zijn</para>
    <para>mededirecteur toen besloten om af te zien van uitbetaling van</para>
    <para>vakantietoeslag, ook omdat uitbetaling daarvan gezien</para>
    <para>appellants salaris niet verplicht zou zijn. Indien het op enig</para>
    <para>moment weer beter zou gaan met de B.V., zou worden bezien of</para>
    <para>de uitbetaling van vakantietoeslag kon worden hervat. Of deze</para>
    <para>afspraak schriftelijk is vastgelegd, wist appellant zich niet</para>
    <para>te herinneren. Over het algemeen werden zaken wel schriftelijk</para>
    <para>vastgelegd, indien dit wettelijk was voorgeschreven, aldus appellant.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad sluit niet uit dat de financiële positie van de B.V.</para>
    <para>destijds zal hebben genoopt tot het terugbrengen van de</para>
    <para>uitgaven, maar de Raad is er geenszins van overtuigd geraakt</para>
    <para>dat appellant daarin geen andere keuze had dan het afzien van</para>
    <para>vakantietoeslag. Dat mogelijke andere opties appellant (nog)</para>
    <para>minder gewenst voorkwamen, is daarvoor onvoldoende. Overigens</para>
    <para>bevreemdt het de Raad dat, enerzijds, appellant zich kennelijk</para>
    <para>gedwongen zag af te zien van betaling van vakantietoeslag,</para>
    <para>maar dat, anderzijds, in de loop der jaren wel een forse</para>
    <para>schuld van appellant aan de B.V. kon ontstaan in een</para>
    <para>rekeningcourantverhouding. Van het bestaan van die rekening, waarvan</para>
    <para>appellant ter zitting mededeling heeft gedaan, zal gedaagde,</para>
    <para>naar het de Raad wil voorkomen, destijds niet op de hoogte</para>
    <para>zijn geweest.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Nog daargelaten of uit hetgeen appellant ter zitting heeft</para>
    <para>verklaard al niet kan worden aangenomen dat indertijd</para>
    <para>rechtsgeldig, op de in artikel 16, vijfde lid, van de Wet</para>
    <para>minimumloon en minimumvakantiebijslag voorgeschreven wijze, is</para>
    <para>overeengekomen dat geen aanspraak bestaat op vakantiebijslag,</para>
    <para>is de Raad van oordeel dat het in strijd is met de aard en</para>
    <para>strekking van de overnemingsregeling om aan appellant op grond</para>
    <para>van die regeling betalingen te doen, waarvan kan worden</para>
    <para>aangenomen dat hij die van de B.V., zo die niet zou zijn</para>
    <para>gefailleerd, niet zou hebben ontvangen en evenmin zou hebben</para>
    <para>geclaimd. De Raad wijst er in dit verband op dat appellant</para>
    <para>indertijd in beginsel voor onbepaalde duur afstand heeft</para>
    <para>gedaan van vakantietoeslag en dat aan de voorwaarde waaronder</para>
    <para>eventueel weer tot uitbetaling zou zijn overgegaan, in de hier</para>
    <para>in geding zijnde periode niet is voldaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat gedaagde ten</para>
    <para>onrechte een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW aan</para>
    <para>appellant heeft verstrekt terzake van niet uitbetaalde vakantietoeslag.</para>
    <para>Evenals gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat</para>
    <para>het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat</para>
    <para>hij die uitkering ten onrechte heeft ontvangen. Hierbij heeft</para>
    <para>de Raad overwogen dat appellant bij zijn aanvraag op het</para>
    <para>daarvoor bestemde formulier heeft aangegeven geen</para>
    <para>vakantietoeslag tegoed te hebben. Blijkens zijn verklaring ter</para>
    <para>zitting heeft hij het formulier aldus ingevuld omdat hij er</para>
    <para>van uitging jegens de B.V. een zodanige aanspraak niet te</para>
    <para>hebben, terwijl voorts uit appellants verklaring ter zitting</para>
    <para>kan worden afgeleid dat hij aangenaam verrast was die</para>
    <para>uitkering toch te ontvangen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Op grond van artikel 36, eerste lid, onder b (oud), van de WW</para>
    <para>is gedaagde bevoegd onverschuldigd betaalde uitkering terug te</para>
    <para>vorderen, indien het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk</para>
    <para>kon zijn dat onverschuldigd werd betaald. Gedaagde heeft</para>
    <para>besloten dat van appellant f 3.413,91 wordt teruggevorderd,</para>
    <para>zijnde het netto bedrag van de ten onrechte betaalde uitkering.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is niet gebleken dat de berekening van voormeld bedrag</para>
    <para>onjuist is, en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat</para>
    <para>gedaagde niet in redelijkheid tot dit besluit is kunnen komen</para>
    <para>dan wel anderszins in strijd heeft gehandeld met een</para>
    <para>geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen</para>
    <para>rechtsbeginsel.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak</para>
    <para>voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan</para>
    <para>het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Beslist wordt als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr J.C.F Talman als voorzitter en</para>
    <para>mr P.H. Hugenholtz en mr Th.C. van Sloten als leden, in</para>
    <para>tegenwoordigheid van mr G. Leppink-Kooistra als griffier en</para>
    <para>uitgesproken in het openbaar op 4 maart 1997.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>(get.) J.C.F. Talman.</para>
  <para />
  <para>(get.) G. Leppink-Kooistra.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>RH</para>
    <para>2702</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>