<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6623</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T15:48:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6623</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1997-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">95/1159 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001947&amp;artikel=123&amp;g=1997-01-23">Ambtenarenwet 123</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AB 1997, 194 met annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 1997/42</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6623">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6623</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:49:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2005-11-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6623 Centrale Raad van Beroep , 23-01-1997 / 95/1159 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6623:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Art 123 Ambtenarenwet is niet voor de bestuursrechter-in-ambtenarenzaken geschreven.</para>
        <para> Ambtenaar kan financiële aanspraken jegens de overheid na 5 jaar niet meer afdwingen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6623:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>95/1159 AW                                  O</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellant,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, gedaagde.</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift</para>
      <para> aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door</para>
      <para>de Arrondissementsrechtbank te Haarlem op 6 april 1995</para>
      <para> onder nr. 94/928 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij</para>
      <para>wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellant heeft vervolgens de Raad nog enige stukken doen</para>
      <para>toekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van 19 december 1996, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich</para>
      <para>heeft laten vertegenwoordigen door drs H.E. Martens, werkzaam bij de gemeente Haarlem.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een</para>
      <para> meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang</para>
      <para>zijnde feiten volstaat de Raad thans met vermelding van het volgende:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Namens appellant, ten tijde hier van belang werkzaam als</para>
      <para> (reserve-)suppoost bij het X.museum te Haarlem,</para>
      <para>is op 1 april 1993 verzocht hem per 13 mei 1987 alsnog te</para>
      <para> bezoldigen naar salarisschaal 3, salarisnummer U-15 van</para>
      <para>de toepasselijke bezoldigingsverordening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 februari 1994 heeft gedaagde - na</para>
      <para> daartegen gemaakt bezwaar - het namens hem op 24 mei</para>
      <para>1993 genomen besluit waarbij voormeld verzoek van</para>
      <para> appellant werd afgewezen, gehandhaafd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak</para>
      <para> appellants beroep tegen het besluit van 14 februari 1994</para>
      <para>ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt het volgende:</para>
      <para>Ter motivering van zijn afwijzende beslissing heeft</para>
      <para> gedaagde in zijn besluit van 14 februari 1994 primair</para>
      <para>overwogen "dat op grond van het bepaalde in artikel 123b</para>
      <para> van de Ambtenarenwet rechtsvorderingen ter zake van</para>
      <para>geldelijke aanspraken als de onderhavige verjaren na een termijn van 5 jaar".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad verstaat dit beroep op het tot 1 januari 1992 in artikel 123b van de Ambtenarenwet 1929, en vanaf die</para>
      <para>datum in artikel 123 van de Ambtenarenwet 1929 (sedert 1</para>
      <para>januari 1994 Ambtenarenwet geheten) neergelegde</para>
      <para>verjaringsartikel als een beroep op het beginsel van de rechtszekerheid. Zoals de Raad heeft geoordeeld in zijn</para>
      <para>uitspraak van 19 oktober 1995 (gepubliceerd in TAR 1995,</para>
      <para> 263) dient evenbedoeld artikel 123, dat - voor zover hier</para>
      <para>van belang en kort weergegeven bepaalt dat rechtsvorderingen ten laste van het Rijk verjaren door</para>
      <para>verloop van vijf jaren nadat de vordering opeisbaar is</para>
      <para> geworden - in ambtenarenzaken geen rol (meer) te spelen,</para>
      <para>omdat dat artikel niet voor de bestuursrechter-in-ambtenarenzaken</para>
      <para> is geschreven. In voormelde uitspraak</para>
      <para>heeft de Raad echter eveneens overwogen dat het beginsel van de rechtszekerheid meebrengt dat de ambtenaar</para>
      <para>financiële aanspraken, welke hij jegens de overheid kan doen gelden, na het verstrijken van een termijn van vijf</para>
      <para>jaren niet meer kan afdwingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In aanmerking genomen dat naar het oordeel van de Raad</para>
      <para> moet worden gezegd dat appellant, indien hij zich</para>
      <para>voldoende adequaat had doen voorlichten, op 13 mei 1987 redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de exacte</para>
      <para>omvang van zijn bezoldigingsaanspraken per die datum, stelt de Raad vast dat appellants verzoek van 1 april</para>
      <para>1994 om zijn bezoldiging per 13 mei 1987 vast te stellen op salarisschaal 3, salarisnummer U-15 is gedaan op een</para>
      <para>tijdstip waarop meer dan vijf jaren waren verstreken</para>
      <para> vanaf het moment waarop appellant ter zake van de hoogte</para>
      <para>van zijn bezoldiging per 13 mei 1987 in actie had kunnen</para>
      <para> komen. De omstandigheid dat appellant, toen hem - ook</para>
      <para>vóór 1987 - was medegedeeld dat zijn bezoldiging correct was vastgesteld, geen nadere stappen dienaangaande heeft</para>
      <para>ondernomen maar blijkens zijn verklaring ter zitting heeft vertrouwd op de juistheid van die informatie, dient</para>
      <para>naar het oordeel van de Raad voor rekening en risico van</para>
      <para> appellant te worden gelaten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat gedaagde zich in beginsel op verjaring kon beroepen. Nu niet is gesteld of gebleken</para>
      <para>dat er omstandigheden zijn op grond waarvan moet worden</para>
      <para> gezegd dat gedaagde dit beroep in het onderhavige geval</para>
      <para>achterwege had dienen te laten, is de Raad van oordeel</para>
      <para> dat reeds op grond van het voorgaande moet worden</para>
      <para>geconcludeerd dat appellants beroep tegen het besluit van</para>
      <para> 14 februari 1994 niet kan slagen en de aangevallen</para>
      <para>uitspraak derhalve reeds deswege voor bevestiging in aanmerking komt. Aan bespreking van hetgeen door</para>
      <para>appellant overigens is aangevoerd, komt de Raad niet meer</para>
      <para> toe.</para>
      <para>Omdat de Raad in dit geval geen termen ziet toepassing te</para>
      <para> geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb wordt</para>
      <para>dan ook beslist als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr W. van den Brink als voorzitter en</para>
      <para> mr H.A.A.G. Vermeulen en mr W.D.M. van Diepenbeek als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 januari</para>
      <para> 1997.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) W. van den Brink.</para>
    <para />
    <para>(get.) P.H. Schippers.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>