<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:47:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6687</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-02-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/608 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>VR 1998, 180</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1997/59 met annotatie van B.M.J. van der Meulen</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6687">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6687</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:49:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-06-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6687 Centrale Raad van Beroep , 13-02-1997 / 95/608 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6687:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Dienstongeval,  immateriële schade, materiële schade; zelfstandig schadebesluit</para>
        <para>.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6687:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/608 AW                                          O</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A,, wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de raad van de gemeente Amsterdam, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij gedaagdes besluit van 10 maart 1993 is appellants</para>
      <para>verzoek om toekenning van schadevergoeding afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het namens appellant tegen dit besluit ingestelde beroep</para>
      <para>is bij uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam,</para>
      <para>nr. AW 93/336/11, van 19 januari 1995 ongegrond</para>
      <para>verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Mr P.C.W.M. Meerbach, advocaat te Utrecht, heeft namens</para>
      <para>appellant tegen deze uitspraak, op bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para>aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld.</para>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 20 juni 1996.</para>
      <para>Aldaar is appellant in persoon verschenen, bijgestaan</para>
      <para>door mr Meerbach voornoemd als zijn raadsman, en heeft</para>
      <para>gedaagde zich doen vertegenwoordigen door mr P.S.J.M.</para>
      <para>Daalmans, werkzaam bij de politieregio Amsterdam-Amstelland.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft vervolgens het onderzoek heropend, omdat</para>
      <para>het naar zijn oordeel niet volledig was.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu partijen daarvoor vervolgens toestemming hebben gegeven,</para>
      <para>heeft de Raad bepaald dat het verdere onderzoek ter</para>
      <para>zitting achterwege blijft en heeft hij het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant, geboren in 1953 en vanaf 1 januari</para>
      <para>1972 in dienst bij de voormalige gemeentepolitie van</para>
      <para>Amsterdam, is op 5 februari 1977 tijdens de uitoefening</para>
      <para>van zijn dienst bij een verkeerscontrole en een daarop</para>
      <para>aansluitende controle in verband met de Vreemdelingenwet</para>
      <para>in het gezicht geschoten en aangevallen. Appellant heeft</para>
      <para>hierbij ernstig lichamelijk letsel opgelopen. Als gevolg</para>
      <para>daarvan heeft appellant in de jaren daarna een hoog</para>
      <para>ziekteverzuim gehad en is hij vervolgens vanaf medio 1985</para>
      <para>volledig met ziekteverlof geweest. Ingaande 1 juli 1988</para>
      <para>is aan appellant ontslag verleend in verband met de</para>
      <para>omstandigheid dat hij door het Algemeen burgerlijk</para>
      <para>pensioenfonds (ABP) uit hoofde van ziekten of gebreken</para>
      <para>blijvend ongeschikt is verklaard voor de vervulling van zijn</para>
      <para>functie. Aan appellant is door het ABP een invaliditeitspensioen</para>
      <para>naar een algemene arbeidsongeschiktheid van 80%</para>
      <para>of meer toegekend. Van de zijde van de gemeente Amsterdam</para>
      <para>zijn aan appellant vanaf 1 juli 1988 ter aanvulling van</para>
      <para>zijn pensioen suppleties ter hoogte van 18% op grond van</para>
      <para>het Ambtenarenreglement voor de gemeentepolitie 1958</para>
      <para>(ARGP) respectievelijk 9% ingevolge een binnen gedaagdes</para>
      <para>gemeente ten behoeve van politieambtenaren getroffen</para>
      <para>regeling toegekend, aangezien de ziekte uit hoofde</para>
      <para>waarvan appellant blijvend ongeschikt is verklaard voor de</para>
      <para>vervulling van zijn betrekking in overwegende mate haar</para>
      <para>oorzaak vindt in het dienstongeval van 5 februari 1977.</para>
      <para>Een aan appellant voorts toegekende maandelijkse</para>
      <para>vergoeding in de kosten van huishoudelijke hulp is in 1988</para>
      <para>omgezet in een uitkering ineens ten bedrage van</para>
      <para>f 20.000,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 31 juli 1992 is namens appellant aan</para>
      <para>gedaagde verzocht om toekenning van vergoeding van alle</para>
      <para>materiële en immateriële schade die appellant ten gevolge</para>
      <para>van het dienstongeval heeft geleden en in de toekomst nog</para>
      <para>zal lijden. Bij het bestreden besluit is dit verzoek</para>
      <para>afgewezen, omdat - kort gezegd - de gemeente jegens</para>
      <para>appellant indertijd niet tekort is geschoten in haar verplichting</para>
      <para>om voldoende veiligheidsmaatregelen te treffen</para>
      <para>en omdat de voor appellant na diens ontslag getroffen</para>
      <para>voorzieningen als adequaat zijn aan te merken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In hoger beroep heeft appellant niet meer het standpunt</para>
      <para>ingenomen dat gedaagde onvoldoende veiligheidsmaatregelen</para>
      <para>had getroffen ten tijde van het dienstongeval. Appellant</para>
      <para>is thans van oordeel dat op gedaagde risico-aansprakelijkheid</para>
      <para>rust ter zake van de letselschade die hij heeft</para>
      <para>opgelopen bij het dienstongeval, aangezien appellants op</para>
      <para>de wet gebaseerde en het algemeen belang dienende werkzaamheden</para>
      <para>als politieman naar hun aard een aanzienlijk</para>
      <para>risico meebrengen voor persoonlijk letsel. Voor het bestaan</para>
      <para>van risico-aansprakelijkheid ziet appellant aanknopingspunten</para>
      <para>in het civielrechtelijke aansprakelijkheidsrecht, de recente</para>
      <para>jurisprudentie van de Raad inzake letselschade bij ambtenaren</para>
      <para>als gevolg van dienstongevallen en de regeling neergelegd in de</para>
      <para>Verhaalswet Ongevallen Ambtenaren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad staat thans voor de vraag of het bestreden besluit in rechte</para>
      <para>stand kan houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dat verband stelt de Raad, met verwijzing naar zijn</para>
      <para>uitspraak van 28 maart 1996 (TAR 1996, nr. 102), allereerst</para>
      <para>vast dat het bestreden besluit een zogeheten zelfstandig</para>
      <para>schadebesluit is, dat betrekking heeft zowel op</para>
      <para>schade die appellant stelt te hebben geleden vóór 1 januari</para>
      <para>1993 als op schade die appellant stelt te hebben</para>
      <para>geleden dan wel nog zal lijden op of na 1 januari 1993.</para>
      <para>Omtrent de gehoudenheid van gedaagde tot vergoeding van</para>
      <para>de schade die appellant heeft geleden vóór 1 januari 1993</para>
      <para>hanteert de Raad volgens vaste jurisprudentie inzake</para>
      <para>zelfstandige schadebesluiten de norm dat vereist is dat</para>
      <para>sprake is van een aan het bestuursorgaan toe te rekenen</para>
      <para>optreden waardoor de ambtenaar schade heeft geleden, en</para>
      <para>dat dit optreden en die schade van zodanige aard zijn dat</para>
      <para>de schade in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking</para>
      <para>komt. Voor zover het gaat om schade die appellant heeft</para>
      <para>geleden op of na 1 januari 1993 hanteert de Raad, in</para>
      <para>aansluiting bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht,</para>
      <para>volgens vaste jurisprudentie de norm dat voor</para>
      <para>schadevergoeding alleen dan aanleiding kan zijn indien de</para>
      <para>schade het gevolg is van onrechtmatig handelen van het</para>
      <para>bestuursorgaan. De Raad moet vaststellen - en partijen</para>
      <para>verschillen daarover ook niet (meer) van mening - dat in</para>
      <para>het onderhavige geval gedaagde niet tekort is geschoten</para>
      <para>en derhalve niet onrechtmatig heeft gehandeld. Daaruit</para>
      <para>vloeit voort dat gedaagde noch op grond van de "nieuwe",</para>
      <para>noch - a fortiori - op grond van de "oude" jurisprudentiële</para>
      <para>norm gehouden kan worden geacht tot het vergoeden</para>
      <para>van schade, anders dan op grond van de in bijzondere</para>
      <para>wettelijke voorschriften neergelegde specifieke verplichtingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad komt vervolgens toe aan de vraag of op gedaagde</para>
      <para>ter zake van de door appellant geleden schade risico-aansprakelijkheid</para>
      <para>rust. Daarbij geldt in algemene zin</para>
      <para>dat, gegeven de zowel in het civiele recht als in het</para>
      <para>bestuursrecht geldende hoofdregel dat van</para>
      <para>aansprakelijkheid ter zake van feitelijk handelen alleen sprake kan</para>
      <para>zijn in geval van schuld bij degene die de schade heeft</para>
      <para>veroorzaakt (schuldaansprakelijkheid), de rechter</para>
      <para>terughoudendheid dient te betrachten bij het aanvaarden van</para>
      <para>risico-aansprakelijkheid in andere gevallen dan die waarin</para>
      <para>deze in een bijzonder wettelijk voorschrift uitdrukkelijk</para>
      <para>is vastgelegd of waarin (het stelsel van) de wettelijke</para>
      <para>regeling daarvoor anderszins voldoende aanknopingspunten</para>
      <para>biedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het onderhavige geval ziet de Raad geen gronden om tot</para>
      <para>risico-aansprakelijkheid te concluderen.</para>
      <para>Uit het feit dat in bijzondere wettelijke voorschriften</para>
      <para>specifieke voorzieningen zijn getroffen (met name ten</para>
      <para>aanzien van de inkomenspositie van de politie-ambtenaar</para>
      <para>die ten gevolge van een dienstongeval langdurig ziek</para>
      <para>wordt en eventueel uit dien hoofde ontslag krijgt, ten</para>
      <para>aanzien van de eventueel voor eigen rekening blijvende</para>
      <para>kosten van noodzakelijke medische verzorging en - althans</para>
      <para>in gedaagdes gemeente - met betrekking tot een extra</para>
      <para>uitkering van 9%) waarvan de toepasselijkheid niet</para>
      <para>afhankelijk is van het feit of het desbetreffende bestuursorgaan</para>
      <para>al dan niet schuld heeft aan het ontstaan van de</para>
      <para>schade van de ambtenaar, leidt de Raad af dat de wetgever</para>
      <para>in gevallen als het onderhavige uitdrukkelijk niet heeft</para>
      <para>gekozen voor (volledige) risico-aansprakelijkheid. Het -</para>
      <para>op zichzelf niet betwiste - feit dat de werkzaamheden van</para>
      <para>een executieve politie-ambtenaar een (extra) gevaarvol</para>
      <para>karakter hebben, leidt niet tot een ander oordeel.</para>
      <para>Ten aanzien van de verwijzing van appellant naar de</para>
      <para>recente jurisprudentie van de Raad (onder andere CRvB 9</para>
      <para>december 1993, TAR 1994, nr. 34, en 17 maart 1994, TAR</para>
      <para>1994, nr. 106) inzake letselschade als gevolg van een</para>
      <para>dienstongeval volstaat de Raad met te wijzen op het feit</para>
      <para>dat in het onderhavige geval, anders dan in de bedoelde</para>
      <para>uitspraken, geen sprake is van letselschade als gevolg</para>
      <para>van een ongeval tijdens werkzaamheden waarbij gebruik is</para>
      <para>gemaakt van gereedschap of machines.</para>
      <para>Ten slotte heeft de Raad in de Verhaalswet Ongevallen</para>
      <para>Ambtenaren onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden om</para>
      <para>in gevallen als het onderhavige tot risico-aansprakelijkheid</para>
      <para>te concluderen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het vorenstaande voert tot de conclusie dat het bestreden</para>
      <para>besluit in rechte stand kan houden en dat de aangevallen</para>
      <para>uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet geen termen voor toepassing van artikel 8:75</para>
      <para>van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist wordt derhalve als volgt:</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en</para>
      <para>mr Ch. de Vrey en mr drs Th.G.M. Simons als leden, in</para>
      <para>tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier, en</para>
      <para>uitgesproken in het openbaar op 13 februari 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>