<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6634</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:08:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ZB6634</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">1996-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">96/1235 WVG</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=2&amp;g=1996-10-29">Wet voorzieningen gehandicapten 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0006169&amp;artikel=3&amp;g=1996-10-29">Wet voorzieningen gehandicapten 3</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 1997, 67</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6634">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6634</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:49:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2002-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6634 Centrale Raad van Beroep , 29-10-1996 / 96/1235 WVG</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6634:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6634:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>96/1235 WVG</para>
    <para />
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para />
    <para>A., wonende te B., appellante,</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>het college van burgemeesters en wethouders van de</para>
      <para>gemeente Maastricht, gedaagde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft bij een - hierna onder II meer uitvoerig</para>
      <para>weergegeven - ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten</para>
      <para>(WVG) genomen besluit van 18 april 1995 jegens appellante</para>
      <para>onder meer overwogen dat in haar situatie het per 1 maart</para>
      <para>1995 in Maastricht van start gegane systeem van</para>
      <para>collectief vervoer van deur tot deur als een adequate</para>
      <para>voorliggende voorziening moet worden beschouwd. Bij dat</para>
      <para>besluit is voorts appellantes bezwaar tegen gedaagdes</para>
      <para>eerdere primaire besluit d.d. 12 december 1994 afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Arrondissementsrechtbank te Maastricht heeft het</para>
      <para>namens appellante tegen voormeld besluit van 18 april</para>
      <para>1995 ingesteld beroep ongegrond verklaard bij een tussen</para>
      <para>partijen gewezen uitspraak van 20 december 1995, waarnaar</para>
      <para>hierbij wordt verwezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Appellante is van die uitspraak in hoger beroep gekomen</para>
      <para>bij de Raad. In het namens haar ingediende beroepschrift</para>
      <para>zijn de gronden van het onderhavige hoger beroep uiteengezet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en</para>
      <para>- desverzocht - bij begeleidend schrijven van 23 augustus</para>
      <para>1996 nadere gegevens ingezonden over het collectief</para>
      <para>vervoer in Maastricht en de daaraan verbonden kosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden</para>
      <para>op 17 september 1996. Appellante is daar niet verschenen.</para>
      <para>Gedaagde heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen</para>
      <para>door H.M. Pluymaeckers, werkzaam bij de afdeling sociale</para>
      <para>zaken en welzijn van de gemeente Maastricht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>II. MOTIVERING</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gedaagde heeft appellante, geboren in 1932 en woonachtig</para>
      <para>te B., in het kader van de WVG van 1 april 1994</para>
      <para>tot 1 maart 1995 in het genot gesteld van een forfaitaire</para>
      <para>vervoerskostenvergoeding ad f 135,-- per maand. Die voorziening</para>
      <para>is door gedaagde met ingang van 1 maart 1995 in</para>
      <para>verband met de invoering in Maastricht van het zogenoemd</para>
      <para>collectief vervoer gewijzigd bij primair besluit van</para>
      <para>12 december 1994. Bij dat besluit werd appellante op de</para>
      <para>voet van de gemeentelijke Verordening Voorzieningen</para>
      <para>Gehandicapten (hierna: de verordening) in aanmerking</para>
      <para>gebracht voor deelname - onder begeleiding - aan het</para>
      <para>collectief systeem van al dan niet aanvullend openbaar</para>
      <para>vervoer (zogenoemd Vervoer op maat-systeem).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar aanleiding van het door appellante tegen het</para>
      <para>zoëvengenoemd besluit gemaakte bezwaar is door gedaagde</para>
      <para>bij het onder I vermeld besluit van 18 april 1995 onder</para>
      <para>meer het volgende overwogen:</para>
      <para>"Kort samengevat voert u aan dat deelname aan het</para>
      <para>vervoer op maat-systeem voor u niet mogelijk is m.n.</para>
      <para>omdat u veelal niet kunt beschikken over begeleiding</para>
      <para>die u bij dat collectieve vervoer noodzakelijk acht.</para>
      <para>Tijdens een hoorzitting op 06-01-1995 heeft uw zoon</para>
      <para>en gemachtigde, het bezwaarschrift mondeling toegelicht.</para>
      <para>Benadrukt werd dat het (bijna) wekelijke bezoeken</para>
      <para>van uw schoonzuster in Maastricht voor u een zeer</para>
      <para>belangrijk sociaal kontakt is; uw vervoer hiernaar</para>
      <para>toe via Vervoer op maat wordt door uw gemachtigde</para>
      <para>aangemerkt als van aanzienlijk langere duur dan per</para>
      <para>taxi en als zodanig als kapitaalvernietiging.</para>
      <para>Verder werd meegedeeld dat u weliswaar enkele dagen</para>
      <para>per week begeleid kunt worden door de thuiszorg,</para>
      <para>maar u daarnaast en met name 's avonds meestal niet</para>
      <para>over begeleiding beschikt. Naar aanleiding van de</para>
      <para>mededeling dat uw medische toestand sinds medio 1994</para>
      <para>is verslechterd, werd een hernieuwd medisch</para>
      <para>onderzoek door de Gemeenschappelijke</para>
      <para>Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg verricht</para>
      <para>(op 23-01-1995). Bij schrijven van 27-01-1995 werd</para>
      <para>aan u het medisch advies van de GGD toegezonden en u</para>
      <para>de mogelijkheid geboden om binnen zeven dagen op dit</para>
      <para>advies te reageren. Die termijn is verstreken zonder</para>
      <para>dat van of namens u een reaktie werd ontvangen.</para>
      <para>De overwegingen:</para>
      <para>Met het bezwaarschrift heeft u de bedoeling, dat de</para>
      <para>individuele geldelijke vergoeding voor</para>
      <para>vervoerskosten, welke u tot 1 maart 1995 was</para>
      <para>toegekend wegens het ontbreken van het collectief</para>
      <para>systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer,</para>
      <para>ook nu dit systeem is ingevoerd, vanaf 1 maart 1995</para>
      <para>wordt voortgezet.</para>
      <para>Vanaf 1 april 1994 is de Wet voorzieningen</para>
      <para>gehandicapten van toepassing. Deze wet draagt de</para>
      <para>gemeentebesturen op zorg te dragen voor de verlening</para>
      <para>van onder meer vervoersvoorzieningen ten behoeve van</para>
      <para>deelneming aan het maatschappelijk verkeer (art. 2 Wvg).</para>
      <para>Welke voorzieningen dat zouden moeten zijn is niet</para>
      <para>in de wet vastgelegd.</para>
      <para>Aldus is er een gemeentelijke beleidsvrijheid ten</para>
      <para>aanzien van de omvang en de inhoud van het lokale</para>
      <para>voorzieningenpakket en wordt het gemeentebestuur in</para>
      <para>staat gesteld om, gelet op de behoefte van de</para>
      <para>individuele gehandicapte en de lokale mogelijkheden,</para>
      <para>op een flexibele, efficiënte wijze de beperkingen</para>
      <para>die de gehandicapte bij het zich binnen of buiten de</para>
      <para>woning verplaatsen ondervindt weg te nemen of te verminderen.</para>
      <para>De gemeenten krijgen op dit terrein veel meer</para>
      <para>mogelijkheden, onder andere om in de plaats van</para>
      <para>individuele financiële tegemoetkomingen andere</para>
      <para>voorzieningen aan te bieden, zoals collectieve</para>
      <para>vervoersvoorzieningen.</para>
      <para>De voorzieningen die de gemeente aanbiedt dienen</para>
      <para>verantwoord te zijn. Onder verantwoorde</para>
      <para>voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die</para>
      <para>doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden</para>
      <para>verleend, met andere woorden er dient sprake te zijn</para>
      <para>van adequate voorzieningen (art. 3 Wvg).</para>
      <para>De gemeenten dienen hun zorgplicht nader uit te</para>
      <para>werken in een verordening (art. 2 Wvg). De gemeente</para>
      <para>Maastricht heeft dit vastgelegd in de Verordening</para>
      <para>voorziening gehandicapten Maastricht 1994 (hierna te</para>
      <para>noemen de Verordening).</para>
      <para>Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening kan de door</para>
      <para>Burgemeester en Wethouders te verstrekken</para>
      <para>vervoersvoorzieningen bestaan uit:</para>
      <para>a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet</para>
      <para>openbaar vervoer;</para>
      <para>b. een voorziening in natura in de vorm van:</para>
      <para>1. een al dan niet aangepaste huurauto; 2. een al</para>
      <para>dan niet aangepaste gesloten buitenwagen in huur;</para>
      <para>3. een open electrische buitenwagen in huur; 4. een</para>
      <para>ander verplaatsingsmiddel in huur.</para>
      <para>c. een vergoeding in de kosten van:</para>
      <para>1. aanpassing van een eigen auto; 2. gebruik van een</para>
      <para>bruikleen-/huurauto; 3. gebruik van een taxi of</para>
      <para>eigen auto; 4. gebruik van een rolstoeltaxi.</para>
      <para>De gemeente Maastricht heeft de voorkeur gegeven aan</para>
      <para>een collectief systeem van aanvullend al dan niet</para>
      <para>openbaar vervoer. Dit uitgangspunt is vastgelegd in</para>
      <para>artikel 3.2, onder 2 aanhef, sub a en b van de</para>
      <para>Verordening, waarin bepaald wordt dat een</para>
      <para>gehandicapte voor een vervoersvoorziening als</para>
      <para>bedoeld in artikel 3.1 onder b en c vermeld in</para>
      <para>aanmerking kan worden gebracht wanneer:</para>
      <para>a. aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of</para>
      <para>gebrek het gebruik van een collectief systeem</para>
      <para>onmogelijk maken, dan wel:</para>
      <para>b. een collectief systeem niet aanwezig is.</para>
      <para>In verband met het ontbreken van een collectief</para>
      <para>systeem werd u een geldelijke vergoeding voor</para>
      <para>vervoerskosten toegekend (tot 1 maart 1995).</para>
      <para>Met ingang van 1 januari 1995 is het collectief</para>
      <para>systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer</para>
      <para>(Vervoer op Maat-systeem) in werking getreden.</para>
      <para>Bij de behandeling van de Wet voorzieningen</para>
      <para>gehandicapten in de Kamer is aangegeven dat het</para>
      <para>collectief vervoerssysteem in het algemeen</para>
      <para>aangemerkt kan worden als voorziening waarmee de</para>
      <para>beperkingen die de gehandicapten bij het verplaatsen</para>
      <para>buitenshuis ondervinden adequaat kunnen worden</para>
      <para>weggenomen, dan wel worden verminderd.</para>
      <para>Burgemeester en Wethouders zijn van oordeel dat het</para>
      <para>Vervoer op Maat-systeem aangemerkt dient te worden</para>
      <para>als een adequate voorziening. Het Maastrichtse model</para>
      <para>voldoet aan de eisen, zoals opgesteld door een</para>
      <para>werkgroep van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.</para>
      <para>De voorkeur voor het Vervoer op Maat-systeem houdt</para>
      <para>in dat er dan in principe geen plaats meer is voor</para>
      <para>een individuele verstrekking van een geldelijke</para>
      <para>vergoeding voor vervoerskosten. Voortzetting van de</para>
      <para>geldelijke vergoeding is alleen dan mogelijk in de</para>
      <para>gevallen waarin aantoonbare beperkingen als gevolg</para>
      <para>van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief</para>
      <para>systeem onmogelijk maken.</para>
      <para>Uit het advies van de Gemeenschappelijke</para>
      <para>Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg van 10-02-1995</para>
      <para>blijkt dat u gebruik kunt maken van het Vervoer</para>
      <para>op Maat-systeem. Gekonstateerd wordt dat u geen</para>
      <para>overstap kunt maken. Op grond daarvan is er een</para>
      <para>indikatie voor van deur-tot-deur vervoer met</para>
      <para>collectieve taxi als onderdeel van vervoer op maat.</para>
      <para>Aan het gestelde in het medisch advies kan met het</para>
      <para>Vervoer op Maat-systeem worden voldaan. Vervoer van</para>
      <para>deur-tot-deur met collectieve taxi maakt onderdeel</para>
      <para>uit van het vervoer op maat-systeem.</para>
      <para>Naar aanleiding van hetgeen u opmerkt in uw</para>
      <para>bezwaarschrift met betrekking tot het feit dat u</para>
      <para>hulp krijgt bij het in- en uitstappen van de</para>
      <para>chauffeur bij gebruik van de taxi zij vermeld dat</para>
      <para>ook bij het Vervoer op Maat-systeem hulp in deze</para>
      <para>wordt geboden.</para>
      <para>Er zijn derhalve medisch geen beperkingen gebleken</para>
      <para>die het gebruik van het Vervoer op Maatsysteem</para>
      <para>onmogelijk maken.</para>
      <para>In beginsel hoeft slechts rekening te worden</para>
      <para>gehouden met vervoer op korte afstanden. Als</para>
      <para>uitgangspunt geldt het leven van alledag en het</para>
      <para>onderhouden van sociale contacten in de diverse</para>
      <para>woon- of leefomgeving. Dit betekent dat bezoek of</para>
      <para>deelname aan elders wonende sociale contacten in</para>
      <para>beginsel buiten beschouwing blijven, tenzij er</para>
      <para>sprake zou zijn van vereenzaming.</para>
      <para>Hiervan is in uw situatie niet gebleken.</para>
      <para>Overigens wordt u voor vervoer buiten Maastricht en</para>
      <para>vervoer buiten de openstellingsuren van Vervoer op</para>
      <para>Maat een tegemoetkoming ad f 475,- per jaar verstrekt.</para>
      <para>Het betreft een forfaitaire vergoeding welke los</para>
      <para>staat van de werkelijke kosten.</para>
      <para>Het collectief systeem geldt als voorliggende</para>
      <para>voorziening. Om die reden dient iedereen, los van</para>
      <para>het gegeven of men liever iets anders wil, zo</para>
      <para>mogelijk van dit systeem gebruik te maken.</para>
      <para>De Gemeente heeft de verplichting om te zorgen voor</para>
      <para>een adequate vervoersvoorziening en niet de plicht</para>
      <para>om voor iedere gehandicapte de eigen keuze voor het</para>
      <para>opheffen of verminderen van de beperking, die bij</para>
      <para>het vervoer buitenshuis wordt ondervonden, te realiseren.</para>
      <para>Resumerend wordt het Vervoer op Maat-systeem in uw</para>
      <para>situatie als een adequate voorziening aangemerkt.</para>
      <para>Ingevolge artikel 8.1, eerste lid van de Verordening</para>
      <para>kunnen burgemeester en wethouders in bijzondere</para>
      <para>gevallen ten gunste van de gehandicapte afwijken van</para>
      <para>de bepalingen in de verordening, indien toepassing</para>
      <para>van de verordening tot onbillijkheden van</para>
      <para>overwegende aard leidt.</para>
      <para>Hetgeen u bij bezwaar aanvoert, vormt geen reden</para>
      <para>hiervan af te wijken.".</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geding ziet de Raad zich gesteld voor de</para>
      <para>beantwoording van de vraag of de in het bestreden besluit</para>
      <para>vervat te achten toekenning van een vervoersvoorziening</para>
      <para>bestaande uit collectief taxivervoer van deur tot deur</para>
      <para>met daarnaast een vergoeding van f 475,-- per jaar, een</para>
      <para>en ander als hiervoor vermeld, in rechte stand kan</para>
      <para>houden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft, lettend op de in het bestreden</para>
      <para>besluit en de aangevallen uitspraak weergegeven</para>
      <para>bepalingen van de WVG respectievelijk voormelde</para>
      <para>gemeentelijke Verordening inzake voorzieningen voor</para>
      <para>gehandicapten, deze vraag bevestigend beantwoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Daartoe is door die rechter - samengevat - overwogen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- dat gedaagdes gemeente met de keuze voor een collectief</para>
      <para>vervoerssysteem als eerste in aanmerking komende</para>
      <para>voorziening, is gebleven binnen de haar door de wetgever</para>
      <para>gestelde grenzen;</para>
      <para>- dat appellante, gelet op de bevindingen van de</para>
      <para>Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst in staat is zich</para>
      <para>zonder begeleiding te verplaatsen via het collectief</para>
      <para>taxivervoer van deur tot deur;</para>
      <para>- dat niet is gebleken dat appellante door de haar per</para>
      <para>1 maart 1995 toegekende voorziening in een sociaal</para>
      <para>isolement zal geraken;</para>
      <para>- dat evenmin sprake is van (andere) zwaarwegende</para>
      <para>bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 8 van de</para>
      <para>verordening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De in eerste aanleg aangevoerde en in hoger beroep</para>
      <para>herhaalde grieven van appellante tegen de wijziging van</para>
      <para>haar vervoersvoorziening per 1 maart 1995 betreffen met</para>
      <para>name de teruggang van het aantal malen dat zij haar</para>
      <para>familie in Maastricht zou kunnen bezoeken.</para>
      <para>In haar visie voorzag haar voormalige forfaitaire</para>
      <para>maandelijkse vergoeding van f 135,-- wel voldoende in</para>
      <para>haar vervoersbehoefte, met name nu zij daarmee in staat</para>
      <para>was vrijwel wekelijks per taxi naar haar in Maastricht</para>
      <para>wonende schoonzuster te gaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad overweegt naar aanleiding van die grieven als</para>
      <para>volgt.</para>
      <para>Het bestuur van de gemeente Maastricht heeft bij de in</para>
      <para>het bestreden besluit vermelde bepalingen van de</para>
      <para>verordening uitvoering gegeven aan de haar ingevolge</para>
      <para>artikel 2 en artikel 3 van de WVG opgedragen taak om</para>
      <para>doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte</para>
      <para>vervoersvoorzieningen op te zetten ten behoeve van de</para>
      <para>deelneming aan het maatschappelijk verkeer van ter</para>
      <para>plaatse wonende gehandicapten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij dient te worden bedacht dat de wetgever bij die</para>
      <para>opdracht bewust beleidsruimte aan de gemeenten heeft</para>
      <para>gegeven. Daarbij staat het die organen vrij om desgeraden</para>
      <para>afstand te nemen van de ontstane beleidspractijk onder de</para>
      <para>vigeur van artikel 57, tweede lid (oud) van de Algemene</para>
      <para>Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarbij individuele</para>
      <para>forfaitaire financiële tegemoetkomingen - in feite bij</para>
      <para>wijze van inkomensondersteunende voorziening - in zwang</para>
      <para>zijn geraakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het is derhalve aan de gemeenten om, binnen voormeld</para>
      <para>globaal kader van de WVG, naar eigen beleidsinzicht en</para>
      <para>rekening houdend met de aanwezige middelen en plaatselijke</para>
      <para>omstandigheden, voorzieningen te creëren voor de bij</para>
      <para>die wet uitgebreide kring van gehandicapten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bestuur van de gemeente Maastricht heeft bij het</para>
      <para>vaststellen van de verordening van de hem door de</para>
      <para>wetgever toegekende beleidsruimte in dier voege gebruik</para>
      <para>gemaakt, dat hij prioriteit heeft verleend aan het</para>
      <para>daarbij geïntroduceerde systeem van collectief vervoer.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet, evenmin als de rechtbank, aanknopingspunten</para>
      <para>om te oordelen dat de wijze, waarop het bestuur van de</para>
      <para>gemeente Maastricht - binnen voormeld kader - gebruik heeft</para>
      <para>gemaakt van zijn regelgevende bevoegdheid, de te dezen</para>
      <para>beperkte rechterlijke toetsing niet zou kunnen doorstaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij heeft de Raad mede laten wegen dat het aantal in</para>
      <para>de gemeente Maastricht jaarlijks af te leggen reizen per</para>
      <para>collectief vervoer aanvankelijk beperkt was, namelijk</para>
      <para>variërend van circa 20 (indien men slechts ritten maakt</para>
      <para>waarvoor telkens het maximaal aantal van 5 bonnen is</para>
      <para>vereist) tot 70 (bij ritten binnen één vervoersgebied),</para>
      <para>doch dat aan dit aantal na 1 september 1995 niet langer</para>
      <para>een limiet is gesteld. Daartoe geïndiceerden kunnen</para>
      <para>sedertdien onbeperkt van het collectief vervoer - in het</para>
      <para>geval van appellante vervoer per deeltaxi van deur tot</para>
      <para>deur - tegen het geldend gereduceerd tarief van 75 cent</para>
      <para>per bon gebruik maken.</para>
      <para>Bovendien kunnen die personen desgewenst de hen</para>
      <para>toegekende aanvullende forfaitaire tegemoetkoming van f</para>
      <para>475,-- geheel of gedeeltelijk besteden aan de aankoop van</para>
      <para>collectief vervoer coupons tegen het zoëven genoemd</para>
      <para>gereduceerd tarief.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij de beantwoording van de eerdergenoemde hier in geding</para>
      <para>zijnde vraag vormen, naar in het vorengaande ligt</para>
      <para>besloten, de hiervoor vermelde bepalingen van de</para>
      <para>verordening in de gemeente Maastricht de specifieke</para>
      <para>grondslag waarop de houdbaarheid in rechte van het</para>
      <para>bestreden besluit moet worden beoordeeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Niet betwist is dat die bepalingen door gedaagde in het</para>
      <para>geval van appellante juist zijn toegepast. Uitgaande van</para>
      <para>die bepalingen, heeft de Raad noch in de uit het dossier</para>
      <para>naar voren komende medische en andere gegevens noch in</para>
      <para>hetgeen zijdens appellante in hoger beroep is aangevoerd</para>
      <para>grond gevonden om met betrekking tot de rechtmatigheid</para>
      <para>van het bestreden besluit tot een ander oordeel dan de</para>
      <para>rechtbank te komen.</para>
      <para>Ook de Raad neemt derhalve op grond van de voorhanden</para>
      <para>zijnde gegevens aan dat appellante, temeer nu het</para>
      <para>tegendeel van haar zijde niet onderbouwd is bestreden,</para>
      <para>ten tijde hier in geding in staat was om - zonder</para>
      <para>begeleiding - gebruik te maken van het haar verstrekte</para>
      <para>deeltaxivervoer van deur tot deur (met hulp van de</para>
      <para>chauffeur bij het in- en uitstappen).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de Raad is voorts, het vorenoverwogene mede in</para>
      <para>aanmerking genomen, niet gebleken van bijzondere</para>
      <para>zwaarwegende omstandigheden op grond waarvan zou moeten</para>
      <para>worden geoordeeld dat gedaagde in redelijkheid niet had</para>
      <para>mogen volstaan met verstrekking van de aan appellante</para>
      <para>toegekende vervoersvoorzieningen overeenkomstig voormelde</para>
      <para>bepalingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hierbij mag niet uit het oog worden verloren dat</para>
      <para>gedaagde, gegeven het bepaalde in de Verordening, bij de</para>
      <para>vaststelling van de aard en omvang van te verstrekken</para>
      <para>vervoersvoorzieningen geen doorslaggevende betekenis</para>
      <para>hoeft toe te kennen aan de bij een betrokkene levende</para>
      <para>voorkeuren.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het ingevolge de WVG in de Verordening neergelegde</para>
      <para>stelsel van vervoersvoorzieningen is, evenals voordien</para>
      <para>onder de vigeur van de AAW het geval was, immers</para>
      <para>inhaerent dat van een betrokkene kan worden gevergd dat</para>
      <para>zij of hij zich zekere beperkingen getroost. Dat kan in</para>
      <para>voorkomend geval een vermindering meebrengen van eerder</para>
      <para>aanwezige mogelijkheden tot gebruikmaking van individueel</para>
      <para>autovervoer. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat</para>
      <para>aan een stelsel van vervoersvoorzieningen als hier aan de</para>
      <para>orde naar haar aard een gestandaardiseerd karakter eigen is.</para>
      <para>In de lijn van onder meer zijn uitspraak van 17 september</para>
      <para>1996, reg. nr. WVG/39, voegt de Raad hier aan toe dat een</para>
      <para>vervoersvoorziening krachtens de WVG als de onderhavige</para>
      <para>in beginsel niet verder hoeft te strekken dan het bieden</para>
      <para>van een zodanige tegemoetkoming dat betrokkene binnen het</para>
      <para>naaste woonmilieu nog in aanvaardbare mate deel kan nemen</para>
      <para>aan het leven van alledag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar in het vorengaande ligt besloten treft het</para>
      <para>ingestelde hoger beroep geen doel. De aangevallen</para>
      <para>uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad ziet, mede gelet daarop, geen termen voor een</para>
      <para>proceskostenvergoeding als bedoeld in artikel 8:75 van de</para>
      <para>Algemene wet bestuursrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Beslist dient derhalve te worden als volgt.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aldus gegeven door mr M.I. 't Hooft als voorzitter,</para>
      <para>mr D.J. van der Vos en mr M. Schreuder-Vlasblom als</para>
      <para>leden, in tegenwoordigheid van M. Nieuwenhuis als griffier</para>
      <para>en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 1996.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>(get.) M.I. 't Hooft.</para>
    <para />
    <para>(get.) M. Nieuwenhuis.</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>