<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T23:10:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6671</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-01-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/8536 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:17&amp;g=1997-01-08">Algemene wet bestuursrecht 4:17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:18&amp;g=1997-01-08">Algemene wet bestuursrecht 4:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:18&amp;g=1997-01-08">Algemene wet bestuursrecht 4:18</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=6:22&amp;g=1997-01-08">Algemene wet bestuursrecht 6:22</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001888&amp;g=1997-01-08">Ziektewet</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 164 met annotatie van F.J.L. Pennings</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 89</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-06-23T07:45:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671 Centrale Raad van Beroep , 08-01-1997 / 95/8536 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het bestuursorgaan is er van uitgegaan dat bij app. geen behoefte bestond aan een motivering van de beschikking waarbij haar ziekengeld werd ingetrokken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6671:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>95/8536 ZW</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>                                                 O.</para>
    <para>U I T S P R A A K</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>in het geding tussen:</para>
  <para />
  <para>A., wonende te B., appellante,</para>
  <para />
  <para>en</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en</para>
    <para>Huisvrouwen, gedaagde.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij brief van 15 augustus 1995 is vanwege gedaagde aan appellante kennis</para>
    <para>gegeven van het besluit om aan haar met ingang van 4 september 1995 geen</para>
    <para>uitkering ingevolge de Ziektewet toe te kennen, omdat zij niet meer</para>
    <para>ongeschikt was tot het verrichten van haar werk.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 26 oktober</para>
    <para>1995 het tegen voormeld besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Appellante is bij gemachtigde mr M.J.M. Postma, advocaat te Utrecht, van die</para>
    <para>uitspraak in hoger beroep gekomen op de bij aanvullend beroepschrift d.d. 22</para>
    <para>maart 1996 aangevoerde gronden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Gedaagde heeft bij brief van 1 mei 1996 een verweerschrift ingediend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 december 1996,</para>
    <para>waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Postma</para>
    <para>voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door</para>
    <para>mr E.A. Schouten, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling Sociale</para>
    <para>Verzekeringen van Detam en BVG.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Ter zitting van de Raad heeft de raadsman van appellante, met instemming van</para>
    <para>gedaagdes gemachtigde, nog een brief d.d. 3 december 1996 van de huisarts van</para>
    <para>appellante overgelegd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para>II. MOTIVERING</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Naar uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van de Raad blijkt,</para>
    <para>is appellante op 17 augustus 1992 voor 40 uur per week als</para>
    <para>schoonheidsspecialiste gaan werken bij een drogisterij-parfumerie. Op 3</para>
    <para>februari 1995 is appellante wegens spanningsklachten samenhangend met een</para>
    <para>arbeidsconflict ongeschikt geworden voor haar werk, terzake waarvan aan haar</para>
    <para>ziekengeld is toegekend. Dit arbeidsconflict hield verband met de overname</para>
    <para>van het bedrijf en voortzetting van de exploitatie door de zoon van de vorige</para>
    <para>eigenaar, - die volgens appellante - haar had aangeboden voor 24 uur per week</para>
    <para>tegen een lager salaris te gaan werken, waartegen appellante bezwaren had.</para>
    <para>Aan het dienstverband is vervolgens medio april 1995 een eind gekomen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In verband met dit ziektegeval heeft appellante laatstelijk op 15 augustus</para>
    <para>1995 het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige van gedaagdes</para>
    <para>bedrijfsvereniging bezocht, die haar per 4 september 1995 niet langer</para>
    <para>arbeidsongeschikt achtte.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd,</para>
    <para>is in dit geding primair aan de orde de vraag of het bestreden besluit</para>
    <para>voldoet aan de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde</para>
    <para>motiveringeisen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Het bestreden besluit luidt als volgt:</para>
    <para>       "U meldde zich per 3 februari 1995 arbeidsongeschikt voor uw</para>
    <para>        werk als medewerkster bij werkgever X. BV.</para>
    <para>        Op grond van de Ziektewet bestaat alleen recht op ziekengeld</para>
    <para>        wanneer de verzekerde wegens ziekte ongeschikt is voor zijn werk.</para>
    <para>        U bent met ingang van 4 september 1995 niet (meer) wegens</para>
    <para>        ziekte ongeschikt voor uw werk. U heeft daarom met ingang van 4</para>
    <para>        september 1995 geen recht (meer) op ziekengeld.</para>
    <para>        De motivering voor deze beschikking wordt u op verzoek</para>
    <para>        toegezonden. U kunt binnen 7 dagen na dagtekening van deze</para>
    <para>        brief vragen om een motivering.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bij verweerschrift in eerste aanleg heeft gedaagde wat betreft de motivering</para>
    <para>van het bestreden besluit het navolgende aangevoerd:</para>
    <para>       "Ingevolge het bepaalde in artikel 4:18 lid 2 (lees: lid 1) van</para>
    <para>        de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de vermelding van de</para>
    <para>        motivering achterwege blijven indien redelijkerwijs kan worden</para>
    <para>        aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.</para>
    <para>        Eiseres heeft op het spreekuur d.d. 15 augustus 1995 aan</para>
    <para>        verweerders verzekeringsgeneeskundige kenbaar gemaakt het eens</para>
    <para>        te zijn met de conclusie dat eiseres per 4 september 1995</para>
    <para>        arbeidsgeschikt is voor haar werk als schoonheidsspecialiste</para>
    <para>        (gedingstuk 2).</para>
    <para>        Verweerder heeft derhalve redelijkerwijs kunnen aannemen dat</para>
    <para>        aan een motivering geen behoefte bestond. Na afgifte van de</para>
    <para>        beschikking heeft eiseres niet om een motivering verzocht.</para>
    <para>        Tevens is verweerder van oordeel dat het voor eiseres voldoende</para>
    <para>        duidelijk is dat met het werk in de beschikking, het werk als</para>
    <para>        schoonheidsspecialiste wordt bedoeld. De arbeidsgeschiktheid</para>
    <para>        voor het werk als schoonheidsspecialiste heeft verweerders</para>
    <para>        verzekeringsgeneeskundige uitvoerig met eiseres besproken.".</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad kan zich met de zienswijze van gedaagde omtrent het toepassingsbereik</para>
    <para>van artikel 4:18 van de Awb niet verenigen. Uit de Memorie van Toelichting</para>
    <para>bij het onderhavige artikel blijkt, dat bij situaties waarin een (volledige)</para>
    <para>vermelding van de motivering overbodig is, is gedacht aan gevallen waarin</para>
    <para>geen enkele belanghebbende behoefte heeft aan vermelding van de motivering,</para>
    <para>bij voorbeeld omdat niemand door de beschikking wordt geschaad of belast,</para>
    <para>omdat de beschikking conform de aanvraag is of omdat de beschikking reeds</para>
    <para>lang was aangekondigd en de motivering reeds lang bekend was, zonder dat</para>
    <para>iemand bezwaar tegen de beslissing zal hebben.</para>
    <para>Het onderhavige artikel is dan ook in de eerste plaats bedoeld voor</para>
    <para>begunstigende beschikkingen, waarbij de ingediende aanvraag wordt toegewezen,</para>
    <para>zodat gedaagdes standpunt op gespannen voet met deze wettelijke bepaling</para>
    <para>staat en derhalve niet kan worden onderschreven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>In artikel 4:16 van de Awb is bepaald dat een beschikking dient te berusten</para>
    <para>op een deugdelijke motivering. Ingevolge artikel 4:17, lid 1 van de Awb dient</para>
    <para>de motivering bij de bekendmaking van de beschikking te worden vermeld. Op</para>
    <para>deze hoofdregel vormt het derde lid van artikel 4:17 een uitzondering door te</para>
    <para>bepalen dat, indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet</para>
    <para>aanstonds bij de bekendmaking van de beschikking kan worden vermeld, het</para>
    <para>bestuursorgaan deze zo spoedig mogelijk verstrekt. Naar het oordeel van de</para>
    <para>Raad heeft deze situatie van spoedeisendheid zich in het onderhavige geval</para>
    <para>niet voorgedaan, aangezien appellante, zoals uit het eerder overwogene</para>
    <para>blijkt, op 15 augustus 1995 het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundige</para>
    <para>heeft bezocht en zij eerst met ingang van 4 september 1995 hersteld verklaard</para>
    <para>werd. De hersteldverklaring is mitsdien op een zodanige termijn gesteld, dat</para>
    <para>voldoende tijd voor het opnemen van een deugdelijke motivering in het te</para>
    <para>nemen besluit heeft opengestaan.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad is verder van oordeel dat het besluit, zoals het voorligt, gelet op</para>
    <para>de omstandigheden van het onderhavige geval niet voldoet aan de eis van</para>
    <para>artikel 4:17, lid 1 van de Awb.</para>
    <para>De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat aan het dienstverband van</para>
    <para>appellante medio april 1995 een einde was gekomen, waarna aan haar een</para>
    <para>werkloosheidsuitkering is toegekend, en dat appellante, zoals zij ter zitting</para>
    <para>van de Raad heeft toegelicht, na haar hersteldverklaring niet meer bij haar</para>
    <para>oude werkgever kon terugkeren. In deze situatie is volgens constante</para>
    <para>jurisprudentie van de Raad voor de maatstaf arbeid bepalend het laatstelijk</para>
    <para>door de betrokkene verrichte werk, zij het bij een andere werkgever en zonder</para>
    <para>dat de aan dat werk verbonden (zeer) specifieke werkomstandigheden daarbij in</para>
    <para>aanmerking worden genomen. In de kennisgeving van het bestreden besluit is</para>
    <para>aan dit aspect geen aandacht geschonken. Naar het oordeel van de Raad is bij</para>
    <para>de bekendmaking van dat besluit dan ook onvoldoende tot uitdrukking gebracht</para>
    <para>voor welke arbeid appellante per 4 september 1995 weer geschikt werd geacht.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden  besluit wegens schending van</para>
    <para>artikel 4:17, lid 1 van de Awb moet worden vernietigd.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad heeft geen grond aanwezig geacht om het bestreden besluit ondanks de</para>
    <para>schending van voormeld voorschrift in stand te laten. Mede gelet op de in</para>
    <para>eerste aanleg tegen het bestreden besluit aangevoerde grieven, valt naar het</para>
    <para>oordeel van de Raad niet uit te sluiten dat appellante door die schending is</para>
    <para>benadeeld, zodat hier aan het bepaalde in artikel 6:22 van de Awb geen</para>
    <para>toepassing kan worden gegeven.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>De Raad heeft verder geen termen aanwezig geacht om met toepassing van</para>
    <para>artikel 8:72, lid 3 van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het</para>
    <para>bestreden besluit in stand blijven, aangezien de beschikbare medische</para>
    <para>gegevens voor dit oordeel onvoldoende zekerheid bieden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op het hiervoor overwogene is er aanleiding om op grond van artikel</para>
    <para>8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de kosten van appellante, welke</para>
    <para>zijn begroot op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in eerste</para>
    <para>aanleg en op f 1.420,-- als kosten van verleende rechtsbijstand in hoger</para>
    <para>beroep en op f 40,81 als overige kosten, totaal derhalve f 2.880,81.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Van andere op grond van dat artikel te vergoeden kosten is de Raad niet</para>
    <para>gebleken.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede het bepaalde in artikel 24 en</para>
    <para>25, lid 1 van de Beroepswet stelt de Raad verder vast dat het door appellante</para>
    <para>in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagdes</para>
    <para>bedrijfsvereniging dient te worden vergoed.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>Mitsdien wordt beslist als volgt.</para>
  <para />
  <para />
  <para>III. BESLISSING</para>
  <para />
  <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
  <para />
  <para>Recht doende:</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>Vernietigt de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit;</para>
    <para>Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot f</para>
    <para>2.880,81, te betalen door gedaagdes bedrijfsvereniging aan de griffier van de</para>
    <para>Raad.</para>
    <para>Verstaat dat gedaagdes bedrijfsvereniging aan appellante het gestorte recht</para>
    <para>van f 200,-- vergoedt.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>Aldus gegeven door mr B.J. van der Net als voorzitter en mr M.A. Hoogeveen en</para>
    <para>mr Chr. van Voorst als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier</para>
    <para>en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 1997.</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>                         (get.) B.J. van der Net.</para>
  <para />
  <para>                         (get.) R.E. Lysen.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>HD/HL</para>
    <para>1301</para>
  </parablock>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>